Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:8036

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-10-2013
Datum publicatie
21-11-2013
Zaaknummer
CR 200.125.424-01 22-10-2013
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Nieuwe partner onderhoudsplichtige kan niet in eigen levensonderhoud voorzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.125.424/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/18/137092/FA RK 12-2299)

beschikking van de familiekamer van 22 oktober 2013

inzake

[appellant],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. B. Jans, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats],

verder te noemen: de vrouw,

verweerster in hoger beroep,

advocaat: mr. O.J.C. Toxopeus, kantoorhoudend te Veendam.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 19 februari 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 17 april 2013;

- het verweerschrift, ingekomen op 5 juni 2013;
- een brief met bijlagen van mr. Jans van 30 augustus 2013.

2.1

De mondelinge behandeling heeft op 12 september 2013 plaatsgevonden. Partijen zijn daarbij in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De vaststaande feiten

3.1

Partijen zijn [in 1975] in de gemeente [gemeente] op huwelijkse voorwaarden met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk zijn geen thans nog minderjarige kinderen geboren.

3.2

Het huwelijk is [in 2010] geëindigd door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank Groningen van 16 maart 2010 in de registers van de burgerlijke stand.

3.3

Bij de echtscheidingsbeschikking is - overeenkomstig het tussen partijen gesloten convenant dat in de echtscheidingsbeschikking is opgenomen - bepaald dat de man vanaf de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand tot de dag van levering van de woning (waarbij de man de woonlasten draagt) een bedrag van € 520,- bruto per maand aan de vrouw dient te betalen als bijdrage in haar levensonderhoud, en na levering van de woning een bedrag van € 756,- bruto per maand.

3.4

De betreffende voormalige echtelijke woning van partijen is op 8 juli 2011 geleverd.

3.5

De man heeft (laatstelijk) op 29 oktober 2012 een verzoekschrift ingediend. Daarbij heeft de man verzocht om bij beschikking - voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad - de beschikking van de rechtbank Groningen van 16 maart 2010 in die zin te wijzigen, dat hij zo mogelijk met terugwerkende kracht vanaf de datum van indiening van het verzoekschrift als bijdrage in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw een bedrag dient te voldoen van maximaal € 237,- per maand, althans een zodanig bedrag als de rechtbank in goede justitie zal vermenen te behoren, kosten rechtens.

3.6

De vrouw heeft op 22 november 2012 een verweerschrift ingediend.

3.7

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de beschikking van 16 maart 2010 aldus gewijzigd dat de door de man aan de vrouw verschuldigde partneralimentatie met ingang van 29 oktober 2012 is bepaald op € 633,- bruto per maand. Hiertegen richt zich het hoger beroep van de man.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking die bijdrage met ingang van 29 oktober 2012 vastgesteld op € 633,- bruto per maand.

4.2

De man is met vijf grieven, die alle betrekking hebben op de draagkracht van de man, in hoger beroep gekomen van de bestreden beschikking. De man heeft in zijn beroepschrift verzocht om de partneralimentatie te bepalen op € 157,- (bruto) per maand. Dat bedrag is lager dan hetgeen de man in eerste aanleg heeft verzocht maar het staat de man vrij zijn verzoek in hoger beroep aan te passen zolang nog geen eindbeschikking is gegeven en de aanpassing niet in strijd is met de goede procesorde. Het bedrag van € 157,- per maand vormt de ondergrens van het geschil.

4.3

Nu de vrouw zich achter de bestreden beschikking heeft geschaard en geen incidenteel appel heeft ingesteld, wordt de bovengrens van het geschil bepaald door het bedrag van
€ 633,- bruto per maand dat de rechtbank in de bestreden beschikking heeft opgelegd.

5 De motivering van de beslissing



De wijzigingsgrond

5.1

De man heeft wijziging verzocht van de partneralimentatie zoals die is vastgesteld in de beschikking van de rechtbank van 16 maart 2010. Het hof stelt vast dat geen grief is gericht tegen de overwegingen van de rechtbank in eerste aanleg met betrekking tot de door de man aangevoerde wijzigingsgronden. Het hof zal er daarom met partijen vanuit gaan dat in ieder geval sprake is van een wijziging van omstandigheden bedoeld in het eerste lid van dat artikel, die een nieuwe beoordeling van de partneralimentatie rechtvaardigt.


