Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:7982

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-10-2013
Datum publicatie
25-10-2013
Zaaknummer
CR 200.123.301-01 15-10-2013
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Uithuisplaatsing en bepaling hoofdverblijf.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 15 oktober 2013

Zaaknummer 200.123.301

HET GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Locatie Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

[de moeder] ,

wonende te [woonplaats 1],

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. J.J. Boekhout,

kantoorhoudende te Amersfoort,

tegen

[de vader] ,

wonende te [woonplaats 2],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. S.M. Wolff,

kantoorhoudende te Zwolle,

Belanghebbenden:

1 Bureau Jeugdzorg Overijssel,

gevestigd te Zwolle,

hierna te noemen: BJZ Overijssel.

2 [de pleegouders],

wonende te [woonplaats 3],

hierna te noemen: de pleegouders.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 12 december 2012 (met zaaknummer 175447 / FZ RK 10-3513) heeft de rechtbank Zwolle-Lelystad, locatie Zwolle, voor zover hier van belang, bepaald dat de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] in de gemeente [X] (hierna [minderjarige]), voortaan zijn hoofdverblijf zal hebben bij de vader en verstaan dat de invulling van de zorgregeling tussen de moeder en de minderjarige [minderjarige] zal worden overgelaten aan BJZ Overijssel.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 11 maart 2013, heeft de moeder verzocht de beschikking van 12 december 2012 te vernietigen en opnieuw beslissende te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige [minderjarige] bij de moeder is en te bepalen dat de moeder recht heeft op omgang met de minderjarige [minderjarige] eenmaal in de veertien dagen van vrijdag na school tot zondag 18.00 uur, alsmede op moederdag, op de verjaardag van [minderjarige] in de oneven jaren, en de helft van de vrije dagen en vakanties.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 26 april 2013, heeft de vader het verzoek bestreden en verzocht de beschikking van 12 december 2012 in stand te houden en te bekrachtigen.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder

- een brief van 18 maart 2013 van de raad voor de kinderbescherming met als bijlage het rapport van 12 oktober 2010 met het inleidend verzoek ondertoezichtstelling en machtiging uithuisplaatsing;

- een journaalbericht van 5 april 2013, ingediend namens mr. Boekhout, met als bijlagen een aantal stukken uit eerste aanleg;

- een brief/verweerschrift van BJZ Overijssel van 25 april 2013 met bijlagen;

- een brief van 1 juli 2013 van mr. Boekhout, met bijlagen, voorzien van een journaalbericht van 1 juli 2013;

- een journaalbericht van 2 juli 2013 van mr. Wolff met bijlage;

- een brief van 3 juli 2013 van de raad met mededeling dat de raad niet ter zitting zal verschijnen.

Ter zitting van 11 juli 2013 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de vader bijgestaan door zijn advocaat, en de moeder bijgestaan door haar advocaat en een tolk in de Russische taal. Namens BJZ Overijssel waren mevrouw W.F. Bakker en mevrouw N. Allemans Hartog aanwezig.

De beoordeling

1. [minderjarige] is geboren uit het huwelijk van partijen. Zij oefenen het gezag over [minderjarige] gezamenlijk uit.

2. Bij beschikking van 11 april 2012, hersteld bij beschikking van 20 juni 2012, heeft de rechtbank onder meer de echtscheiding en de scheiding van tafel en bed tussen partijen uitgesproken. Bij beschikking van 30 mei 2013 heeft het hof onder meer de uitgesproken echtscheiding in hoger beroep bekrachtigd. Ten tijde van de mondelinge behandeling van de onderhavige procedure was de echtscheiding nog niet ingeschreven in de daartoe bestemde registers van de burgerlijke stand.

3. [minderjarige] verblijft sinds 21 juni 2010 bij zijn oom en tante (vaderszijde). Hij staat sinds 26 oktober 2010 onder toezicht van BJZ Overijssel en met ingang van die datum is ook een machtiging tot uithuisplaatsing verleend op grond waarvan het verblijf bij zijn oom en tante binnen de ondertoezichtstelling is geformaliseerd. De termijnen van deze maatregelen zijn telkens met een jaar verlengd, laatstelijk bij beschikking van 18 oktober 2012.

