Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:7983

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-10-2013
Datum publicatie
25-10-2013
Zaaknummer
CR 200.120.280-01 15-10-2013
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Mentorschap. Belang van rechthebbende wordt zwaarder geacht dan het belang om onenigheden in de familie te voorkomen. Huidige verzorgster tot mentor benoemd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.120.280/01

(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland 632914 MS VERZ 12-126)

beschikking van de familiekamer van 15 oktober 2013

inzake

1 [appellant 1],

wonende te [woonplaats],

2 [appellant 2],

wonende te [woonplaats],

appellanten,

advocaat: mr. R. Zwiers, kantoorhoudend te Almere,

tegen

1 [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats],

2 [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

advocaat: mr. A.P. Fijn van Draat, kantoorhoudend te Utrecht.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 [belanghebbende 1],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: [belanghebbende 1],

2 [belanghebbende 2],

als zodanig handelende onder de naam [X],

gevestigd te [woonplaats],

hierna te noemen: de bewindvoerder en/of mentor,

advocaat: mr. M. Falkena, kantoorhoudende te Lelystad,

3 [belanghebbende 3],

wonende te [woonplaats],

4. [belanghebbende 4] ,

wonende te [woonplaats].

1. Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Lelystad van 20 december 2012, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2. Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 18 januari 2013, zijn appellanten in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. Zij verzoeken het hof die beschikking te vernietigen en het inleidend verzoek tot het instellen van een mentorschap ten behoeve van de rechthebbende alsnog af te wijzen.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 27 maart 2013, heeft de mentor het verzoek in hoger beroep bestreden.

2.3

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 29 maart 2013, hebben geïntimeerden het verzoek in hoger beroep bestreden.

2.4

Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 11 februari 2013 een brief van 8 februari 2013 van mr. Zwiers met bijlage;

- op 3 maart 2013 een brief van 1 maart 2013 van mr. Zwiers met bijlage;

- een journaalbericht van 13 juni 2013 van mr. Zwiers.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 17 juni 2013 plaatsgevonden, waarbij de onderhavige zaak en het beroep in de zaak met zaaknummer 200.120.276 gelijktijdig zijn behandeld. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Voorts zijn de belanghebbenden verschenen en mr. Falkena. [belanghebbende 1] is niet ter zitting verschenen. Mr. Zwiers heeft het woord gevoerd aan de hand van een pleitnotitie.

3. Procedureel

3.1

Voor zover appellanten klagen over de wijze van totstandkomen van de bestreden beschikking is het hof van oordeel dat zij geen belang hebben bij behandeling van die klacht. Immers, appellanten hebben thans in hoger beroep de zaak in zijn geheel ter beoordeling aan het hof voorgelegd en zijn in de gelegenheid gesteld hun inhoudelijke bezwaren tegen de bestreden beschikking kenbaar te maken. Voorts strekt de procedure in hoger beroep er mede toe eventuele onvolkomenheden uit de eerste aanleg te verbeteren. Aldus is het hof - anders dan appellanten - van oordeel dat hetgeen door hun op dit punt is gesteld, wat daar ook van zij, niet tot vernietiging van de bestreden beschikking dient te leiden.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Ingevolge artikel 1:450 lid 1 Burgerlijk Wetboek kan de kantonrechter (of bij hoger beroep het hof) indien een meerderjarige als gevolg van zijn geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt zijn belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen, een mentorschap instellen. Op grond van 1:452 lid 3 BW volgt de rechter bij de benoeming van de mentor de uitdrukkelijke voorkeur van de betrokkene, tenzij gegronde redenen zich tegen zodanige benoeming verzetten. Ingevolge het derde lid van voornoemd artikel wordt, tenzij lid 2 is toegepast, indien de betrokkene is gehuwd, een geregistreerd partnerschap is aangegaan of anderszins een levenspartner heeft, bij voorkeur de echtgenoot, geregistreerd partner, dan wel een andere levensgezel tot mentor benoemd. Is het voorgaande niet van toepassing, dan wordt bij voorkeur een van zijn ouders, kinderen, broers of zusters tot mentor benoemd.

4.2

Op grond van artikel 1:461, tweede lid, BW, voor zover hier van belang, kan de kantonrechter (of bij hoger beroep het hof) de mentor ontslag verlenen op verzoek van de mentor, de rechthebbende of het openbaar ministerie, dan wel ambtshalve.

