Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:7971

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-10-2013
Datum publicatie
25-10-2013
Zaaknummer
BK 13/00020
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLEE:2012:BY6181, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de Inspecteur belanghebbende terecht met ingang van 1 juli 2011 niet meer heeft aangemerkt als een ANBI.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/2332
V-N 2013/59.23.23
FutD 2013-2685
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Leeuwarden

nummer 13/00020

uitspraakdatum: 22 oktober 2013

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 15 november 2012, nummer AWB 12/289, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Oost-Brabant/kantoor ‘s-Hertogenbosch (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

De Inspecteur heeft belanghebbende bij beschikking van 15 augustus 2011 met ingang van 1 juli 2011 niet langer aangemerkt als een het algemeen nut beogende instelling (hierna: ANBI).

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de beschikking gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Leeuwarden (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 15 november 2012, verzonden op 16 november 2012, ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 september 2013 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord W. Nijmeijer als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede [B] namens de Inspecteur, bijgestaan door mr. [C].

1.7

De gemachtigde van belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd.

1.8

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende is, volgens haar statuten van 21 oktober 1982, opgericht op 20 januari 1955 en gevestigd te [L]. Volgens artikel 2 van haar statuten stelt belanghebbende zich ten doel op grondslag van Gods Woord de muziek te beoefenen en bevorderen ter ere Gods. Volgens artikel 3 van de statuten tracht belanghebbende dit doel te bereiken door:

"a. het aankopen van instrumenten en uniformen;

b. het lidmaatschap van een Christelijke Bond van Harmonie, Fanfare en Tamboerkorpsen;

c. het houden van wekelijkse repetities, met uitzondering van de vakantieperiode, onder deskundige leiding;

d. het geven van concerten en uitvoeringen;

e. het verlenen van medewerking en zo mogelijk deelnemen aan concoursen;

f. het opleiden van tot de vereniging toegetreden muziekliefhebbers;

g. alle overige wettige middelen welke het bereiken van het doel kunnen bevorderen."

Volgens artikel 4 van de statuten kent de vereniging leden, ereleden, jeugdleden en donateurs. In artikel 10 staat dat de financiële middelen van belanghebbende worden verkregen uit:

"a. contributies;

b. donaties;

c. subsidies;

d. opbrengsten van uitvoeringen en dergelijke;

e. alle andere inkomsten."

Artikel 13, vierde lid, bepaalt dat bij een besluit tot ontbinding de algemene ledenvergadering tevens de bestemming van de bezittingen vaststelt.

2.2

Op 1 november 2011 heeft belanghebbende artikel 1, artikel 10 en artikel 13, vierde lid, aangepast. Aan artikel 1 heeft belanghebbende onder de onderdelen d en e toegevoegd;

"d. De vereniging wil met haar activiteiten zowel het algemeen en cultureel belang als een ideëel (religieus) belang dienen.

e. De vereniging heeft geen winstoogmerk."

Aan artikel 10 heeft belanghebbende onder andere de leden 2 en 3 toegevoegd:

"2. De vereniging mag geen uitkeringen doen aan leden of aan bestuurders.

3. Kosten die bestuurders in de uitoefening van hun functie maken kunnen door de vereniging worden vergoed.".

Artikel 13, vierde lid, van de statuten behelst de volgende toevoeging:

"Deze bestemming dient één of meerdere instellingen te zijn met een doelstelling, die zoveel mogelijk overeenkomst met de doelstelling van de vereniging en tevens beschikt dan wel beschikken over de fiscale ANBI status, dan wel een daarvoor in de plaats gekomen regeling.".

2.3

In december 2008 heeft belanghebbende een beleidsplan opgesteld. Volgens dit beleidsplan is belanghebbende operationeel in de dorpen [Z] en [M]. Belanghebbendes doelstelling is volgens dit beleidsplan - naast de in de statuten verwoorde doelstelling - nader ook:

"Op een verantwoord niveau, voor een breed publiek toegankelijke, muziek beoefenen en uitvoeren om daarmee een zinvolle vrijetijdsbesteding en muzikale vorming te bieden aan de leden, maar bovenal tot verdieping en verbreiding van het geloof in God en vermaak van de bevolking van voornoemde dorpen alsmede voor iedereen daarbuiten. De voorkeur gaat daarbij uit naar podiumoptredens. Er wordt een geleidelijke, maar gestage niveauverbetering nagestreefd, die voor alle leden bereikbaar is en niet tot overmatige prestatiedruk leidt, wat ten koste zou kunnen gaan van de gemoedelijke cultuur die de vereniging zo kenmerkt en haar al de jaren van haar bestaan zo'n stabiel en evenwichtig karakter heeft gegeven.".