De ingangsdatum en behoefte van de vrouw

5.2

Nu voorts geen grief is gericht tegen de door de rechtbank in de bestreden beschikking gekozen ingangsdatum van de (eventuele) wijziging, 29 oktober 2012, en overwegingen met betrekking tot de behoefte van de vrouw, zal het hof die aspecten hier onbesproken laten.


De draagkracht van de man

5.3

Het geschil tussen partijen in deze procedure spitst zich toe op de draagkracht van de man en wel met name op de positie van zijn huidige echtgenote in relatie tot zijn draagkracht. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking met betrekking tot de draagkracht van de man onder meer het volgende overwogen:

"de te hanteren bijstandsnorm en het draagkrachtpercentage

Onder verwijzing naar de beschikking van de rechtbank van 13 december 2011 en de door de vrouw overgelegde draagkrachtberekening van mr. Klatter die geleid heeft tot het door partijen - bij het door hen op 29 januari 2010 ondertekende echtscheidingsconvenant - overeengekomen bedrag aan partneralimentatie, ziet de rechtbank geen aanleiding om thans een andere bijstandsnorm en een ander draagkrachtpercentage te hanteren dan destijds is geschied. De rechtbank wijst er op dat de man ook toentertijd al samenwoonde met zijn huidige echtgenote. Door de man zijn geen nieuwe feiten en omstandigheden aangedragen op grond waarvan thans anders zou moeten worden geoordeeld. In aanmerking genomen de beschikking van 13 december 2011, is de rechtbank van oordeel dat de man (nog steeds) niet met bewijsstukken heeft aangetoond dat zijn echtgenote thans niet over enige vorm van inkomsten beschikt / kan beschikken, waarmee zij (deels) in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Gesteld noch gebleken is dat de echtgenote na het beëindigen van haar dienstverband haar verdiencapaciteit voldoende heeft ingezet en benut om een inkomen te genereren dat ten minste op het oude niveau ligt. Ook is niet gebleken dat de echtgenote die 51 jaar is, (fysieke en / of psychische) belemmeringen heeft om betaalde werkzaamheden te verrichten.

Wellicht ten overvloede overweegt de rechtbank nog dat, anders dan de man heeft aangevoerd, uit de wettelijke bepalingen inzake de verplichtingen van echtgenoten ex artikel 1: 81 BW e.v. niet kan worden afgeleid dat in het kader van een procedure als de onderhavige geen rekening mag worden gehouden met het antwoord op de vraag of de echtgeno(o)t(e) haar verdiencapaciteit voldoende benut. Gelet op de wettelijke onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw dient aan dit antwoord wel betekenis te worden toegekend, zeker in aanmerking genomen de duur van het huwelijk van partijen en de traditionele rolverdeling waarvan sprake was.

Aangezien uit het voorgaande voortvloeit dat de rechtbank zal uitgaan van de bijstandsnorm voor een alleenstaande, zal de rechtbank in de draagkrachtberekening van de man geen rekening houden met de door de man gestelde inkomsten van zijn echtgenote ten bedrage van € 1.223,-.



de woonlasten en de premie zorgverzekering

Tegenover hetgeen hiervoor is overwogen staat dat niet aannemelijk is dat de echtgenote van de man in staat is met inkomen uit arbeid volledig in haar levensonderhoud te voorzien. Om die reden acht de rechtbank het nog steeds redelijk om ervan uit te gaan dat de echtgenote in staat is om ¼ deel van de woonlasten van haar en de man voor haar rekening te nemen.


De rechtbank gaat er onder de gegeven omstandigheden wel van uit, net als voorheen, dat de echtgenote in staat is haar eigen premie zorgverzekering te voldoen."