4. In het kader van de voorlopige voorzieningen heeft de rechtbank bij beschikking van 2 augustus 2010 [minderjarige] voorlopig toevertrouwd aan de vader in afwachting van de uitkomsten van raadsonderzoek. Gezien de resultaten van het raadsonderzoek van 12 oktober 2010, heeft de rechtbank bij beschikking van 18 november 2010 [minderjarige] voor de duur van het echtscheidingsgeding (voorlopig) toevertrouwd aan de vader. Latere verzoeken van de moeder tot wijziging en voorlopige toevertrouwing aan haar zijn door de rechtbank afgewezen.

5. De rechtbank heeft bij beschikking van 12 december 2012 een beslissing gegeven over het hoofdverblijf van [minderjarige] en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. Bij deze beschikking is het hoofdverblijf van [minderjarige] bepaald bij de vader. Hierbij heeft een rol gespeeld dat de vader meer dan de moeder de huidige uithuisplaatsing van [minderjarige] accepteert en dat niet is uitgesloten dat [minderjarige] -op termijn- bij de vader thuis kan wonen terwijl er op dat moment geen perspectief bestond op plaatsing bij de moeder. Met betrekking tot de verdeling van de zorgtaken heeft de rechtbank beslist dat de invulling en praktische uitvoering daarvan het best kan worden overgelaten aan BJZ Overijssel gezien de huidige ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing. Volgens de rechtbank is BJZ Overijssel het beste in staat te bepalen wat de beste toekomstige zorgregeling tussen de moeder en [minderjarige] is.

6. Ter zitting in hoger beroep is gebleken dat [minderjarige] sinds 15 juni 2013 bij de vader thuis verblijft. BJZ Overijssel heeft ter zitting laten weten dat bij de huidige stand van zaken in oktober 2013 nog slechts verlenging van de termijn van de ondertoezichtstelling aan de orde zal zijn.

7. De moeder heeft in hoger beroep gevraagd het hoofdverblijf van [minderjarige] alsnog te bepalen bij haar en (in afwachting daarvan) een zorgregeling vast te stellen van eenmaal per veertien dagen van vrijdag na school tot zondag 18.00 uur, alsmede op Moederdag, de verjaardag van [minderjarige] in de oneven jaren en de helft van de vrije dagen en vakanties.

* het hoofdverblijf

8. Indien in geval van gezamenlijke gezagsuitoefening tussen de ouders een geschil ontstaat met betrekking tot het hoofdverblijf van het kind, kan dat geschil op grond van artikel 1:253a BW aan de rechter worden voorgelegd. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

9. De moeder heeft in hoger beroep benadrukt dat de vraag wie van de ouders de uithuisplaatsing meer accepteert, niet relevant is voor de beoordeling wie van de ouders het meest geschikt is om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] op zich te nemen. De moeder begrijpt evenmin hoe de rechtbank tot het oordeel is gekomen dat er geen perspectief is op plaatsing bij de moeder thuis. Zij wijst erop dat zij vanaf de geboorte tot de AMK melding in 2010 waarop de uithuisplaatsing is gevolgd, de zorg voor [minderjarige] heeft gehad en dat zijn ontwikkeling in die periode steeds probleemloos is verlopen. De moeder meent dat zij in staat is om, meer dan de vader, tegemoet te komen aan de specifieke ontwikkelingsbehoeften van [minderjarige], zoals deze in het psycho-diagnostisch onderzoek van BJZ Overijssel naar voren zijn gekomen. Zij meent dat zij door BJZ Overijssel buiten spel is gezet waardoor tussen haar en [minderjarige] vervreemding is opgetreden

10. De vader stelt dat hij sinds 2011 een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt en dat hij een intensief traject heeft gevolgd om zijn verslavingsproblematiek onder controle te krijgen. Hij heeft hulpverlening voor zichzelf maar ook voor [minderjarige] geaccepteerd en heeft BJZ in de loop der tijd laten zien dat hij in staat is om, met de nodige ondersteuning, weer verantwoordelijkheid te dragen voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige]. Hij is van mening dat de moeder door haar medewerking te weigeren en de strijd met BJZ Overijssel te zoeken, niet alleen zichzelf buiten spel heeft gezet maar ook heeft bijdragen aan loyaliteitsproblemen van [minderjarige]. Hij wijst er op dat door de houding van de moeder geen aanvullende diagnostiek bij haar heeft plaatsgevonden en geen opvoedingsondersteuning in haar thuissituatie is geweest, zodat BJZ Overijssel onvoldoende zicht heeft gekregen op haar opvoedingsvaardigheden. De vader meent dan ook dat BJZ Overijssel op goede gronden heeft gekozen voor plaatsing van [minderjarige] bij hem en dat de rechtbank op even goede gronden heeft gekozen het hoofdverblijf van [minderjarige] bij hem te bepalen.