De activiteiten van belanghebbende bestaan volgens het beleidsplan uit:

"- opleiding leerlingen (onder leiding van zelfstandige gekwalificeerde docenten);

- repetities (onder leiding van zelfstandige gekwalificeerde dirigenten en instructeurs);

- geven van uitvoeringen;

- geven van concerten;

- begeleiden kerkdiensten;

- deelname optochten in de beide dorpen (o.a. dorpsfeesten, braderieën, palmpasen, Sinterklaas, 5 mei);

- deelname dodenherdenkingen 4 mei;

- geven van serenades;

- deelname aan concoursen en festivals;

- bieden vermaak aan en vorming van jeugdleden buiten lessen en repetities om.".

2.4

Belanghebbende is niet alleen operationeel in de dorpskernen [Z] en [M] (zoals in haar beleidsplan staat vermeld), maar bedient sinds haar oprichting met haar diensten feitelijk ook de dorpskernen [L], [N], [O] en [P] en eveneens [Q] alsmede de bij alle voornoemde kernen behorende buurtschappen en buitengebieden.

2.5

De plaatsen waarin belanghebbendes leden woonachtig zijn betreffen: de dorpskernen [Z] (44), [L] (14), [M] (36), [P] (3), [Q] (1) en [R] (1), alsmede de steden [S] (9) en [T] (5) met inbegrip van de buurtschappen en buitengebieden van alle voornoemde plaatsen.

2.6

Belanghebbende bestaat uit een fanfareorkest en een slagwerk- of malletensemble. Belanghebbendes repertoire bestaat uit religieuze en klassieke muziek, film- en musicalmuziek, pop- en rockmuziek, marsen en schlagers. Belanghebbende bezoekt elk jaar de lokale basisscholen met een ensemble en houdt met enige regelmaat open repetities. Gedurende circa tien jaar schoolt belanghebbende kinderen en volwassenen met eigen daartoe landelijk erkend gekwalificeerde docenten in muziekbeoefening en het daarbij behorende theoretische kader. Bij belanghebbende kan tot conservatoriumniveau scholing worden genoten. De opleidingen worden, behoudens de contributie voor de vereniging, gratis aangeboden. Er zijn inmiddels meerdere beroepsmusici die hun vooropleiding bij de vereniging hebben genoten.

2.7

Belanghebbende heeft volgens de door haar ter zitting overgelegde Activiteitenlijst 2011 in het jaar 2011 op de hierna vermelde data de volgende activiteiten verricht:

"6 januari Nieuwjaarsbijeenkomst mcl. jubilarissen

20 februari Begeleiden kerkdienst [L]

27 februari Begeleiden kerkdienst [L]

5+6 maart Studieweekend jeugd + afsluitend concert [U]

25 maart Jeugduitvoering

9 april Extra repetitie

12 april Extra repetitie

16 april Benefietconcert ten bate van Stichting [D]

21 april Jaarvergadering+bestuursverkiezing

24 april Jeugdorkestenfestival georganiseerd door de [E]

29 april Serenades ivm Koninklijke onderscheidingen

4 mei Dodenherdenking [Z]

14 mei Stonehillfair — [V]

1 juni Repetitie (ivm Hemelvaartsdag)

3 juni Serenade [F] 25 jaar getrouwd

8 juni [G] concert [W]

9 juni Exercitie repetitie

15 juni Ballonoptocht [M]

17 juni Optocht [M]

2 juli Extra repetitie

5 juli Extra repetitie

9+10 juli Concours [Y]

16 juli Optreden bij [H] / Hof van [M] en aansluiten bij de ijsboerderij

29 juli Begeleiden trouwdienst [I]

31 juli Openluchtdienst [Q]

27 augustus Afscheidsdienst+receptie [J]

2 september Begeleiden trouwdienst [K]

10 september Optocht [Z]

22 september Extra ledenvergadering

2 oktober Begeleiden kerkdienst (malletband) [L]

19 november Intocht Sinterklaas [M]

19 november Serenade [AA] —50 jaar getrouwd

27 november Sing in — [L]

9 december Kerstbazaar [L]

24 december Kerstoptreden jeugd bij [H]

24 december Begeleiden Kerstnachtdienst [BB]"

2.8

De Inspecteur heeft belanghebbende bij beschikking van 27 november 2008 per 1 januari 2008 aangemerkt als een ANBI in de zin van artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001, zoals dat artikel toen luidde.