4.3

Het hof verwijst in de onderhavige zaak naar zijn overwegingen in de beschikking met zaaknummer 200.120.276 en voegt daar in de onderhavige zaak het volgende aan toe. Tussen partijen is niet in geschil dat bij [belanghebbende 1] sprake is van gevorderde dementie, waardoor zij heden en verleden door elkaar haalt en wisselend wel en niet helder van geest is. Daarmee staat voor het hof vast dat aan het wettelijke vereiste voor een mentorschap is voldaan, in die zin dat [belanghebbende 1] als gevolg van haar geestelijke of lichamelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is of bemoeilijkt wordt haar belangen van niet-vermogensrechtelijke aard zelf behoorlijk waar te nemen. Het hof zal daarom het verzoek tot een deskundigenonderzoek afwijzen en acht een dergelijke belasting bovendien ook niet in het belang van [belanghebbende 1]. Ter zitting is dit reeds aan de orde gesteld.

4.4

Het hof heeft op basis van eigen waarneming, maar ook onder meer op grond van hetgeen door [belanghebbende 3], appellanten en de bewindvoerder ter zitting naar voren is gebracht de overtuiging dat het belang van [belanghebbende 1] het meest gediend is met haar huidige woonsituatie in [woonplaats] en dat zij aldaar goede zorg ontvangt. [belanghebbende 1] heeft bovendien zelf duidelijk naar voren gebracht dat zij niet op haar plek zat in het verpleegtehuis. Zij wilde daar weg. Bovendien bestaat bij het hof de oprechte indruk dat alle kinderen van [belanghebbende 1] haar in [woonplaats] kunnen bezoeken en/of haar mee mogen nemen voor een uitje of iets dergelijks. Dat het door verweerders als een drempel wordt gezien om [belanghebbende 1] aldaar te bezoeken, acht het hof begrijpelijk gelet op de onenigheid die op enig moment in de familie is ontstaan, maar niet onoverkomelijk. Daarnaast acht het hof het belang van verweerders dat verblijf van [belanghebbende 1] in een verpleegtehuis hun betere mogelijkheden biedt om haar te bezoeken, ondergeschikt aan het belang van [belanghebbende 1] om een rustige en vertrouwde leefomgeving te hebben.

4.5

Anders dan de rechtbank heeft beslist en ook anders dan de overwegingen van het hof aangaande de benoeming van de bewindvoerder, zal het hof bij de benoeming van de mentor de voorkeur van [belanghebbende 1] en de volgorde van benoeming op grond van de wet volgen. Naar het oordeel van het hof weegt het belang van [belanghebbende 1] in deze zwaarder dan het belang om vanwege de onenigheden in de familie en de voorkeur voor het in één hand leggen van het bewind en mentorschap de huidige benoeming te handhaven. Het hof zal de huidige mentor daarom ontslaan en -mede uit praktische overwegingen- haar dagelijkse verzorgster [appellant 2] als mentor benoemen. Het hof heeft de stellingen van appellanten bovendien impliciet opgevat als verzoek om in geval van toewijzing van het verzoek tot mentorschap zelf als mentor te worden benoemd. Bovendien blijkt uit de pleitaantekeningen in hoger beroep van mr. Zwiers voldoende de bereidheid om als mentor op te treden.

4.6

Uiteraard dient op grond van de wet bij de uitoefening van het mentorschap de zorg te worden betracht van een goed mentor, hetgeen inhoudt dat de mentor de niet-vermogensrechtelijke belangen van [belanghebbende 1] in aangelegenheden van verzorging, verpleging, behandeling en begeleiding zo goed mogelijk dient te behartigen. Het hof wenst daarbij op te merken dat de mentor, zodra zich een (evidente) verandering in de gezondheidstoestand van [belanghebbende 1] voordoet, zij het belang van [belanghebbende 1] dient te behartigen door onder meer alle betrokkenen daarover zo spoedig mogelijk te informeren en in staat stelt [belanghebbende 1] te bezoeken.

5. De slotsom

5.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen zal het hof -om praktische redenen- als volgt beslissen.

5.2

Het hof ziet ten aanzien van de proceskosten geen aanleiding af te wijken van het gebruikelijke uitgangspunt dat de kosten zullen worden gecompenseerd in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

6. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep met ingang van heden ten aanzien van de benoeming en in zoverre opnieuw beslissende:

ontslaat met ingang van heden [belanghebbende 2] als mentor van [belanghebbende 1];

benoemt met ingang van heden tot opvolgend mentor ten behoeve van [belanghebbende 1], wonende te [woonplaats], [appellant 2] eveneens wonende te [woonplaats];

wijst het meer of anders verzochte af;

bekrachtigt de beschikking voor het overige;

compenseert de proceskosten in die zin dat elke partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mrs. I.A. Vermeulen, J.H. Kuiper en J.G. Idsardi, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 15 oktober 2013 in bijzijn van de griffier.