Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:8172

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
31-10-2013
Datum publicatie
15-11-2013
Zaaknummer
13/00245 en 246
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBONE:2013:BY9439, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting.

Inkomsten uit hennepkwekerij. Vereiste aangifte. Omkering bewijslast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/2537
V-N 2014/10.21.6
FutD 2013-2812
NTFR 2014/543 met annotatie van mr. J.M. Sitsen
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummers 13/00245 en 13/00246

uitspraakdatum: 29 oktober 2013

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van 29 januari 2013, nummers AWB 12/4205 en AWB 12/4206, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/[P] (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is voor het jaar 2009 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 33.928. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 711.

1.2

Aan belanghebbende is voor het jaar 2009 een aanslag in de inkomensafhankelijke bijdrage Zorgverzekeringswet (hierna: ZVW) opgelegd naar een bijdrage-inkomen van € 33.360. Aan heffingsrente is daarbij een bedrag berekend van € 119.

1.3

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur op de voet van artikel 7:1a van de Algemene wet bestuursrecht het bezwaarschrift (als beroepschrift) doorgestuurd naar de rechtbank Arnhem (later rechtbank Oost-Nederland; hierna de Rechtbank). De Rechtbank heeft de beroepen bij uitspraak van 29 januari 2013 ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoort, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft.

1.6

De Inspecteur heeft een nader stuk ingediend, ingekomen bij het Hof op 19 september 2013.

1.7

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 1 oktober 2013 te Arnhem. Daarbij is verschenen en gehoord belanghebbende, tot bijstand vergezeld van [A]. Namens de Inspecteur zijn verschenen [B] en [C].

1.8

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende is geboren op 11 januari 1971. Belanghebbende stond van 5 juli 2004 tot 2 februari 2010 in de gemeentelijke basisadministratie ingeschreven op het adres [A-straat 1] te [Z].

2.2

Op het adres [A-straat 1] te [Z] is op 18 april 2009 door de politie [Z] een hennepkwekerij aangetroffen. Volgens het proces-verbaal, ambtelijk verslag, van 18 juni 2009 bestond de kwekerij uit drie ruimten met respectievelijk 405, 420 en 210 (in totaal 1.035) hennepplanten. In het proces-verbaal van verhoor van belanghebbende als verdachte van 20 april 2009 is onder meer het volgende opgenomen:

“V:= Vraag verbalisant      A:= Antwoord verdachte

(…)

V: Wanneer is de hennepkwekerij aangelegd/in gebruik genomen?

A: Dat is geweest in november/december 2008 en in gebruik genomen in januari 2009. Dat wil zeggen eerst de twee grote slaapkamers en later is de 3e slaapkamer erbij betrokken. Van de eerste twee slaapkamers is er op week 5/6 van dit jaar een oogst geweest. Deze was niet best. Ik heb hier 3000,-- euro voor gebeurd.

(…)

V: Wie is eigenaar van die hennepplantage?

A: Ik ben de eigenaar van de plantage.

V: Wie heeft de plantage ingericht?

A: Ik heb met behulp de plantage ingericht (…).

(…)

V: Wanneer zijn deze plantjes gekocht?

A: Dat is eind december 2008 geweest.

V: Wie heeft de plantjes gekocht?

A: Ik heb de planten gekocht.

(…)

V: Wat werd voor de plantjes betaald?

A: Ik betaalde 2.50 per stuk. De eerste keer heb ik er 820 kocht en de tweede keer ongeveer 1050.

V: Wie betaalde dat?

A: Ik betaalde dat zelf.

V: Hoe vaak heb jij daar plantjes gekocht.

A: ik heb 2 keer planten gekocht op deze wijze.

(...)

V: Hoeveel tijd per dag besteedde u aan de verzorging van deze planten?

A: Alles werd geregeld door een bevloeiingsapparaat in de douche.

(…)

V: Wie heeft de materialen voor de plantage gekocht?

A: Ik neem hiervoor de volle verantwoording. Ik heb dat gedaan.

(...)

V: Wat kostte het materiaal in totaal?

A: De kosten waren ongeveer 15.000 tot 16.000 euro. Dit geld heb ik gekregen (…).

(...)

V: Wat waren de totale kosten voor de planten?

A: Dat was een bedrag van 4500,-- euro.

(…)

V: Hoeveel plantjes stonden er in de plantage?

A: Er stonden ongeveer 1050 planten in de plantage.

V: Hoe oud waren de plantjes die werden aangetroffen?

A: De planten zouden deze week de 4e week ingaan.