2.9

Bij beschikking van 15 augustus 2011 heeft de Inspecteur belanghebbende met ingang van 1 juli 2011 niet langer aangemerkt als een ANBI, gelet op de wijziging per 1 januari 2010 van artikel 6.33, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB 2001.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is het antwoord op de vraag of de Inspecteur belanghebbende terecht met ingang van 1 juli 2011 niet meer heeft aangemerkt als een ANBI.

3.2

Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en tot vernietiging van de bestreden beschikking.

3.3

De Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank

3.4

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Belanghebbende heeft ook in hoger beroep betoogd dat haar doelstelling primair levensbeschouwelijk van aard is, aangezien al haar activiteiten ondergeschikt zijn aan het eren van God, zoals is neergelegd in de statuten (zie 2.1 hiervoor). Om die reden meent zij primair ervoor in aanmerking te komen te worden aangemerkt als uitsluitend of nagenoeg uitsluitend een algemeen nut beogende instelling (hierna: de ANBI-status).

4.2

Het Hof volgt belanghebbende niet in haar primaire stelling. De Rechtbank heeft dienaangaande overwogen:

“Naar de rechtbank opmaakt uit de vaststaande feiten, is eiseres een muziekvereniging. Zij stelt zich zowel volgens haar statuten als feitelijk ten doel om de muziek te beoefenen en bevorderen. Gelet op dit doel en mede gelet op haar repertoire (…), kan naar het oordeel van de rechtbank niet gezegd worden dat belanghebbende een religieuze of levensbeschouwelijke instelling is. Dat zij haar doelstelling op de grondslag van Gods Woord en tot eer van God tracht te bereiken, maakt dit oordeel niet anders. De rechtbank verwerpt dan ook belanghebbende' standpunt dat zij als religieuze of levensbeschouwelijke instelling moet worden aangemerkt als een ANBI.”.

4.3

Naar het oordeel van het Hof, heeft de Rechtbank met zijn hiervoor – onder 4.2 – aangehaalde rechtsoverweging op goede gronden een juiste beslissing genomen. Fiscaalrechtelijk is, gelet op de hiervoor – onder 2.1 tot en met 2.7 – weergegeven feiten, de feitelijke doelstelling van belanghebbende het beoefenen en bevorderen van muziek. Hieraan doet niet af dat de vereniging zich statutair ten doel heeft gesteld op grondslag van Gods woord de muziek te beoefenen en te bevorderen ter ere van God. Nu belanghebbende in hoger beroep op dit punt geen nieuwe feiten en omstandigheden naar voren heeft gebracht, noch haar grieven heeft aangevuld, beslist het Hof dienovereenkomstig. Belanghebbendes nadere toelichting in hoger beroep brengt het Hof niet tot een ander oordeel.

4.4

Subsidiair heeft belanghebbende in hoger beroep betoogd dat zij, dienstig aan haar levensbeschouwelijke doelstelling, cultureel van aard en karakter is, en haar de ANBI-status toekomt, aangezien ook het belang van een plaatselijke leefgemeenschap (zoals in casu de eigen leefgemeenschap en ledenkring) een algemeen belang kan zijn en zij in dier voege voldoet aan het criterium dat zij uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemene belang dient.

4.5

Gelet op het bepaalde in artikel 6.33, eerste lid, aanhef en onderdeel b, van de Wet IB 2001 (tekst 2010) wordt - voor zover hier van belang - verstaan onder instellingen: "door de inspecteur als zodanig aangemerkte uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut beogende instellingen (...), indien en zolang zij voldoen aan de door hem te stellen voorwaarden.". De daarin besloten liggende kernvoorwaarde wordt nader uitgewerkt in artikel 41a, lid 1, onderdeel b, van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 2001 (hierna: UR IB 2001). Dit vereiste houdt in, dat uit de regelgeving van de instelling en de feitelijke werkzaamheid blijkt dat de instelling uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemene belang dient.