5.4

De grieven van de man strekken tot betoog dat de rechtbank bij de berekening van zijn draagkracht op onjuiste wijze rekening heeft gehouden met zijn gezinssituatie. De man stelt in het bijzonder dat bij de berekening van zijn draagkracht tot uitgangspunt moet worden genomen dat zijn echtgenote (hierna: [nieuwe partner]) niet in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Dit betekent volgens de man mede gelet op de tremanormen, dat niet de bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 60% moet worden gehanteerd in de draagkrachtberekening, maar de bijstandsnorm voor gehuwden en een draagkrachtpercentage van 45%. Voorts heeft de rechtbank volgens de man ten onrechte de totale zorgtoeslag van de man en [nieuwe partner] van € 118,- per maand opgenomen in de draagkrachtberekening. De hoogte daarvan is voor een groot te deel te danken aan het lage inkomen van [nieuwe partner]. De man heeft ter onderbouwing van zijn standpunt onder meer opgemerkt dat hij in eerste aanleg de belastingaangifte 2011 van [nieuwe partner] heeft overgelegd, waaruit blijkt dat zij in dat jaar een pensioen heeft ontvangen van in totaal € 128,- en dat zij daarnaast recht heeft op de algemene heffingskorting, waarmee haar totale inkomen in 2011 € 1.233,- bedroeg. Daaruit blijkt volgens de man zonneklaar dat zij niet in eigen levensonderhoud kan voorzien. De man heeft voorts gesteld dat [nieuwe partner] ook ten tijde van de beschikking waarvan wijziging is verzocht niet geheel in eigen onderhoud kon voorzien. Dat blijkt volgens de man onder meer uit het feit dat zij een nul-urencontract had en uit het feit dat in de draagkrachtberekening bij die beschikking slechts ¼ deel van de woonlasten aan [nieuwe partner] werd toegerekend. [nieuwe partner] heeft thans minder inkomen dan destijds, zodat zij ook het ¼ deel van de woonlasten niet meer voor haar rekening kan nemen. Verder stelt de man dat de rechtbank ten onrechte de volledige zorgtoeslag voor beide partners van € 118,- per maand aan de man heeft toegerekend. Ten slotte voert de man in zijn vijfde grief aan dat de benadering van de rechtbank in de bestreden beschikking naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid leidt tot een onaanvaardbaar resultaat.

5.5

De vrouw heeft de grieven van de man bestreden en is van mening dat de rechtbank terecht geen aanleiding heeft gezien een andere bijstandsnorm en draagkrachtpercentage te hanteren dan ook voorheen steeds is gebeurd. Ten tijde van het convenant en de beschikking waarvan wijziging is verzocht leefde de man al samen met [nieuwe partner]. Zij werkte destijds bij een benzinepomp en daarnaast was zij op afroep werkzaam in een horecagelegenheid in [woonplaats]. Die werkzaamheden heeft [nieuwe partner] later zelf beëindigd. De man heeft volgens de vrouw niet met stukken aannemelijk gemaakt dat het voor [nieuwe partner] niet mogelijk is geweest om inkomen uit arbeid te verkrijgen. De door de man overgelegde aangifte inkomstenbelasting 2011 zegt niks over haar verdiencapaciteit. Gezien de onderhoudsverplichting van de man jegens de vrouw, na vijfendertig jaar huwelijk, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat van de man verlangd kan worden dat hij aantoont dat [nieuwe partner] niet over enige vorm van inkomsten kan beschikken waarmee zij (deels) in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. Volgens de vrouw kan de man niet volstaan met het inbrengen van de belastingaangifte 2011, verwijzing naar de leeftijd en opleiding van zijn echtgenote en naar de economische omstandigheden. De man woont met [nieuwe partner] in [woonplaats] en van daaruit zijn volgens de vrouw voldoende arbeidsmogelijkheden binnen handbereik. Voor wat betreft de woonlasten merkt de vrouw onder meer op dat het ¼ deel van de woonlasten dat destijds aan [nieuwe partner] werd toegerekend, verband hield met de duur van het huwelijk van partijen en de onderlinge verhouding van inkomens van de man en [nieuwe partner]. Voor wat betreft de zorgtoeslag merkt de vrouw op dat de man dient aan te tonen welke deel van het bedrag van € 118,- op zijn echtgenote ziet, voor zover het niet juist is dat de totale zorgtoeslag aan de man is toegerekend.

