Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:8255

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-10-2013
Datum publicatie
03-12-2013
Zaaknummer
200.125.263
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontheffing gezag. Ouder verschenen zonder advocaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.125.263

(zaaknummer rechtbank Oost-Nederland 235716)

beschikking van de familiekamer van 31 oktober 2013

inzake

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],
verzoekster in hoger beroep, verder te noemen: de moeder,

advocaat: voorheen mr. D. Simo, onttrokken,

en

Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Arnhem,

verweerder in hoger beroep, verder te noemen: de raad.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering

namens de Stichting Bureau Jeugdzorg Gelderland,

gevestigd te Diemen, verder te noemen: de stichting,

en

[belanghebbende 1],

wonende te [woonplaats], verder te noemen: de vader,

en

[belanghebbende 2] en [belanghebbende 3],

wonende te Wijchen, verder te noemen: de pleegouders.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Arnhem, van 11 januari 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 8 april 2013;

- het verweerschrift, ingekomen op 3 juni 2013;

- een journaalbericht van mr. Simo te Culemborg van 16 juli 2013, ingekomen op diezelfde datum;

- een journaalbericht van mr. Simo van 20 september 2013, ingekomen op diezelfde datum.

2.2

Mondelinge behandelingen hebben op 16 juli 2013 en 20 september 2013 plaatsgevonden. De moeder is op beide zittingen in persoon verschenen, zonder advocaat.

Namens de raad is ter zitting van 16 juli 2013 verschenen W. Nijenhuis en ter zitting van 20 september 2013 E.C.N. van der Veldt. Namens de stichting is op beide zittingen verschenen L.R. Muller. Voorts zijn de pleegouders op beide zittingen verschenen. De vader is ter zitting van 16 juli 2013 niet verschenen. Namens de vader is ter zitting van 20 september 2013 verschenen [A], curator van de vader (grootvader vaderszijde).

3 De vaststaande feiten

3.1

Uit het op 20 december 2010 door echtscheiding ontbonden huwelijk van de moeder en de vader is op [geboortedatum] 2009 [minderjarige] geboren. De ouders zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige]. Sinds zijn ondercuratelestelling op 29 september 2010 is de vader thans niet bevoegd het gezag over de minderjarige uit te oefenen. De grootvader vaderszijde is benoemd tot curator.

3.2

Bij beschikking van 16 juni 2009 heeft de kinderrechter in de rechtbank Arnhem, op verzoek van de raad, [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld van de stichting voor de duur van drie maanden en machtiging tot spoeduithuisplaatsing van [minderjarige] verleend in een voorziening voor pleegzorg met ingang van 13 juni 2009 voor de duur van vier weken en de beslissing voor het overige aangehouden.

3.3

Bij beschikking van 24 juni 2009 heeft de kinderrechter [minderjarige] onder toezicht gesteld van de stichting voor de duur van negen maanden, ingaande 13 september 2009 en, overeenkomstig het gewijzigde verzoek van de raad, machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] verleend in een voorziening voor pleegzorg, overeenkomstig het indicatiebesluit van 12 juni 2009, met ingang van 11 juli 2009 tot uiterlijk 13 juni 2010. De ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [minderjarige] zijn laatstelijk bij beschikking van de kinderrechter van de rechtbank Arnhem van 12 juni 2012 verlengd tot 13 juni 2013.

3.4

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank, op verzoek van de raad, de ouders ontheven van het gezag over [minderjarige] en de Stichting Bureau Jeugdzorg Gelderland tot voogdes over [minderjarige] benoemd, die de uitvoering heeft opgedragen aan de stichting, en het meer of anders verzochte afgewezen.

3.5

[minderjarige] verblijft sinds 18 juni 2009 in het perspectiefbiedende gezin van de pleegouders.