4.6

Aan de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 41a UR IB 2001 ontleent het Hof het volgende:

“(…) het enige dat hoort te tellen voor het in aanmerking komen van de ANBI-status is of het algemeen nut wordt nagestreefd. Zolang dit algemeen belang voorop staat, doet het plezier van de mensen dat zij beleven bij het nastreven van het algemeen belang, niet af aan de doelstelling van algemeen nut. Maar dat plezier mag, zoals ik in het voorgaande te kennen heb gegeven – overigens geheel in lijn met de jurisprudentie – niet een doel op zichzelf zijn, maar slechts een zijdelings effect.

Bij verenigingen zal het doel van de vereniging doorgaans primair bestaan uit het behartigen van de belangen van de leden. Deze belangenbehartiging is de reden waarom de vereniging is opgericht, de bestaansreden. Juist omdat de regering aan dergelijke verenigingen wel een grote maatschappelijke waarde toekent en zij vanwege het feit dat zij niet primair een algemeen nut dienen maar het particulier belang van de leden, niet in aanmerking komen voor de ANBI status met de bijbehorende fiscale faciliteiten, is een nieuwe categorie in het leven geroepen – de SBBI – die eveneens in aanmerking komt voor de faciliteiten van de schenk- en erfbelasting.

Ook voor de doorsnee muziekvereniging zal gelden dat de behartiging van de persoonlijke belangen van haar leden, bijvoorbeeld door het samen muziek maken, het voorzien in de behoefte aan vrijetijdsbesteding en het bieden van een gezellig verenigingsleven, het primaire doel is. Het maatschappelijk belang van de vereniging voor de gemeenschap is hier een zijdelings effect. Op dat punt wijkt een plaatselijke muziekvereniging of een harmonie niet af van bijvoorbeeld de biljartvereniging of de voetbalclub. Al deze verenigingen vallen onder het SBBI-regime.

Bij bepaalde verenigingen kan dit echter anders liggen. Voorwaarde is dat zij, conform hun dan geldende doelstelling, veelvuldig naar buiten treden, bijvoorbeeld bij regionale en landelijke evenementen, en zich daarbij richten op een publiek buiten hun eigen ledenkring of leefgemeenschap. Bij muziekverenigingen zou het dan kunnen gaan om het geven van concerten. Dan behartigen zij wél een algemeen belang. Die activiteiten geven haar de status van culturele instelling (kwalitatief criterium). Het is voorts afhankelijk van de omstandigheden of de muziekvereniging dan uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemeen nut beoogt (kwantitatief criterium). In gevallen waarin de doelstellingen en de feitelijke activiteiten van de vereniging vrijwel niet gericht zijn op de particuliere belangen van de leden en het verzorgen van optredens bij de eerdergenoemde gelegenheden het belangrijkste doel van de vereniging vormt, en wel zodanig dat sprake is van een culturele instelling, kan deze nog steeds kwalificeren als ANBI.” (Wetsvoorstel 31930, nr. F, Nadere memorie van Antwoord Eerste Kamer).

4.7

Uit de hiervoor geciteerde totstandkomingsgeschiedenis van artikel 41a UR IB 2001 blijkt, naar het oordeel van het Hof, dat een muziekvereniging als de onderhavige een algemeen belang behartigt als zij, overeenkomstig haar statutaire doelstelling, veelvuldig optreedt c.q. concerten geeft en zich daarbij richt op een publiek buiten haar eigen ledenkring of leefgemeenschap. Die activiteiten zouden haar de status van culturele instelling geven (het zogenoemde “kwalitatieve criterium”). Zelfs als het Hof veronderstellenderwijs ervan zou uitgaan dat dat aan het kwalitatieve criterium voldaan is, moet belanghebbende nog voldoen aan het zogenoemde “kwantitatieve criterium”. Dat wil zeggen dat op belanghebbende, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de Inspecteur, de last rust aannemelijk te maken dat zij met haar feitelijke activiteiten uitsluitend of nagenoeg uitsluitend het algemene nut beoogt. Daarin is zij, gelet op de hiervoor - onder 2.1 tot en met 2.7 - weergegeven feiten, naar het oordeel van het Hof, niet geslaagd. Dienaangaande overweegt het Hof nog dat, anders dan belanghebbende in haar pleitnota tijdens de zitting van het Hof heeft betoogd, ook de ledenactiviteiten, zoals de nieuwjaarsbijeenkomst, de ledenvergadering, het brengen van serenades aan jubilarissen, en dergelijke tot de activiteiten van belanghebbende moeten worden gerekend en – als niet gericht op het algemene nut – meetellen voor de vraag of is voldaan aan het “kwantitatieve criterium”.