V: Hoe lang zou het nog duren voordat ze werden geoogst?

A: Dat zou nog ongeveer 5 weken duren.

V: Hoeveel opbrengst werd er verwacht?

A: Dat weet ik niet, omdat de eerste keer ook erg tegenviel.

(...)

OPBRENGST

V: Hoe vaak is er tot nu toe geoogst?

A: Ik heb eenmaal eerder geoogst (…).

(…)

V: Voor wie was de opbrengst bestemd?

A: Dat was voor mijzelf.

(…)

V: Hoeveel geld zou jij voor de opbrengst krijgen?

A: De opbrengst zou voor mijzelf zijn.

STROOMVOORZIENING

(…)

V: Waar werd de stroom afgetapt?

A: Deze werd afgetapt vanuit de meterkast in de gang.

(…)

V: Hoeveel natriumlampen hingen er in de kwekerij?

A: In totaal hingen er 56 lampen over de gehele hennepkwekerij verdeeld.

V: Hoe werd geregeld dat de lampen aan en uit gingen?

A: Met tijdschakelaars.

(...)

V: Wie is de contractant van Eneco?

A: Ik ben zelf de contractant van Eneco.

(…)

PAND

(…)

V: Wie wonen er nog meer in het pand?

A: Ik woon alleen in deze woning.

V: Van wie wordt het pand gehuurd?

A: Van de WPM- groep.

V: Door wie wordt het pand gehuurd?

A: Deze wordt door mij gehuurd.

(…)

V: Door wie wordt de huur betaald?

A: Deze wordt door mij betaald.

(…)

SOCIALE OMSTANDIGHEDEN

V: Wat is jouw netto inkomen per maand?

A: Ik heb helemaal geen inkomsten en wil zelf geen uitkering hebben. Ik vind dat ik daar geen recht op heb”

2.3

Met dagtekening 22 juni 2009 is een proces-verbaal wederrechtelijk verkregen voordeel opgemaakt. In dit proces-verbaal is als uitgangspunt geformuleerd dat, indien gegevens omtrent de werkelijke opbrengsten en/of kosten ontbreken, de normen worden gehanteerd zoals weergegeven in het rapport “Standaardberekening wederrechtelijk verkregen voordeel bij hennepkwekerijen”, opgesteld op 14 april 2005 door het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie (hierna: BOOM). De bruto-opbrengst is berekend op € 33.360,12 (1.035 hennepplanten x 13,6 gram x € 2,37). De netto-opbrengst is rekening houdend met de afschrijving op de kweekinstallatie (€ 500), de inkoopprijs van de stekjes (€ 1,94 per hennepplant) en de kosten van bodem, water en voeding (€ 2,45 per hennepplant) berekend op € 28.316,47.

2.4

Tot de stukken van het geding behoort een standaardberekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij bij binnenteelt onder kunstlicht van BOOM, opgemaakt op 14 april 2005. In het rapport is een tabel opgenomen met daarin vermeld het aantal hennepplanten per vierkante meter, oplopend van 1 per m2 tot 40 per m2 met daarbij de opbrengst (gram) per hennepplant. Volgens die tabel bedraagt de opbrengst per hennepplant bij één hennepplant per m2 34,3 gram, bij 15 hennepplanten per m2 28,2 gram en bij 40 hennepplanten per m2 14,2 gram. Volgens het rapport wordt als het aantal hennepplanten per m2 niet bekend is, uitgegaan van 15 hennepplanten per m2, de mediaan uit het verrichte onderzoek, en de daarbij behorende opbrengst van 28,2 gram per hennepplant. In het rapport staat onder meer ook vermeld dat de kweekcyclus 10 weken is en de opbrengst van hennep € 2.370 per kilo bedraagt.

2.5

Belanghebbende is door de Inspecteur op 27 februari 2010 uitgenodigd om vóór 1 april 2010 aangifte IB/PVV te doen voor het jaar 2009.

2.6

Belanghebbende is bij uitspraak van 20 april 2010 door de politierechter (rechtbank Utrecht) veroordeeld voor opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet, gegeven verbod en diefstal waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking – in de periode 1 januari 2009 tot en met 18 april 2009 – tot een werkstraf voor de duur van 200 uur, subsidiair 100 dagen hechtenis. Belanghebbende is tevens op 20 april 2010 door de politierechter (rechtbank Utrecht) veroordeeld tot het terugbetalen van wederrechtelijk verkregen voordeel ten bedrage van € 7.000, subsidiair 70 dagen hechtenis. Belanghebbende heeft tegen die uitspraken geen hoger beroep ingesteld.