4 De motivering van de beslissing

4.1

De moeder is ter mondelinge behandeling op 16 juli 2013 verschenen zonder haar (toenmalige) advocaat. Blijkens het journaalbericht van mr. Simo van 16 juli 2013 heeft de moeder haar gemeld de avond voorafgaand aan de zitting dat zij niet wenst dat zij (mr. Simo) ter zitting zal verschijnen. De moeder heeft ter zitting verklaard dat zij geen vertrouwen meer heeft in mr. Simo en dat zij niet meer haar advocaat is. De voorzitter heeft de moeder tijdens deze eerste mondelinge behandeling aangeraden snel, het liefst binnen een week, een nieuwe advocaat te zoeken, waarna het hof de behandeling van de zaak heeft aangehouden en een mondelinge behandeling heeft bepaald op 20 september 2013. Ter mondelinge behandeling van 20 september 2013 is de moeder opnieuw zonder advocaat verschenen. De moeder heeft verklaard dat zij wegens de vakantie niet zo snel een nieuwe advocaat heeft kunnen vinden. Vervolgens heeft zij zich akkoord verklaard met de behandeling van de zaak. Aan het eind van de mondelinge behandeling heeft de moeder alsnog bezwaar gemaakt tegen de behandeling van de zaak buiten aanwezigheid van een advocaat aan haar zijde. Omdat de moeder voldoende gelegenheid en tijd heeft gehad zich van bijstand door een advocaat ter zitting te voorzien maar dat heeft nagelaten, heeft het hof geen aanleiding gezien de behandeling van de zaak nogmaals aan te houden.

4.2

Op grond van artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter, mits het belang van de kinderen zich daar niet tegen verzet, een ouder van het gezag over een of meer van zijn kinderen ontheffen, op grond dat hij ongeschikt of onmachtig is zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen.

4.3

Ingevolge artikel 1:268 lid 1 BW kan ontheffing niet worden uitgesproken, indien de ouder zich daartegen verzet. Deze regel lijdt ingevolge artikel 1:268 lid 2 onder a BW uitzondering indien na een ondertoezichtstelling van ten minste zes maanden blijkt, of na een uithuisplaatsing van meer dan een jaar en zes maanden gegronde vrees bestaat, dat deze maatregel - door de ongeschiktheid of onmacht van een ouder om zijn plicht tot verzorging en opvoeding te vervullen- onvoldoende is om de dreiging dat de minderjarige zodanig opgroeit, dat zijn zedelijke of geestelijke belangen of zijn gezondheid ernstig worden bedreigd, en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen, af te wenden.

4.4

Gelet op het bepaalde in artikel 3 en 20 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) overweegt het hof dat bij het nemen van een beslissing tot ontheffing van het gezag van de ouders de belangen van het kind voorop staan. Het kind dat niet verblijft in het eigen gezin heeft recht op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie en duidelijkheid over zijn opvoedingsperspectief.

4.5

De moeder kan zich niet met de bestreden beschikking verenigen. Zij stelt dat zij niet onmachtig is om [minderjarige] te verzorgen en op te voeden, dat zij over voldoende pedagogische capaciteiten beschikt en dat zij voldoende leerbaar is. Volgens haar is een en ander niet door de raad of een deskundige onderzocht. De moeder acht zich in staat te voldoen aan de behoeften van [minderjarige]; volgens haar zijn de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing daartoe voldoende maatregelen. Voorts is de moeder van mening dat, als [minderjarige] niet bij haar kan wonen, zij het beste bij de grootouders moederszijde kan wonen, nu uit het netwerkonderzoek gebleken dat een begeleidingstraject kon worden ingezet om de grootouders als netwerkpleeggezin aan te wijzen.