4.8

Belanghebbende heeft meer subsidiair gesteld dat jegens haar het in rechte te beschermen vertrouwen toekomt dat zij zich kon verlaten op de uitspraken van de staatssecretaris van Financiën naar aanleiding van vragen van de Tweede Kamerleden Omtzigt en Van de Werf:

"Vraag 2 Herinnert u zich de toezegging van uw ambtsvoorganger dat een muziekvereniging die buiten de eigen ledenkring veel naar buiten treedt, naar alle waarschijnlijkheid kwalificeert als ANBI (debat in de Eerste Kamer op 15 december 2009)?

Antwoord 2 In dat debat werd gerefereerd aan een passage uit de nadere memorie van antwoord op het wetsvoorstel tot wijziging van de Successiewet 1956 en enige andere belastingwetten. Bij die wetswijziging is het voordien geldende, in de jurisprudentie ontwikkelde criterium dat een instelling voor ten minste 50% het algemeen nut moet beogen, vervangen door het criterium dat een instelling (nagenoeg) uitsluitend, dat wil zeggen voor ten minste 90%, het algemeen nut moet beogen om als ANBI aangemerkt te worden. In de passage is ook verwoord dat bij doorsnee (muziek)verenigingen de behartiging van de persoonlijke belangen van de leden (particuliere belangen) het primaire doel is. Dergelijke verenigingen zullen daarom met ingang van 2010 niet als ANBI kwalificeren. Wel zullen dergelijke verenigingen in de regel een sociaal belang behartigende instelling (SBBI) zijn.

Voor bepaalde (muziek)verenigingen is aangegeven dat zij voor de ANBI-status in aanmerking kunnen komen. Een muziekvereniging waarvan de doelstelling en de feitelijke activiteiten (vrijwel) niet gericht zijn op de particuliere belangen van de leden en die uitsluitend of nagenoeg uitsluitend (ten minste 90%) het algemene belang beoogt, kan worden aangemerkt als (culturele) ANBI, uiteraard onder de voorwaarde dat zij ook aan de overige voorwaarden voldoet. De uitspraak van mijn ambtsvoorganger is wetsuitleg conform de tekst en de bedoeling van de wettelijke bepalingen en geen toezegging om voor muziekverenigingen van die wetsuitleg af te wijken. (…)

Vraag 8 Bent u bereid om het kader, dat bijvoorbeeld gepubliceerd is op www.knfm.nl , met 12 omstandigheden als leidend te zien bij de toekenning bij de ANBI-status en alle beslissingen over het intrekken van de ANBI-status onmiddellijk terug te draaien

Antwoord 8 Zoals op genoemde website is vermeld staat de Belastingdienst welwillend tegenover het gebruik van de 12 omstandigheden uit de zogenoemde omstandighedencatalogus. Deze vormen een belangrijke indicatie voor de vraag of een muziekvereniging als ANBI kan worden aangemerkt. Bij de feitelijke beoordeling of een muziekvereniging (nagenoeg) geheel het algemeen nut beoogt, weegt de Belastingdienst de verschillende omstandigheden mee. De mate waarin een muziekvereniging zich manifesteert buiten de eigen leefgemeenschap en ledenkring weegt hierbij zwaar ." (Kamervragen met antwoord 2010-2011, nr. 3653, Tweede Kamer).

4.9

Nog daargelaten dat het Hof niet vermag in te zien dat de aangehaalde passage een rechtens relevante toezegging inhoudt, zijn de bedoelde uitspraken van de staatssecretaris door deze gedaan in zijn hoedanigheid van (mede)wetgever en derhalve niet als bestuursorgaan, zodat reeds daarom belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur faalt.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van der Wal, voorzitter, mr. G.J. van Leijenhorst en mr. R.F.C. Spek, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.

De beslissing is op 22 oktober 2013 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(K. de Jong-Braaksma)

(P. van der Wal)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 23 oktober 2013

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.