11. [minderjarige] is in 2010, naar aanleiding van een AMK melding, bij zijn oom en tante gaan wonen. Op grond van de uitkomsten van een onderzoek van de raad voor de kinderbescherming, neergelegd in het rapport van 12 oktober 2010, is vervolgens een machtiging tot uithuisplaatsing verleend. Op dat moment waren de ouders feitelijk al uit elkaar en had de moeder zich tot de rechtbank gewend met het verzoek om voorlopige voorzieningen te treffen, onder meer betrekking hebbende op de toevertrouwing van [minderjarige]. De raad achtte voorzetting van het verblijf van [minderjarige] bij de pleegouders noodzakelijk in afwachting van meer duidelijkheid over het opvoedingsperspectief van [minderjarige] en de mogelijkheden van de ouders om hem (met ondersteuning) te verzorgen en op te voeden.

12. Om meer duidelijkheid te krijgen over het toekomstperspectief van [minderjarige] is BJZ Overijssel in de loop van 2011 de mogelijkheden van een eventuele thuisplaatsing van [minderjarige] bij een van de ouders gaan onderzoeken. Het diagnostisch Team Bureau Jeugdzorg Overijssel heeft in 2011 een psycho-diagnostisch en pedagogisch affectief onderzoek verricht naar de ontwikkeling van [minderjarige] en zijn opvoedingssituatie. In dit onderzoek zijn naast [minderjarige] ook beide ouders en de pleegouders betrokken. Door middel van dit onderzoek heeft BJZ Overijssel zicht willen krijgen op de specifieke opvoedingsvragen van [minderjarige] en ook antwoord op de vraag in hoeverre de vader en de moeder in staat zijn om daarbij aan te sluiten, alsmede wat passende behandeling en begeleiding is voor [minderjarige] en elk van de ouders.

13. Uit de rapportage van 26 juli 2011 betreffende dit onderzoek blijkt dat [minderjarige] in het pleeggezin in zijn sociaal-emotionele ontwikkeling een inhaalslag heeft gemaakt maar zich bij onveiligheid nog steeds terugtrekt, op dergelijke momenten niet in staat is om emoties te uiten en zich dan passief en gereserveerd opstelt in contact. Deze problematiek lijkt voornamelijk reactief van aard en lijkt voort te komen uit een onveilige hechting. Uit de observatiecontacten die hebben plaatsgevonden blijkt dat de ouder-kind relatie met beide ouders onder druk staat. Verder lijkt [minderjarige] te kampen met loyaliteitsproblemen die zich voornamelijk richten op de positie en verhouding tussen moeder en pleegmoeder en die hem belemmeren in zijn ontwikkeling en hechting aan beiden. Vanuit zijn problematiek is [minderjarige] afhankelijk van een meer dan gemiddeld responsief en sensitief opvoedingsklimaat om zich te kunnen ontwikkelen en hechtingsrelaties aan te kunnen gaan. Hij heeft een stabiel en voorspelbaar opvoedingsklimaat nodig waarin sprake is van adequaat voorbeeldgedrag op het gebied van emotieregulatie en sprake is van emotionele beschikbaarheid van de opvoeder(s) die in staat zijn om af te stemmen op zijn specifieke behoeften. [minderjarige] heeft een opvoedingsklimaat nodig waarin hij kind kan zijn en waarin hij niet wordt belast met problematiek van volwassenen dan wel in een loyaliteitsconflict wordt geplaatst.

14. Ten aanzien van de moeder concluderen de onderzoekers dat is gebleken dat de moeder haar uiterste best doet en de wens heeft om de zorg voor [minderjarige] weer op zich te nemen. Zij is binnen de opvoeding erg gericht op cognitieve stimulering en stelt zich onvoldoende sensitief en responsief op ten aanzien van de sociaal-emotionele ontwikkelingsbehoeften van [minderjarige]. Binnen het onderzoek heeft de moeder volgens de onderzoekers een sociaal wenselijk beeld neergezet en geeft zij weinig blijk van inzicht in de problematiek van [minderjarige] en haar aandeel daarin. Zonder erkenning kan in de visie van de onderzoekers geen zicht ontstaan op hetgeen [minderjarige] van de moeder nodig heeft om zich te kunnen ontwikkelen tot een veilig gehechte volwassene. Voor de onderzoekers is onduidelijk in hoeverre de moeder in haar opvoedingsvaardigheden leerbaar is.

