Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:8146

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
29-10-2013
Datum publicatie
12-12-2013
Zaaknummer
200.093.523
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

7:337; 6:78 BW

Pacht voor de teelt van bloembollen. Schade aan het gewas doordat water op de grond is blijven staan. Gebrekkige drainage de oorzaak? Gebrek in de zin van art. 7:337 BW? Overmacht? Schadevergoeding voor het prijsverschil?

Art. 7:337 lid 2 BW omschrijft een gebrek van de verpachte zaak als een staat of eigenschap van die zaak of een andere niet aan de pachter toe te rekenen omstandigheid, waardoor de zaak aan de pachter niet het genot kan verschaffen dat een pachter bij het aangaan van de overeenkomst mag verwachten van een goed onderhouden zaak van de soort als waarop de overeenkomst betrekking heeft. Aldus gaat het erom welk genot van de pachtgrond pachter op grond van de overeenkomst bij het aangaan ervan redelijkerwijs mocht verwachten (vergelijk MvT, Kamerstukken II 30 448, nr. 3, p. 19).

Op zichzelf betekent de omstandigheid dat land voor de teelt van bloembollen is verpacht nog niet dat de verpachter zonder meer aansprakelijk is indien de pachtgrond voor die teelt niet geschikt blijkt. Het is immers bij uitstek de bloembollenteler die de deskundigheid bezit om te kunnen beoordelen of de aan hem aangeboden grond voor de door hem voorgenomen teelt geschikt is. Op de bloembollenteler rust dus een onderzoeksplicht. Die onderzoeksplicht gaat echter niet zo ver dat de teler niet zou mogen afgaan op door de verpachter gedane mededelingen, althans voor zover die mededelingen stellig, concreet en zonder voorbehoud zijn gedaan.

Indien de verpachter te goeder trouw was, levert dat overmacht op. In dat geval is hij op de voet van art. 6:78 BW mogelijk toch gedeeltelijk tot schadevergoeding verplicht.

Volgt bewijslevering over de oorzaak van de schade en over de overmachtsvraag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.093.523

(zaaknummer rechtbank Alkmaar, locatie Hoorn, 358157)

arrest van de pachtkamer van 29 oktober 2013

inzake

de vennootschap onder firma [appellante],

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

hierna: [appellant] (in mannelijk enkelvoud),

advocaat: mr. J.A. van den Berg,

tegen:

1 de maatschap naar burgerlijk recht [geïntimeerde sub 1],

gevestigd te [vestigingsplaats],

en haar vennoten:

2. [geïntimeerde sub 2],

wonende te [woonplaats],

3. [geïntimeerde sub 3],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

hierna: [geïntimeerde] (in mannelijk enkelvoud),

advocaat: mr. K. Aantjes.

1 Het verloop van het geding

1.1

Voor het verloop van het geding tot aan het arrest van 18 oktober 2011 verwijst het hof naar dat arrest.

1.2

Het vervolg van de procedure blijkt uit:

■ het proces-verbaal van comparitie van partijen;

■ de memorie van grieven;

■ de memorie van antwoord;

■ de akte van [appellant];

■ de pleidooien overeenkomstig de pleitnotities van de advocaten van partijen.

1.3

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald.

2 De vaststaande feiten

2.1

Tussen partijen staan in hoger beroep als enerzijds gesteld en anderzijds erkend dan wel niet of onvoldoende weersproken en op grond van de in zoverre niet bestreden inhoud van overgelegde producties, de navolgende feiten vast.

2.2

In het najaar van 2009 heeft [geïntimeerde] bij mondelinge overeenkomst aan [appellant] voor de duur van één jaar verpacht een perceel grasland van circa 3 hectare, gelegen aan de […] (hierna: de pachtgrond), voor de prijs van € 4,50 per Rijnlandse Roede. [appellant] heeft op de pachtgrond twee cultivars tulpen geplant.

2.3

In maart 2010 bleek een deel van de geteelde tulpenbollen beschadigd doordat er water op de pachtgrond was blijven staan. In opdracht van [appellant] heeft S. Veldboer, agrarisch registertaxateur sierteeltgewassen, op 19 juni 2010 de schade vastgesteld. Veldboer vermeldt als schadeoorzaak:

‘In een perceel tulpen van [appellant] is pleksgewijs ernstige waterschade ontstaan. [appellant] heeft het perceel gehuurd van [geïntimeerde].

De waterschade is in de wintermaanden ontstaan door een lokaal gebrekkige afwatering van het perceel. De structuur van de grond, met name onder de teelaardelaag is zodanig dat het water niet via de drainage is afgevoerd.’