5.6

Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling van de draagkracht van de man met het oog op het vaststellen van zijn wettelijke verplichting om bij te dragen in het levensonderhoud van zijn gewezen echtgenote, in beginsel rekening dient te worden gehouden met alle redelijke uitgaven die ten laste van de man komen. Tot dergelijke uitgaven zullen in het algemeen ook moeten worden gerekend redelijke uitgaven van de man in het kader van het levensonderhoud van [nieuwe partner]. Van belang hierbij is onder meer of [nieuwe partner] eigen inkomen kan verwerven en kan bijdragen in de kosten van de gemeenschappelijke huishouding.

5.7

Het hof is van oordeel dat de man thans voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [nieuwe partner] niet in eigen levensonderhoud kan voorzien en dat zulks ook in redelijkheid niet van haar kan worden gevergd. Het hof is in dit verband ter zitting gebleken dat de man op of omstreeks 23 september 2009 de echtelijke woning heeft verlaten en dat hij meteen daarna met [nieuwe partner], die destijds ook nog getrouwd was, is gaan samenwonen aanvankelijk op een boot. De man heeft voorts ter zitting onweersproken gesteld dat [nieuwe partner] nimmer geheel in eigen levensonderhoud heeft voorzien, ook niet tijdens haar eerdere huwelijk. Tijdens dat eerdere huwelijk verdiende [nieuwe partner] hoogstens € 300,- à € 400,- netto per maand en die inkomenssituatie heeft zich vanaf het moment dat zij bij de man introk nog een korte periode voortgezet. Het hoofdinkomen van [nieuwe partner] bestond uit inkomen vanuit haar nul-urencontract bij een benzinepomp en daarnaast werkte zij incidenteel in de horeca. De vrouw heeft deze feiten en omstandigheden niet betwist en heeft voorts niet betwist dat [nieuwe partner] een paar maanden vóór september 2010 haar dienstverband bij de benzinepomp heeft beëindigd omdat haar nul-urencontract per september 2010 toch niet zou worden verlengd door haar toenmalige werkgever. In oktober 2011 zijn de man en [nieuwe partner] uiteindelijk in [woonplaats] gaan wonen omdat zij daar goedkoop een woning konden huren voor circa € 250,- per maand. Gelet op deze omstandigheden, met name het feit dat [nieuwe partner] nimmer in eigen levensonderhoud heeft voorzien, en mede gelet op de overige omstandigheden van het geval, waaronder in het bijzonder de leeftijd van [nieuwe partner], haar opleiding en werkervaring en huidige economische omstandigheden, acht het hof aannemelijk dat zij niet in eigen levensonderhoud kan voorzien en dat zulks ook in redelijkheid niet van haar kan worden gevergd. Dat eerder wel steeds ervan uit is gegaan dat zij in eigen levensonderhoud kan voorzien, leidt niet tot een ander oordeel nu de onderhoudsverplichting thans opnieuw ter beoordeling in rechte voorligt.

5.8

Het voorgaande betekent dat het hoger beroep van de man doel treft en de door de man voorgestane correcties op de draagkrachtberekening van de rechtbank in eerste aanleg op het punt van de bijstandsnorm, het draagkrachtpercentage, de woonlasten en ziektekosten, op zijn plaats zijn. De man heeft in dit verband bij het beroepschrift een draagkrachtberekening gevoegd waarin deze correcties zijn opgenomen en waaruit blijkt dat de man, rekening houdend met die correcties, inclusief fiscaal voordeel een bedrag van afgerond € 157,- per maand beschikbaar heeft voor partneralimentatie. Nu deze berekening op zich niet door de vrouw is betwist neemt het hof die draagkrachtberekening over en maakt die tot de zijne.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen kan de bestreden beschikking niet in stand blijven, behoudens voor zover het de beslissing over de proceskosten betreft.

7 De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 19 februari 2013 waarvan beroep, behoudens de beslissing over de proceskosten;

en opnieuw beslissende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank Groningen van 16 maart 2010 aldus dat de door de man aan de vrouw verschuldigde bijdrage in haar levensonderhoud met ingang van
29 oktober 2012 wordt bepaald op € 157,- bruto per maand;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.W. Beversluis, I.A. Vermeulen en G.K. Schipmölder en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 22 oktober 2013 in bijzijn van de griffier.