2.7

Met dagtekening 24 november 2010 heeft de Inspecteur aan belanghebbende voor het jaar 2008 aanslagen IB/PVV en ZVW opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 75.000 en naar een bijdrage-inkomen van € 31.231. Daarin zijn inkomsten uit de hennepkwekerij betrokken. Rechtbank Haarlem heeft bij uitspraak van 22 maart 2012, nummers AWB 11/3115 en AWB 11/3116, het beroep gegrond verklaard omdat de Inspecteur niet was geslaagd in het bewijs dat belanghebbende in 2008 een bron van inkomen had. De Inspecteur heeft tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof Amsterdam heeft in zijn uitspraak van 15 augustus 2013, nummers 12/00342 en 12/00343, de uitspraak van de rechtbank Haarlem vernietigd, het beroep tegen de aanslag IB/PVV 2008 ongegrond verklaard en het beroep tegen de aanslag ZVW 2008 gegrond verklaard omdat bij het vaststellen van de aanslag geen rekening is gehouden met de op belanghebbendes loon ingehouden bijdrage ZVW.

2.8

Belanghebbende heeft op 23 januari 2012 aangifte IB/PVV voor het jaar 2009 gedaan naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 568. Het bedrag van € 568 heeft betrekking op loon van [Q] BV, waarop € 60 aan loonheffing is ingehouden. De Inspecteur heeft in verband met inkomsten uit de hennepkwekerij het aangegeven inkomen uit werk en woning verhoogd met € 33.360 ter zake van resultaat uit overige werkzaamheden, tot € 33.928. De Inspecteur heeft zich gebaseerd op het proces-verbaal wederrechtelijk verkregen voordeel (zie 2.3), waarbij de afschrijving/kosten op grond van artikel 3.14, lid 1, letter d, van de Wet IB 2001, niet aftrekbaar zijn. De aanslagen IB/PVV 2009 en ZVW 2009 zijn gedagtekend 20 juni 2012.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de Inspecteur de aanslagen IB/PVV en ZVW 2009 terecht heeft opgelegd. Meer specifiek spitst het geschil zich toe op de vraag of de Inspecteur terecht rekening heeft gehouden met inkomsten uit de hennepkwekerij. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en de Inspecteur beantwoordt deze bevestigend.

3.2

Beide partijen hebben voor hun standpunt voorts aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.3

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot vermindering van de aanslag IB/PVV 2009 naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 568 en vernietiging van de aanslag ZVW 2009.

3.4

De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

De Rechtbank heeft geoordeeld dat aannemelijk is dat belanghebbende in 2009 inkomsten heeft behaald met de hennepkwekerij, dat door de Inspecteur aannemelijk is gemaakt dat de bruto-opbrengst van de oogst ten minste € 33.360 bedroeg, dat belanghebbende niet de vereiste aangifte als bedoeld in artikel 27e, aanhef en letter a, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, heeft gedaan, dat de aanslagen niet naar willekeur zijn vastgesteld en dat belanghebbende niet overtuigend heeft aangetoond dat de aanslagen tot een te hoog bedrag zijn vastgesteld (vgl. HR 31 mei 2013, nr. 11/03452, ECLI:NL:HR:2013:BX7184, BNB 2013/181).

4.2

Naar het oordeel van het Hof heeft de Rechtbank op goede gronden de juiste beslissingen genomen en maakt het Hof die tot de zijne. Hetgeen belanghebbende in hoger beroep heeft aangevoerd, werpt geen nieuw of ander licht op de zaak. Hierbij merkt het Hof nog op dat het bepaalde in artikel 3.14, lid 4, letter a, van de Wet IB 2001, inhoudt dat een als wederrechtelijk verkregen voordeel ontnomen bedrag niet eerder ten laste van het inkomen uit werk en woning kan worden gebracht dan op het tijdstip van voldoening (vgl. HR 23 september 2011, nr. 11/00473, ECLI:NL:HR:2011:BT2299, BNB 2011/288). Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof verklaard dat hij pas in 2011 is begonnen met terugbetalen van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

4.3

Het hoger beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Het hoger beroep is ook in zoverre ongegrond.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Proceskosten

Voor het veroordelen van de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende bestaat geen aanleiding.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. B.F.A. van Huijgevoort, voorzitter, mr. J. van de Merwe en mr. R.A.V. Boxem, in tegenwoordigheid van mr. A. Klein als griffier.

De beslissing is op 29 oktober 2013 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(A. Klein)

(B.F.A. van Huijgevoort)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 31 oktober 2013

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.