Veldboer heeft het schadebedrag berekend op € 21.625,— exclusief BTW. Veldboer vermeldt in zijn schadevaststelling dat de schade is opgenomen samen met een expert die optrad namens de aansprakelijkheidsverzekeraar van [geïntimeerde], K. Stoop, en ook dat er met deze expert overeenstemming is over de hoogte van het schadebedrag.

2.4

Vervolgens heeft [appellant] nog een andere deskundige ingeschakeld, J. van Berkum van Aequator Groen & Ruimte B.V. De conclusie van diens rapportage van 25 juni 2010 vermeldt onder meer:

‘De wateroverlast is veroorzaakt doordat de drains langere tijd onder het waterpeil hebben gelegen en te weinig af konden voeren. Het bodemprofiel heeft zich volgezogen en kon de sneeuw en natte dooi in de winter van 2010 niet verwerken of afvoeren. De bodem raakte verzadigd, waardoor de tulpen zijn verzopen.’

2.5

Eveneens in opdracht van [appellant] heeft M. Kok van DLV Plant op 13 september 2011 gerapporteerd over de weersomstandigheden in de periode september 2009 tot en met april 2010 in de regio […]. Volgens de conclusie van deze rapportage viel er in de bedoelde periode een gemiddelde hoeveelheid neerslag, zonder extremen, was er veel sneeuw in december en januari, was er geen of nauwelijks vorst in de bodem en zijn geen gevallen bekend van waterschade. De conclusie besluit als volgt:

‘Op een perceel met normale structuur en normaal functionerende drainage is de kans zeer klein dat er waterschade zou kunnen optreden in de betreffende regio en het teeltseizoen.’

2.6

De advocaat van [appellant] heeft met Veldboer per e-mail over zijn conclusies gecorrespondeerd. Een e-mail van Veldboer van 25 maart 2013 houdt het volgende in:

‘Dhr. [appellant] heeft gelijk, ik heb geen grond- of bodemonderzoek gedaan en mijn conclusies gebaseerd op visuele inspectie van de grond.

De feiten op basis waarvan ik concludeerde dat de schade in het gewas uitsluitend het gevolg was van de structuur van het perceel waren de gewasgroei op de hogere, niet beschadigde plekken in het perceel[,] [d]e beworteling van de tulpen en het verstikkingspatroon in de schadegedeelten dat kenmerkend is voor structuurschade.

Als de schade een andere oorzaak zou hebben gehad zouden de schadesymptomen in het perceel anders zijn geweest.’

Een e-mail van Veldboer van 26 maart 2013 houdt in:

‘Drainage is bedoeld om het grondwaterpeil te stabiliseren op een gewenste hoogte. Als drainage niet optimaal functioneert wordt het teveel aan grondwater onvoldoende afgevoerd en zal het peil stijgen. Dan loopt het land vol.

Het aangetroffen schadebeeld kan het gevolg zijn van onvoldoende afvoeren van water.’

3 De motivering van de beslissing in hoger beroep

3.1

In deze zaak vordert [appellant] blijkens de memorie van grieven veroordeling van [geïntimeerde] tot vergoeding van de door hem geleden schade ad € 21.625,—, te vermeerderen met de wettelijke (handels)rente hierover tot aan de dag der algehele voldoening, alsmede tot vergoeding van de kosten van de door hem ingeschakelde experts ad € 1.781,91 en € 499,80. De pachtkamer in eerste aanleg heeft de vordering van [appellant] afgewezen op grond van, kort gezegd, zijn onderzoeksplicht. Tegen die beslissing richten zich de grieven. Het hof zal die grieven gezamenlijk bespreken.

3.2

Het tweede lid van artikel 7:337 Burgerlijk Wetboek omschrijft een gebrek van de verpachte zaak als een staat of eigenschap van die zaak of een andere niet aan de pachter toe te rekenen omstandigheid, waardoor de zaak aan de pachter niet het genot kan verschaffen dat een pachter bij het aangaan van de overeenkomst mag verwachten van een goed onderhouden zaak van de soort als waarop de overeenkomst betrekking heeft. Aldus gaat het erom welk genot van de pachtgrond [appellant] op grond van de overeenkomst bij het aangaan ervan redelijkerwijs mocht verwachten (vergelijk MvT, Kamerstukken II 30 448, nr. 3, p. 19).