15. Ten aanzien van de pedagogische en affectieve mogelijkheden van de vader wordt in het onderzoek gezien dat hij als gevolg van zijn eigen problematiek beperkt belastbaar is. Hij is, vanuit zijn verslavingsproblematiek, niet in staat om een veilig, stabiel en voldoende responsief en sensitief opvoedingsklimaat te bieden. Zijn gemoedstoestand is onderhevig aan grote wisselingen die plotseling kunnen optreden waardoor er een element van onvoorspelbaarheid blijft bestaan. Door middel van het veiligheidsplan lijkt voldoende steun te zijn ingebouwd op basis waarvan de omgang met [minderjarige] veilig en plezierig kan verlopen.

16. Op basis van de onderzoeksbevindingen adviseert het Diagnostisch Team in zijn rapport van 26 juli 2011 speltherapie voor [minderjarige] ten aanzien van de geconstateerde hechtingsproblematiek, loyaliteitsproblematiek en traumaverwerking. Zij achten het wenselijk om de pleegzorgplaatsing voorlopig voort te zetten tot er meer zicht is op de leerbaarheid van de ouders, met dien verstande dat op basis van de resultaten en de ingezette hulpverlening het opbouwen/uitbreiden van de omgang kan worden overwogen. Ten aanzien van de ouders en hun opvoedingsvaardigheden acht het Diagnostisch Team opvoedingsondersteuning noodzakelijk gericht op het vergroten van sensitiviteit en responsiviteit ten aanzien van de behoeften van [minderjarige]. Aangaande de moeder achten de onderzoekers nader persoonlijkheidsonderzoek om zicht te krijgen op haar persoonlijk functioneren zeer wenselijk, evenals eventuele individuele behandeling.

17. Op grond van de uitkomsten van het onderzoek heeft BJZ Overijssel besloten om de omgangsregeling tussen [minderjarige] en elk van de ouders uit te breiden met inzet van gespecialiseerde opvoedingsondersteuning om meer zicht te krijgen op het persoonlijk functioneren en de leerbaarheid van elk van de ouders. De vader heeft deze ondersteuning van Accare geaccepteerd en deze is in de tweede helft van 2012 op gang gekomen. Hoewel de intake gesprekken hebben plaatsgevonden, heeft de moeder de ondersteuning van de (eerste) door BJZ Overijssel gekozen instelling geweigerd. Ook alternatieve hulpverleninginstellingen zijn door de moeder afgewezen, terwijl zij ook zelf geen alternatieven heeft aangedragen. In de loop van 2012 heeft BJZ Overijssel herhaalde malen doch tevergeefs getracht moeder te overtuigen van de noodzaak om mee te werken. De moeder heeft vastgehouden aan haar weigering.

18. De moeder heeft wel in oktober/november 2011 op eigen initiatief, en zonder BJZ Overijssel bij de onderzoeksvragen te betrekken, een persoonlijkheidsonderzoek ondergaan bij een GZ-psychologe en zij heeft de resultaten daarvan in februari 2012 ter beschikking gesteld aan BJZ Overijssel. De moeder heeft in eerste instantie geen toestemming gegeven aan BJZ om contact op te nemen met de psycholoog voor nadere informatie over het onderzoek en de uitkomsten daarvan, hetgeen BJZ Overijssel wenselijk achtte. Eerst ter zitting van 20 augustus 2012, op welke zitting de vervallenverklaring van een schriftelijke aanwijzing werd behandeld, heeft de moeder de contactgegevens verstrekt en toestemming gegeven. BJZ heeft in haar verweerschrift van 26 april 2013 aangegeven dat zij op basis van deze gegevens nog geen contact heeft kunnen krijgen met de psychologe.

19. Op 25 mei 2013 heeft BJZ Overijssel zich gewend tot de kinderrechter met het verzoek om vervangende toestemming te geven voor de speltherapie van [minderjarige], omdat de moeder weigerde haar toestemming daartoe te geven. Bij beschikking van 12 juni 2013 is deze toestemming verleend.