4.6

Het hof ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of de moeder ongeschikt of onmachtig is haar plicht tot verzorging en opvoeding van [minderjarige] te vervullen. Het hof beantwoordt deze vraag op grond van de thans voorhanden zijnde informatie en hetgeen besproken is ter zitting evenals de rechtbank bevestigend. Gedurende de periode van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing is genoegzaam gebleken dat de moeder over onvoldoende pedagogische capaciteiten beschikt om [minderjarige] te kunnen verzorgen en op te voeden. De moeder heeft een cognitieve beperking, waardoor zij afhankelijk is van begeleiding en ondersteuning van grootouders moederszijde. Voorts stelt de moeder zich onvoldoende open voor samenwerking met professionele hulpverlening en de stichting en gaat zij - samen met grootmoeder moederszijde - telkens de strijd aan. Daarbij heeft zij gedurende de contactmomenten met [minderjarige] steeds sturing en begeleiding nodig; de moeder is hierin onvoldoende leerbaar gebleken. Perspectief op terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder is er niet.

4.7

Gebleken is dat een (netwerk)onderzoek heeft plaatsgevonden, waarna is besloten geen begeleidingstraject te starten waarbij [minderjarige] meer contacten met grootmoeder moederszijde zou hebben (om na evaluatie te bezien of [minderjarige] met ondersteuning bij de grootouders moederszijde zou kunnen worden geplaatst). Aannemelijk is dat er, zoals de stichting aanvoert, een (te) groot risico bestaat dat [minderjarige] getraumatiseerd raakt, indien haar veilig gehechte relatie met de pleegouders wordt verbroken. [minderjarige] krijgt in het pleeggezin, waar zij sinds haar geboorte - nu ruim vier jaar - verblijft, de begeleiding en hulp die zij nodig heeft en haar ontwikkeling wordt daar optimaal gewaarborgd.

4.8

Namens de moeder is nog aangevoerd dat zij ingevolge artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel (het hof begrijpt:) 20 IVRK recht heeft op de minst bezwarende inperking van haar ouderschapsrechten. Het hof overweegt daaromtrent dat de regeling in artikelen 1:266 en 1:268 lid 2 onder a BW een gerechtvaardigde inmenging vormt in het ‘family life’ in de zin van artikel 8 lid 2 EVRM. Ontheffing is eveneens gerechtvaardigd bezien in het licht van de artikelen 3 en 20 IVRK, nu [minderjarige] recht heeft op zekerheid, continuïteit en ongestoorde hechting in de alternatieve leefsituatie. Voorts heeft zij recht op duidelijkheid over haar opvoedingsperspectief.

De moeder heeft geen, althans onvoldoende, invulling kunnen geven aan het ouderlijk gezag over [minderjarige] en heeft niet aangetoond hoe zij daartoe (op termijn) in staat zal zijn. Daarbij komt dat de moeder - ook tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep - geen blijk heeft gegeven van een duurzame bereidheid om [minderjarige] in het pleeggezin waar zij verblijft te laten opgroeien. Zij stelt weliswaar dat de maatregel van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing voldoende is om te kunnen voldoen aan de behoeften van [minderjarige], maar evenzeer geeft zij te kennen dat zij zich zal blijven verzetten tegen plaatsing van [minderjarige] in het gezin van de pleegouders. Deze houding zal bij wederkerende verlenging van de termijnen van ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing onrust en verwarring voor [minderjarige] kunnen opleveren.

4.9

Op grond van het vorenstaande is naar het oordeel van het hof een ontheffing van het gezag van de moeder over [minderjarige] noodzakelijk, omdat de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing van [minderjarige] onvoldoende zijn om de dreiging af te wenden dat zij zodanig opgroeit dat haar zedelijke of geestelijke belangen of haar gezondheid ernstig worden bedreigd en andere middelen ter afwending van deze bedreiging hebben gefaald of, naar is te voorzien, zullen falen.

5 De slotsom

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking te bekrachtigen.

6 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Nederland, zittingsplaats Arnhem, van 11 januari 2013;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.H. Schulten, R. Prakke-Nieuwenhuizen en J.W.P. Verheugt, bijgestaan door mr. Th.H.M. Lueb als griffier, en is op 31 oktober 2013 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.