3.3

[geïntimeerde] stelt zich op het standpunt dat hij de pachtgrond aan [appellant] niet als bollenland heeft aangeboden, maar als grasland. Tussen partijen staat echter vast dat [appellant] door [geïntimeerde] is benaderd en ook dat [geïntimeerde] wist dat [appellant] het perceel voor de teelt van bloembollen zou gaan gebruiken. [geïntimeerde] heeft bovendien niet gemotiveerd betwist de stelling van [appellant] (inleidende dagvaarding onder 12) dat de pachtprijs van ongeveer € 3.150,— per ha afgestemd was op het gebruik voor de bloembollenteelt. Het overeengekomen gebruik van de pachtgrond was dus dat als bloembollenland.

3.4

Op zichzelf betekent de omstandigheid dat land voor de teelt van bloembollen is verpacht nog niet dat de verpachter zonder meer aansprakelijk is indien de pachtgrond voor die teelt niet geschikt blijkt. Het is immers bij uitstek de bloembollenteler die de deskundigheid bezit om te kunnen beoordelen of de aan hem aangeboden grond voor de door hem voorgenomen teelt geschikt is. Op [appellant] rustte dus inderdaad een onderzoeksplicht. Die onderzoeksplicht gaat echter niet zo ver dat [appellant] niet zou mogen afgaan op door [geïntimeerde] gedane mededelingen, althans voor zover die mededelingen stellig, concreet en zonder voorbehoud zijn gedaan. Het hof verwijst in dit verband naar de bestendige rechtspraak van de Hoge Raad met betrekking tot dwaling (onder meer het arrest inzake […], HR 21 januari 1966, NJ 1966, 183).

3.5

Volgens [appellant] is het niet functioneren van de drainage (naar hij veronderstelt doordat in de loop der jaren de buitenmantels van de drainage verstopt zijn geraakt) de oorzaak van de waterschade. Tussen partijen staat vast dat tijdens de bezichtiging van de grond voorafgaand aan het sluiten van de pachtovereenkomst over de drainage is gesproken. Volgens [geïntimeerde] mankeerde er niets aan de drainage. Op sommige plekken waar dat mogelijk niet helemaal het geval was, zou hij extra drainage aanbrengen (wat hij vervolgens ook heeft gedaan). Gelet op deze stellige, concrete en zonder voorbehoud gedane mededelingen van [geïntimeerde], mocht [appellant], in het licht van de omstandigheid dat [geïntimeerde] hem had benaderd voor het pachten van bollenland, ervan uitgaat dat de drainage inderdaad in orde was en behoefde hij geen problemen met de afwatering van het perceel te verwachten, uiteraard afgezien van uitzonderlijke weersomstandigheden.

3.6

Het bewijs dat inderdaad het niet functioneren van de drainage de oorzaak van de schade is geweest, ligt voorshands in voldoende mate besloten in de rapportages van Van Berkum en Kok. De rapportage van Veldboer is met die rapportages niet in strijd, zeker niet gelet op de toelichting die Veldboer heeft gegeven in zijn e-mails van 25 en 26 maart 2013. [geïntimeerde] veronderstelt dat de wateroverlast is ontstaan doordat de toplaag van het land nog deels bevroren was op het moment dat de sneeuw die op het land lag, is gaan smelten. Gelet op met name de bevindingen van Kok ligt dat niet voor de hand. Niettemin zal het hof [geïntimeerde] toelaten tot tegenbewijs. [geïntimeerde] zal op de voet van het tweede lid van artikel 200 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering desgewenst een of meer deskundigen kunnen doen horen. Anders dan [geïntimeerde] bij gelegenheid van de pleitzitting heeft betoogd (pleitnota mr. J.L.J. van Apeldoorn onder 5), is de omstandigheid dat [appellant] de drainage heeft doorgespoten en dat deze schoon bleek te zijn, geen aanwijzing dat aan het drainagesysteem niets mankeerde. Dat zegt immers alleen iets over de staat van de binnenzijde van de drainagebuizen en niets over de staat van de buitenmantels.

3.7

[geïntimeerde] heeft in dit geding zich er een en andermaal op beroepen dat hij niet op de hoogte was van problemen met betrekking tot de drainage (onder meer conclusie van antwoord onder 11 en memorie van antwoord onder 10, 18, 19 en 24). In die stellingen ligt besloten dat [geïntimeerde] meent dat, voor zover de drainage niet naar behoren functioneerde, de tekortkoming niet aan hem kan worden toegerekend, omdat zij niet is te wijten is aan zijn schuld en ook niet voor zijn rekening komt. Klaarblijkelijk ook in verband met dit laatste beroept [geïntimeerde] zich op de onderzoeksplicht van [appellant] als bloembollenteler.