20. Anders dan de moeder ingang wil doen vinden, is het hof van oordeel dat BJZ Overijssel het toekomstperspectief van [minderjarige] in het kader van de ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing geruime tijd open heeft gehouden, en een mogelijke thuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader noch de moeder heeft willen uitsluiten. Ook uit het psychodiagnostisch onderzoek in 2011 is geen duidelijke voorkeur voor een van de ouders naar voren gekomen waarna BJZ Overijssel voor [minderjarige] heeft ingezet op behandeling door middel van speltherapie en voor beide ouders heeft gekozen voor gespecialiseerde opvoedingsondersteuning in de thuissituatie om zicht te krijgen op de concrete opvoedingsvaardigheden van ieder van de ouders in relatie tot [minderjarige]. Mede in verband met de onduidelijkheid over het persoonlijkheidsonderzoek van de moeder, heeft BJZ Overijssel ook voor haar vastgehouden aan de noodzaak van opvoedingsondersteuning in de thuissituatie, maar de moeder heeft op dit punt volhard in haar weigering. In dit verband merkt het hof op dat ook de vader bedenkingen heeft gehad tegen de door BJZ Overijssel nodig geoordeelde observaties en ondersteuning, maar hij heeft daaraan ten volle zijn medewerking verleend waarbij hij ook steeds inzicht heeft gegeven in zijn problematiek en het verloop van zijn behandeling.

21. De vader heeft in alle opzichten de samenwerking met BJZ Overijssel gezocht. Hij heeft openheid gegeven over en inzicht verstrekt in zijn psychische problematiek en heeft BJZ Overijssel op de hoogte gehouden van de in dat kader ingezette hulpverlening en de stand van zaken in de behandeling. Hij heeft ook zijn medewerking verleend aan alle vormen van onderzoek die BJZ Overijssel voor [minderjarige] van belang heeft geacht. Mede op grond van die ervaringen is ten aanzien van het perspectief van [minderjarige] de vader duidelijker in beeld gekomen dan de moeder. Op grond van de bevindingen van trias jeugdhulp die de observaties en ondersteuning bij de omgangscontacten heeft uitgevoerd en die een positief beeld geven van de opvoedingsvaardigheden van de vader, heeft BJZ Overijssel in februari 2012 besloten dat de mogelijkheden van thuisplaatsing bij de vader nader onderzocht dienden te worden. Een uithuisplaatsing dient immers gericht te zijn op thuisplaatsing van de minderjarige bij (een van) de ouders opdat die de verzorging en opvoeding van de minderjarige weer op zich kunnen nemen, en dient in beginsel niet langer te duren dan nodig is. De belangen van [minderjarige] bij het verkrijgen van duidelijkheid zijn daarbij van doorslaggevende betekenis geweest. Op basis van deze beslissing heeft BJZ een traject uitgezet om tot een daadwerkelijke thuisplaatsing bij de vader te (kunnen) komen. Hiertoe is onder meer de bezoekregeling uitgebreid en is een zogeheten EigenKrachtConferentie aangevraagd en gehouden om het sociaal netwerk van de vader te mobiliseren en te zorgen voor een vangnet. De gezinsvoogd heeft daarvoor het kader c.q. de voorwaarden gesteld en uiteindelijk is een plan tot stand gebracht dat de goedkeuring heeft gekregen van de gezinsvoogd. De vader heeft hieraan ten volle meegewerkt, heeft verdere ambulante hulp in de thuissituatie geaccepteerd en de benodigde ondersteuning binnen zijn eigen netwerk tot stand gebracht. Uiteindelijk heeft dit geresulteerd in een thuisplaatsing van [minderjarige] bij de vader op 15 juni 2013.

22. Het hof zal de beschikking waarvan beroep voor wat betreft het hoofdverblijf van [minderjarige] bij de vader bekrachtigen. De vader heeft zijn eigen verslaving- en psychiatrische problematiek al geruime tijd onder controle hoewel hij nog immer onder behandeling staat en waarschijnlijk ook voor langere duur zal blijven staan. BJZ en de vader onderkennen dat de problematiek van vader betekent dat hij kwetsbaar is en nog immer enige beperkingen heeft, ook waar het de verzorging en opvoeding van [minderjarige] betreft die juist vanwege zijn problematiek extra begeleiding en ondersteuning nodig heeft. De vader heeft echter, naar tevredenheid van BJZ, afspraken gemaakt met hulpverleningsinstanties en de mensen binnen zijn sociaal netwerk, waaronder familie en vrienden, om hem te ondersteunen in zijn zwakke punten en in het bijzonder er voor te zorgen dat de veiligheid van [minderjarige] te allen tijde gewaarborgd is. Ook de gezinsvoogd zal in het kader van de ondertoezichtstelling nog enige tijd betrokken blijven bij de verzorging en opvoeding van [minderjarige]. De beperkingen die de vader op dit moment nog heeft in zijn opvoedingsvaardigheden en zijn kwetsbaarheid op dit punt zijn hiermee voldoende ondervangen. Naar het oordeel van het hof is de vader, met hulpverlening en ondersteuning, in staat om [minderjarige] het opvoedingsklimaat te bieden dat hij voor een goede ontwikkeling nodig heeft.

