Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:8006

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-10-2013
Datum publicatie
05-11-2013
Zaaknummer
13/00225
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBONE:2013:1109, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:2874, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting.

Onderhoudsverplichting? Echtscheiding. Uitspraak Soennitische Religieuze Hof te Beiroet. Eenmalige betaling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/2478
V-N 2014/9.1.1
FutD 2013-2725 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2014/2483 met annotatie van Mr. P.T. van Arnhem
NTFR 2014/1850 met annotatie van Mr. P.T. van Arnhem
NTFR 2013/2445 met annotatie van Mr. P.T. van Arnhem
NTFR 2013/2472 met annotatie van Mr. P.T. van Arnhem
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 13/00225

uitspraakdatum: 22 oktober 2013

nummer /

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst/[P] (hierna: de Inspecteur).

tegen de uitspraak van rechtbank Oost-Nederland van 12 februari 2013, nummer AWB 12/4063, in het geding tussen

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende) en de Inspecteur.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De Inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2009 een aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen opgelegd en bij beschikking heffingsrente in rekening gebracht.

1.2.

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de aanslag en de beschikking. Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur het bezwaar afgewezen.

1.3.

Belanghebbende is tegen voormelde uitspraak van de Inspecteur in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem. De rechtbank Oost-Nederland (hierna: de Rechtbank), die in de plaats is getreden van de rechtbank Arnhem, heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd en de aanslag en de heffingsrente verminderd.

1.4.

Het beroepschrift tegen de uitspraak van de Rechtbank is op 19 februari 2013 ter griffie ingekomen.

1.5.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.6.

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.7.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2013 te Arnhem. Namens de Inspecteur is verschenen [A], bijgestaan door [B]. Belanghebbende is daar verschenen, bijgestaan door [C]. Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1.

Op 25 maart 2008 is belanghebbende te [Q] (Libanon) gehuwd met [X-Y] (hierna: de echtgenote).

2.2.

Op 1 oktober 2009 heeft het Soennitische Religieuze Hof te Beiroet (Libanon) de echtscheiding tussen belanghebbende en de echtgenote bevestigd. In het vonnis staat, volgens de Engelse vertaling, onder meer:

“In the Sunnite Religious Council (…) appeared (…) [belanghebbende] and [de echtgenote], who both agreed upon that their marriage contract was legally conducted (…) on 25/03/2008 for a prepaid dowry being a copy of the Holy Koran and a delayed dowry of 200 English gold pounds (…) and that on 06/08/2009 he divorced her by saying “I divorce you as per an irrevocable three pronunciation of divorce” and she approved so, and that he paid her an amount of 42,000 USD (…) which is equivalent to the value of the delayed dowry (…)

The court decided to record the acknowledgement of [belanghebbende] concerning the divorce of his wife [de echtgenote] as per an irrevocable divorce (…) and give them a religious document thereof in order to be used accordingly; drafted on October 01, 2009.”

Hetgeen in dit document als ‘dowry’ wordt aangeduid, wordt naar islamitisch recht ook wel ‘mahr’ genoemd.

2.3.

Belanghebbende heeft de echtgenote het bedrag van US$ 42.000, ofwel € 28.800 in 2009 betaald.

2.4.

Belanghebbende heeft aangifte gedaan voor de inkomstenbelasting 2009. Bij de berekening van zijn belastbare inkomen uit werk en woning heeft hij het bedrag van € 28.800 in aftrek gebracht als ‘Betaalde alimentatie afkoopsom’.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Tussen partijen is in geschil of het betaalde bedrag van € 28.800 als onderhoudsverplichting in mindering komt op belanghebbendes belastbare inkomen uit werk en woning.

3.2.

Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Hetgeen daaraan ter zitting is toegevoegd, is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

3.3.

De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en ongegrondverklaring van het beroep tegen de uitspraak op bezwaar. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

4.1.

Het Hof acht aannemelijk dat de tussen belanghebbende en de echtgenote overeengekomen ‘delayed dowry’ tot doel heeft bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de echtgenote na de beëindiging van het huwelijk. Belanghebbende heeft dit geloofwaardig toegelicht en verklaard. De Inspecteur heeft ter zitting erkend dat de omvang van het bedrag aan het aannemen van een onderhoudsverplichting niet in de weg staat. De omstandigheid dat de verschuldigdheid al bij het aangaan van het huwelijk is overeengekomen, staat daaraan naar ’s Hofs oordeel evenmin in de weg, nu de mogelijkheid zeer reëel is dat de echtgenote behoefte heeft aan een voorziening voor haar levensonderhoud bij beëindiging van het huwelijk, of dat nu door echtscheiding of door overlijden van de man is.

4.2.

Ook de omstandigheid dat het betalen van een mahr een verplichting zou zijn, staat niet eraan in de weg deze betaling aan te merken als een onderhoudsverplichting. Integendeel: de term onderhoudsverplichting impliceert al dat van een verplichting sprake is.

4.3.

De Inspecteur heeft nog gewezen op een ‘ongerijmdheid’ die zijns inziens bestaat tussen de hiervoor onder 2.2 aangehaalde Engelse vertaling en de nadien door belanghebbende overgelegde Nederlandse vertaling. De Inspecteur stelt dat de Engelse vertaling het origineel dichter benadert. Het Hof is uitgegaan van de door de Inspecteur gepropageerde Engelse vertaling, zodat deze grief geen nadere bespreking behoeft.

4.4.

Op grond van artikel 6:3, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet inkomstenbelasting 2001 zijn onderhoudsverplichtingen afkoopsommen van de in onderdeel a van die bepaling vermelde periodieke uitkeringen en verstrekkingen. Nu de voorziening in het levensonderhoud bij uitstek vraagt om periodieke uitkeringen en/of verstrekkingen, acht het Hof aannemelijk dat de onderhavige eenmalige betaling ter voorziening in het levensonderhoud in de plaats komt van periodieke uitkeringen en/of verstrekkingen. Derhalve is de onderhavige betaling aan te merken als een afkoopsom van dergelijke periodieke uitkeringen en verstrekkingen.

4.5.

Gelet op het vorenoverwogene heeft de Rechtbank een juiste beslissing genomen. Het Hof zal dan ook de uitspraak van de Rechtbank bevestigen.

5 Kosten

Het Hof ziet aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep voor het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken. Gelet op artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht komen hiervoor in aanmerking de door belanghebbende gemaakte kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Het Hof stelt deze kosten overeenkomstig de Bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op 2 punten (verweerschrift en verschijnen ter zitting) × 1 (gewicht van de zaak) × € 472, ofwel op € 944 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Niet gesteld of gebleken is dat andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten zijn gemaakt.

6 Beslissing

Het Hof:

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende tot een beloop van € 944; en

  • -

    verstaat dat van de Inspecteur ter zake van het door de Inspecteur ingestelde hoger beroep na het onherroepelijk worden van deze uitspraak een griffierecht geheven wordt van € 478.

Deze uitspraak is gedaan door mrs. J. van de Merwe, voorzitter, R.A.V. Boxem en J.B.H. Röben, in tegenwoordigheid van mr. J.L.M. Egberts als griffier.

De beslissing is op 22 oktober 2013 in het openbaar uitgesproken.

De griffier,

De voorzitter,

(J.L.M. Egberts)

(J. van de Merwe)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EHDen Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.