3.8

Ervan uitgaande dat [geïntimeerde] inderdaad te goeder trouw was, houdt het hof het standpunt van [geïntimeerde] op dit punt voor juist. Onwetendheid van de schuldenaar kan inderdaad overmacht opleveren (vergelijk HR 9 januari 1998, NJ 1998, 272 inzake […]). De tekortkoming komt in bedoeld geval ook niet naar verkeersopvattingen voor rekening van [geïntimeerde]; in beginsel behoort de schade tot het ondernemingsrisico van [appellant].

3.9

[appellant] heeft evenwel gemotiveerd betwist dat [geïntimeerde] te goeder trouw was en daarbij onder meer verwezen naar e-mailberichten van [X] en [Y] (productie 7 bij memorie van grieven). Tegenover deze gemotiveerde betwisting dient [geïntimeerde] de feitelijke grondslag van zijn beroep op overmacht te bewijzen, dus dat hij bij gelegenheid van het aangaan van de pachtovereenkomst geen aanleiding had om de goede werking van de drainage te betwijfelen.

3.10

Slaagt [geïntimeerde] in dit bewijs, dan is volgens artikel 6:78 Burgerlijk Wetboek [geïntimeerde] slechts in zoverre tot schadevergoeding verplicht, dat – voor zover hij in verband met de tekortkoming een voordeel geniet dat hij bij behoorlijke nakoming niet zou hebben gehad – [appellant] met toepassing van de regels betreffende ongerechtvaardigde verrijking recht heeft op vergoeding van zijn schade tot ten hoogste het bedrag van dit voordeel. Het ligt voor de hand dat [geïntimeerde] een voordeel heeft genoten doordat hij een hogere pachtprijs (afgestemd op de bloembollenteelt) heeft kunnen bedingen dan wanneer hij van het gebrek in de drainage op de hoogte zou zijn geweest. Partijen hebben zich over een en ander echter nog niet uitgelaten. Het hof nodigt hen uit dit bij gelegenheid van hun memories na enquête alsnog te doen.

3.11

Bij memorie van antwoord onder 14 heeft [geïntimeerde] alsnog de schadevaststelling door Veldboer betwist. Die betwisting is ten onrechte niet nader gemotiveerd. Zodanige motivering mocht van [geïntimeerde] worden verwacht omdat volgens de rapportage van Veldboer hij de schade heeft vastgesteld met instemming van de expert van de aansprakelijkheidsverzekeraar van [geïntimeerde]. Bovendien bedraagt ook volgens het rapport van ing. A.W.M. Pelders van 26 juni 2010 ten behoeve van de verzekeraar van [geïntimeerde] de schade € 21.265,—. [geïntimeerde] heeft dat rapport zelf bij conclusie van antwoord overgelegd (productie 3).

3.12

Voor zover de betwisting van [geïntimeerde] ziet op de kosten van de door [appellant] ingeschakelde experts, geldt dat [appellant] bij akte kopieën van facturen in het geding heeft gebracht, waarna [geïntimeerde] bij pleidooi op zijn betwisting niet meer is teruggekomen. Wel volgt uit de overgelegde facturen dat de gevorderde bedragen van € 1.781,91 en € 499,80 inclusief BTW zijn. Volgens de onbetwiste stellingen van [geïntimeerde] (conclusie van antwoord onder 7) kan [appellant] BTW verrekenen, zodat slechts de factuurbedragen exclusief BTW toewijsbaar kunnen zijn, dus € 397,40 (Veldboer), € 1.100,— (Aequator) en € 420,— (DLV).

3.13

De slotsom is dat [geïntimeerde] zal worden toegelaten tot het tegenbewijs als bedoeld onder 3.6 en het bewijs als bedoeld onder 3.9. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

laat [geïntimeerde] toe tot tegenbewijs tegenover het voorshands bewezen feit dat het niet functioneren van de drainage de oorzaak van de schade is geweest;

laat [geïntimeerde] toe tot het bewijs van de omstandigheid dat hij bij gelegenheid van het aangaan van de pachtovereenkomst geen aanleiding had om de goede werking van de drainage te betwijfelen;

bepaalt dat, indien [geïntimeerde] dat bewijs (ook) door middel van getuigen wenst te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. W.L. Valk en het deskundige lid ir. J.H. Jurrius, die daartoe zitting zullen houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op een nader door de raadsheer-commissaris vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat partijen bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn opdat hen naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;

bepaalt dat [geïntimeerde] het aantal voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven op de roldatum 12 november 2013 (twee weken na arrestdatum), waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat [geïntimeerde] overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor aan de wederpartij en de griffier van het hof dient op te geven;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. W.L. Valk, H.L. van der Beek en Th.C.M. Willemse en de deskundige leden mr. ing. H.J. Vinke en ir. J.H. Jurrius, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2013.