23. Het hof acht het niet in het belang van [minderjarige] om zijn hoofdverblijf bij de moeder te bepalen, omdat onvoldoende duidelijk is dat (ook) de moeder op dit moment in staat is om [minderjarige] een adequaat verzorgings- en opvoedingsklimaat te bieden. De onderzoeksbevindingen zoals opgenomen in het rapport van de psychologe van 8 februari 2012, ook mede bezien in het licht van de brief van 20 oktober 2011 van de trajectbegeleidster van de moeder, bieden onvoldoende tegenwicht aan het kort daarvoor plaatsgevonden psychodiagnostisch onderzoek en de uitkomsten daarvan. Door de weigering van de moeder mee te werken aan observaties en opvoedingsondersteuning in de thuissituaties door gespecialiseerde gezinsondersteuning, waartoe BJZ haar in 2012 heeft trachten te motiveren, bestaat onvoldoende zicht op haar opvoedingsvaardigheden in relatie tot [minderjarige]. De cursussen die de moeder heeft gevolgd, en waarvan zij in de procedure bewijsstukken heeft overgelegd, geven slechts inzicht in haar wens en haar voornemen om de verzorging en opvoeding van [minderjarige] ook naar Nederlandse maatstaven vorm te geven, maar zijn niet toereikend in die zin dat vast staat dat zij ook daadwerkelijk haar verzorging en opvoeding kan afstemmen op de behoeften van [minderjarige].

24. Het hof acht het in het belang van [minderjarige] dat een beslissing over zijn hoofdverblijf niet langer wordt aangehouden en dat er duidelijkheid ontstaat. Gelet op het vorenstaande zal het hof de beschikking van de rechtbank op het punt van het hoofdverblijf van [minderjarige] bekrachtigen.

* de zorgregeling

25. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is naar voren gekomen dat BJZ, sinds de plaatsing bij de vader, een regeling heeft voorgesteld waarbij [minderjarige] eenmaal per maand een weekend bij de moeder zal verblijven, van vrijdagmiddag na school tot zondagmiddag 16.00 uur, waarbij de vader en moeder zelf de overdracht regelen (en eenmaal per maand een weekend bij zijn voormalige pleeggezin). Kort voor de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [minderjarige] op basis van deze regeling een eerste lang weekend bij de moeder verbleven en deze omgang alsmede de overdracht is goed verlopen.

26. Gezien de huidige omstandigheden waarbij [minderjarige] inmiddels bij de vader thuis verblijft en BJZ Overijssel een regeling heeft voorgesteld, acht het hof het niet juist om de vormgeving en invulling van de zorgregeling tussen de moeder en [minderjarige] volledig over te laten aan BJZ Overijssel. Het hof acht het in het belang van ieder van de ouders en van [minderjarige] dat duidelijkheid bestaat over een minimale omgangsregeling. Het hof zal voor de inhoud daarvan aansluiting zoeken bij de huidige door BJZ Overijssel voorgestelde regeling. Het hof acht een verdere uitbreiding van de regeling op dit moment niet in het belang van [minderjarige].

27. Het vorenstaande betekent dat het hof de beslissing van de rechtbank op het punt van de zorgregeling zal vernietigen. Het hof zal alsnog een (minimale) zorgregeling vaststellen op grond waarvan [minderjarige] eenmaal per maand een weekend bij de moeder zal verblijven en wel van vrijdagmiddag na school tot zondagmiddag 16.00 uur. Het hof gaat er van uit dat BJZ (met de ouders) zal werken aan uitbreiding van deze regeling indien en voor zover dit in het belang van [minderjarige] zal blijken te zijn.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor zover daarbij het hoofdverblijf van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] in de gemeente [X], bij de vader is bepaald;

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover de invulling van de zorgregeling is overgelaten aan de gezinsvoogdij-instelling;

en in zoverre opnieuw beslissende:

bepaalt in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [minderjarige] dat [minderjarige] eenmaal per maand, van vrijdagmiddag na school tot zondagmiddag 16.00 uur bij de moeder zal verblijven, waarbij de ouders het halen en brengen regelen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. I.A. Vermeulen, mr. G. Jonkman en mr. D.J. Buijs en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 15oktober 2013 in bijzijn van de griffier.