Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:8028

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-10-2013
Datum publicatie
31-10-2013
Zaaknummer
11/00441 en 442
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2011:1197, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting.

Vereiste aangifte. Omkering en verzwaring bewijslast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/2402
V-N 2014/7.23.13
FutD 2013-2683
NTFR 2014/317 met annotatie van mr. M.J. Hamer
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummers 11/00441 en 11/00442

uitspraakdatum: 22 oktober 2013

Uitspraak van de vierde meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 28 april 2011, nummers AWB 08/3742 en 08/3761, in het geding tussen belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst[te P] (hierna: de Inspecteur).

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is over het jaar 2002 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 111.043. Daarbij is voorts bij beschikking € 8.516 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.2

Aan belanghebbende is over het jaar 2002 een navorderingsaanslag in de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (hierna: WAZ) opgelegd, berekend naar een premie-inkomen van € 38.118. Daarbij is € 339 aan heffingsrente in rekening gebracht.

1.3

Bij uitspraken op bezwaar is de navorderingsaanslag IB/PVV 2002 verminderd tot een navorderingsaanslag, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 100.422 en de beschikking heffingsrente tot € 7.417. De navorderingsaanslag WAZ 2002 en de daarbij behorende beschikking heffingsrente zijn gehandhaafd door de Inspecteur.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.5

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.6

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, voorts de van de Rechtbank ontvangen dossiers die op deze zaken betrekking hebben alsmede alle stukken die, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.7

Het onderzoek ter zitting in hoger beroep heeft plaatsgevonden op 5 september 2013 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord: belanghebbende en zijn gemachtigde [.]. Namens de Inspecteur zijn verschenen en gehoord: [.].

1.8

Zowel belanghebbende als de Inspecteur heeft ter zitting een pleitnota overgelegd.

1.9

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende dreef in het onderhavige jaar (2002) een onderneming in de vorm van een eenmanszaak. De activiteiten van de onderneming bestonden uit werkzaamheden in de bouw.

2.2

In zijn aangifte IB/PVV 2002 heeft belanghebbende een belastbaar inkomen uit werk en woning verantwoord van € 23.843. De primitieve aanslag IB/PVV 2002 is overeenkomstig de aangifte vastgesteld door de Inspecteur.

2.3

Naar aanleiding van de voorlopige bevindingen van een bij belanghebbende ingesteld onderzoek, heeft de Inspecteur het standpunt ingenomen dat belanghebbende – onder meer – niet alle winst uit onderneming in zijn aangifte heeft verantwoord en dat hij ten onrechte privé-uitgaven (tot een totaalbedrag van € 49.995) ten laste van zijn winst uit onderneming heeft gebracht. In verband hiermee heeft de Inspecteur aan belanghebbende de onderwerpelijke, naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 111.043 berekende navorderingsaanslag IB/PVV 2002 opgelegd alsmede de navorderingsaanslag WAZ 2002, die is berekend naar een premie-inkomen van € 38.118 (het wettelijke maximum).

2.4

In bezwaar is de navorderingsaanslag IB/PVV 2002 door de Inspecteur verminderd tot een navorderingsaanslag, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 100.422. De navorderingsaanslag WAZ is in bezwaar gehandhaafd door de Inspecteur.

2.5

De Rechtbank heeft het beroep van belanghebbende ongegrond verklaard.

2.6

In hoger beroep heeft de Inspecteur zich alsnog akkoord verklaard met aftrek van een bedrag van € 434 aan kosten. Belanghebbende erkent een bedrag van € 39.162 niet als winst te hebben verantwoord.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de navorderingsaanslag IB/PVV 2002, zoals verminderd in bezwaar, en de navorderingsaanslag WAZ 2002 tot te hoge bedragen zijn vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt deze vraag bevestigend en de Inspecteur ontkennend.

3.2

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.3

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, die van de Inspecteur en kennelijk tot vermindering van de navorderingsaanslag IB/PVV 2002 tot een navorderingsaanslag, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 63.005 en kennelijk nader tot handhaving van de navorderingsaanslag WAZ 2002.

3.4

De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, van de op de IB/PVV 2002 betrekking hebbende uitspraak op bezwaar en tot vermindering van de navorderingsaanslag IB/PVV 2002 tot een navorderingsaanslag, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 99.988. Voor wat betreft de navorderingsaanslag WAZ 2002 concludeert de Inspecteur tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Belanghebbende erkent dat hij ten onrechte een bedrag van € 39.162 niet als winst uit onderneming in zijn aangifte heeft verantwoord. Door dit bedrag niet in de onderhavige aangifte op te nemen, is er naar het oordeel van het Hof sprake van een gebrek in de aangifte dat ertoe leidt dat de volgens de aangifte verschuldigde IB/PVV verhoudingsgewijs aanzienlijk lager is dan de werkelijk verschuldigde IB/PVV. Het bedrag van de IB/PVV dat door het niet verantwoorden van het bedrag van € 39.162 niet zou zijn geheven, is op zichzelf beschouwd ook aanzienlijk. In aanmerking genomen dat het bedrag van € 39.162 door belanghebbende per bank is ontvangen en de bankafschriften onderdeel van zijn administratie vormden, moest belanghebbende zich ten tijde van het doen van de onderwerpelijke aangifte ervan bewust zijn geweest dat door het indienen van een aangifte naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 23.843, een aanzienlijk bedrag aan verschuldigde IB/PVV niet zou worden geheven. Een en ander leidt tot de conclusie, gelijk de Inspecteur in hoger beroep heeft gesteld, dat de ‘vereiste aangifte’ niet door belanghebbende is gedaan. Dit brengt mee dat belanghebbende moet doen blijken, dat wil zeggen overtuigend dient aan te tonen, dat de uitspraak op bezwaar onjuist is (artikel 27j, tweede lid in verbinding met artikel 27e, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen). Dat geldt voor de gehele uitspraak op bezwaar/belastingaanslag, derhalve ook voor zogenoemde aftrekposten.

