Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:8231

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-10-2013
Datum publicatie
11-11-2013
Zaaknummer
CR 200.132.572-01 31-10-2013
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging gesloten jeugdzorg

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.132.572

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland C/16/343290/JE RK 13-1204)

beschikking van de familiekamer van 31 oktober 2013

inzake

[appellant],

verblijvend in de gesloten jeugdzorgvoorziening [plaats],

appellant in hoger beroep,

verder te noemen: [appellant],

advocaat mr. Th.P.M. Moons, kantoorhoudend te Amersfoort,

tegen

Stichting Bureau Jeugdzorg Utrecht,

kantoorhoudend te Utrecht,

geïntimeerde in hoger beroep,

verder te noemen: BJZ.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, van 31 juli 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 28 augustus 2013, is [appellant] in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. [appellant] verzoekt het hof -uitvoerbaar bij voorraad- die beschikking te vernietigen en het inleidend verzoek alsnog af te wijzen, althans in duur te beperken.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 12 september 2013, heeft BJZ het verzoek in hoger beroep bestreden.

2.3

Ter griffie van het hof is binnengekomen:

- op 3 oktober 2013 een bericht van de Raad voor de Kinderbescherming;

- een brief van 15 oktober 2013 met bijlage (het proces-verbaal van de zitting van de rechtbank Midden-Nederland van 2 mei 2013) van mr. Moons.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 25 oktober 2013 plaatsgevonden. Verschenen zijn: [appellant], bijgestaan door zijn advocaat. Namens BJZ is de heer P. Craemers verschenen. De ouders van [appellant] zijn, alhoewel behoorlijk opgeroepen, zonder kennisgeving daarvan niet verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

[appellant] staat sedert 24 maart 2005 onder toezicht van BJZ, laatstelijk verlengd tot 24 maart 2014. Met ingang van 2 mei 2013 is een machtiging tot gesloten jeugdzorg verleend voor de duur van drie maanden. Het verzoek tot het verlenen van een machtiging voor langere duur is aangehouden.

3.2

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de kinderrechter alsnog beslist op dit verzoek en de machtiging verleend tot 2 november 2013.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Een machtiging kan ingevolge artikel 29b lid 3 WJZ worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter de jeugdige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren en die maken dat de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de zorg die hij nodig heeft zal onttrekken of daaraan door anderen zal worden onttrokken. Op verzoek van een van de instanties, genoemd in artikel 29d lid 1 WJZ, kan de kinderrechter de duur verlengen.

4.2

[appellant] kan zich niet verenigen met de bestreden beschikking omdat er voorbij is gegaan aan de ontwikkeling die hij voor en tijdens zijn plaatsing heeft doorgemaakt. Hij voert aan dat hij in de thuissituatie verder kan werken aan de problemen waar hij nog mee kampt, en voorts dat hij meer inzicht in zichzelf en zijn omgeving heeft gekregen en dat er geen gevaar is dat hij zich zal onttrekken aan zorg. Hij heeft zich een beeld van de toekomst gevormd en wil daarin investeren door een passende opleiding te volgen met aansluitend beroepsonderwijs.

4.3

BJZ is van mening dat een voortzetting van de gesloten plaatsing noodzakelijk is.

4.4

Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen is het hof van oordeel dat, anders dan de [appellant] heeft aangevoerd, de gronden voor opneming en verblijf in een accommodatie voor gesloten jeugdzorg ook thans nog aanwezig zijn. Het hof volgt de rechtbank in haar oordeel dat bij het uitblijven van de verzochte verlening de ontwikkeling naar volwassenheid van [appellant] ernstig zal worden belemmerd en dat hij zich zal onttrekken aan de zorg die hij nodig heeft of daaraan zal worden onttrokken door anderen.

4.5

Gebleken is dat [appellant] onveranderd zeer zorgelijk gedrag blijft vertonen, weinig zelfinzicht heeft en het hem ontbeert aan een realistisch toekomstbeeld. Inmiddels heeft [appellant] zich diverse malen onttrokken aan het pedagogisch gezag en aan hulpverleningsvormen. Hij is meerdere malen weggelopen van huis en voor langere periodes weggebleven. Daarbij is hij dit voorjaar opgepakt door de politie en wordt hij verdacht van strafbare feiten als beroving, diefstal en heling in vereniging. De huidige plaatsing bij [plaats] is opgenomen als schorsende voorwaarde van zijn voorlopige hechtenis. Het behandelprogramma voor [appellant] binnen [plaats] is afgestemd op zijn persoon (rekening houdend met zijn licht verstandelijke beperking), maar de stappen die hij zet verlopen relatief gezien zeer traag. BJZ heeft bovendien aangegeven dat er binnen [plaats] dagelijks incidenten met [appellant] plaatsvinden. Hij laat grensoverschrijdend gedrag zien, is zelfbepalend en moeilijk aanstuurbaar. De thuissituatie, waarin geen hulpverlening wordt geaccepteerd en [appellant] teveel ruimte krijgt, helpt hierbij overigens ook niet mee. Het hof deelt de visie van BJZ dat het niet meer gaat om 'kattenkwaad uithalen' bij [appellant], maar dat er sprake is van herhaaldelijke ernstige (en strafbare) feiten. Het is des te zorgelijker dat het hof, op basis van de antwoorden van [appellant] ter zitting, sterk de indruk heeft dat het wel eigen keuzes zijn (geweest) van [appellant] in plaats van dat hij zich heeft laten beïnvloeden door anderen. Voor het hof staat vast dat aan [appellant] keer op keer kansen zijn geboden om positief gedrag te laten zien, maar dat hij deze vele kansen steeds opnieuw en ook nog recent heeft verbruid. [appellant] heeft het hof er dan ook geenszins van kunnen overtuigen dat hij een zodanige positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt dat een gesloten uithuisplaatsing niet langer noodzakelijk zou zijn. Het hof merkt daarbij op dat ook nog zeer recent [appellant] niet is teruggekeerd van verlof en onveranderd sprake is van (ernstige) incidenten bij [plaats].

4.6

Uit het voorgaande volgt dat het hof het van groot belang acht dat [appellant] de behandeling die bij [plaats] is gestart afmaakt. Eerst wanneer [appellant] voldoende gewerkt heeft aan zijn doelen en er beter dan thans het geval is, een gedragsverandering is te zien, zal overwogen kunnen worden de plaatsing in een gesloten setting te beëindigen. Het hof zal de beschikking dan ook bekrachtigen en het verzoek om een beperking in de duur van de gesloten plaatsing afwijzen.

5 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de bestreden beschikking;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. van der Meer, M.P. den Hollander en H. van Lokven-van der Meer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 31 oktober 2013 in bijzijn van de griffier.