4.2

De omstandigheid dat op belanghebbende te dezen een verzwaarde bewijslast rust, laat onverlet dat de Inspecteur de navorderingsaanslag niet naar willekeur mag vaststellen. Door het toepassen van de onderhavige winstcorrectie – die door belanghebbende wordt erkend – en het niet aanvaarden van door belanghebbende opgevoerde – als zakelijke uitgaven gepresenteerde – kosten, is van willekeur naar het oordeel van het Hof geen sprake.

4.3

De Inspecteur heeft onder meer de door belanghebbende opgevoerde kosten inzake, kort gezegd (en in de terminologie van de controlerend ambtenaar), ‘keukens’ (€ 22.493), ‘kantoor [Q]’ (€ 2.793 en € 1.715), ‘relatiegeschenken’ (€ 6.628) en ‘vakantiereizen’ (€ 4.793) niet in aftrek aanvaard, omdat die uitgaven naar zijn opvatting privé-uitgaven van belanghebbende vormen.

4.4

Met hetgeen belanghebbende dienaangaande heeft aangevoerd (in het bijzonder wordt verwezen naar bijlage 45 bij het beroepschrift bij de Rechtbank, welke bijlage in hoger beroep wederom is overgelegd en naar de onderliggende documentatie welke als bijlage 30 bij het nadere stuk van belanghebbende van 28 februari 2013 is gevoegd), heeft hij naar het oordeel van het Hof niet aannemelijk gemaakt, laat staan overtuigend aangetoond, dat de in 4.3 genoemde kosten, uitgaven vormen die belanghebbende met het oog op de zakelijke belangen van zijn onderneming heeft gedaan. Mitsdien zijn genoemde correcties van de Inspecteur terecht. Gelet hierop, moet worden geconcludeerd dat de navorderingsaanslag IB/PVV 2002 niet te hoog is vastgesteld. In hoger beroep heeft de Inspecteur zich echter alsnog verenigd met een aftrek van € 434 aan kosten. Dit betekent dat de navorderingsaanslag IB/PVV 2002 dient te worden verminderd tot € 99.988. In zoverre treft het hoger beroep van belanghebbende doel.

4.5

Uit het hiervóór overwogene, volgt voorts dat de navorderingsaanslag WAZ 2002 (die is opgelegd naar een premie-inkomen van € 38.118) niet tot een te hoog bedrag is vastgesteld.

Heffingsrente

4.6

Tegen de beschikkingen heffingsrente heeft belanghebbende geen afzonderlijke grieven aangevoerd. Gelet op de vermindering van de navorderingsaanslag IB/PVV 2002, dient de bij die aanslag in rekening gebrachte heffingsrente dienovereenkomstig te worden verminderd. Voor een verdere vermindering ziet het Hof geen grond. Nu de navorderingsaanslag WAZ 2002 in stand wordt gelaten, blijft de bij die navorderingsaanslag in rekening gebrachte heffingsrente eveneens in stand.

Overschrijding redelijke termijn

4.7

Belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding (ook door de rechterlijke macht) van de redelijke termijn bij de behandeling van de onderhavige zaken. Omdat het Hof gehouden is de Minister van Veiligheid en Justitie in de gelegenheid te stellen als partij aan het geding deel te nemen, zal het Hof het onderzoek voor het punt van de immateriële schadevergoeding, ter voorbereiding van een nadere uitspraak daarover, heropenen.

Slotsom

Het hoger beroep van belanghebbende is ten dele gegrond.

5 Kosten

Het Hof acht termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten. Het Hof stelt de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand, overeenkomstig het Besluit proceskosten bestuursrecht, als volgt vast:

Bezwaar: 1 punt voor proceshandelingen x € 235 x wegingsfactor 1 = € 235

Beroep: 3 punten voor proceshandelingen x € 472 x wegingsfactor 1 = € 1.416

Hoger beroep: 1,5 punt voor proceshandelingen x € 472 x wegingsfactor 1 = € 708.

In totaal derhalve € 2.359. Hierbij verdient opmerking dat het hogerberoepschrift door belanghebbende zelf is ingediend.

6 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor deze betrekking heeft op de navorderingsaanslag IB/PVV 2002, de daarbij behorende beschikking heffingsrente, het griffierecht en de toegekende proceskostenvergoeding;

  • -

    verklaart het beroep tegen de uitspraken op bezwaar inzake de navorderingsaanslag IB/PVV 2002 en de daarbij behorende beschikking heffingsrente gegrond;

  • -

    vernietigt die uitspraken op bezwaar;

  • -

    vermindert de navorderingsaanslag IB/PVV 2002 tot een navorderingsaanslag, berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 99.988;

  • -

    vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig;

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de navorderingsaanslag WAZ 2002 en de daarbij behorende beschikking heffingsrente;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 2.359, en

  • -

    gelast de Staat aan belanghebbende te vergoeden het door hem ter zake van de behandeling van de zaken betaalde griffierecht van € 39 in beroep en € 112 in hoger beroep.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R. den Ouden, voorzitter, mr. A.J. Kromhout en mr. M.G.J.M. van Kempen, in tegenwoordigheid van drs. S. Darwinkel als griffier.

De beslissing is te Arnhem op 22 oktober 2013 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(S. Darwinkel)

(R. den Ouden)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op: 25 oktober 2013

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij:

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer)

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.