Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:7955

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-10-2013
Datum publicatie
24-10-2013
Zaaknummer
200.113.242-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overgangsrecht Vierde tranche Awb. CAK vordert betaling van X van eigen bijdragen op grond van eerst de AWBZ en later de WMO met betrekking tot door een zorgaanbieder verleende hulp in de huishouding. De beschikkingen waarbij de maximaal verschuldigde eigen bijdragen over de jaren 2006, 2007 en 2008 zijn vastgesteld kan CAK niet overleggen, waardoor de juridische basis aan haar vordering ontbreekt. Met betrekking tot 2005 en 2009 heeft CAK wel zodanige beschikkingen kunnen overleggen, welke beschikkingen formele rechtskracht hebben gekregen. Vordering in zoverre wel toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.113.242/01

(zaaknummer rechtbank Zwolle-Lelystad 186351/ HZ ZA 11-701)

arrest van de eerste kamer van 22 oktober 2013

in de zaak van

Centraal Administratiekantoor Bijzondere Zorgkosten (CAK BZ) B.V.,

gevestigd te 's-Gravenhage,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: CAK,

advocaat: mr. R.C.H. Bruinier, kantoorhoudend te Ede,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. M.A. Knobben, kantoorhoudend te Deventer.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 13 november 2012 hier over.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Ingevolge het vermelde tussenarrest heeft op 6 december 2012 een comparitie van partijen plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken.

1.2

Daarna heeft CAK een memorie van grieven, tevens houdende akte wijziging van eis, genomen. [geïntimeerde] op zijn beurt heeft een memorie van antwoord genomen.

1.3

Vervolgens zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling

De feiten

2.1.

[geïntimeerde] is gehuwd geweest met [X] (verder [X]) [in 2011]

is [X] overleden. [geïntimeerde] is als erfgenaam rechtsopvolger onder algemene titel van [X].

2.2.

[X] heeft aanvankelijk krachtens de op de AWBZ gebaseerde regeling Zorg zonder verblijf en vanaf 1 januari 2008 op grond van de WMO hulp in de huishouding ontvangen van de zorgaanbieder Carinova.

2.3.

Vanaf 9 januari 2006 tot en met 31 december 2009 heeft CAK facturen gestuurd naar [X] met betrekking tot de op grond van de AWBZ en de WMO ter zake van de ontvangen hulp verschuldigde eigen bijdragen over de periode van 24 januari 2005 tot en met 1 november 2009. Het totaal van deze facturen beloopt een bedrag van € 4.220,64.

2.4.

[X], noch [geïntimeerde] heeft de eigen bijdragen betaald.

Het geschil in eerste aanleg

2.5.

CAK heeft gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 5.778,15 vermeerderd met rente en kosten.

2.6.

De rechtbank heeft de vordering afgewezen en CAK veroordeeld in de kosten van de procedure. Naar het oordeel van de rechtbank hebben de aan de facturen ten grondslag liggende beschikkingen van CAK, waarin de hoogte van de eigen bijdrage voor elk jaar is vastgesteld, geen formele rechtskracht gekregen en staat daarmee de hoogte van de eigen bijdrage en de juistheid van de facturen niet vast.

Wijziging van eis

2.7.

Bij de in de memorie van grieven opgenomen akte houdende wijziging van eis heeft CAK tevens betaling gevorderd van de eigen bijdragen die [geïntimeerde] verschuldigd is op grond van in de periode van 9 februari 2010 tot en met 22 oktober 2012 aan hem toegezonden (credit)facturen.

[geïntimeerde] heeft geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging van CAK. Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Ter zake van de vordering van CAK zal derhalve recht worden gedaan op de gewijzigde eis.

Het CAK

2.8.

Het CAK heeft tot 1 januari 2013 haar werkzaamheden uitgeoefend in de vorm van een besloten vennootschap, een privaatrechtelijke rechtspersoon.

Bij Wet van 7 november 2011 tot wijziging van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) en enkele andere wetten, in verband met de instelling van het zelfstandig bestuursorgaan CAK (Stb. 2011, 561), is in artikel 48 van de AWBZ het zelfstandig bestuursorgaan CAK ingesteld (zie artikel I, onder B, van de Wet van 7 november 2011).

Op grond van artikel 49 van de AWBZ, zoals deze bepaling vanaf 1 januari 2013 luidt, is het CAK is belast met onder meer de vaststelling en de inning van de eigen bijdragen, bedoeld in artikel 6, lid 4, AWBZ en de vaststelling en inning van de eigen bijdragen, bedoeld in artikel 16 van de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO).

2.9.

Krachtens artikel VIII, lid 2, van de Wet van 7 november 2011, treedt in wettelijke procedures en rechtsgedingen, waarbij de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CAK is betrokken, met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze wet (1 januari 2013) het CAK, genoemd in artikel 48, lid 1, AWBZ in de plaats van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CAK, voor zover het de uitvoering van de in artikel 49 van die wet genoemde taken betreft.

2.10.

Nu het vorderingen betreft van de besloten vennootschap CAK op [geïntimeerde] tot betaling van eigen bijdragen op grond van de AWBZ en de WMO is het zelfstandig bestuursorgaan CAK ter zake van deze vorderingen in de plaats getreden van de besloten vennootschap.

2.11.

Gelet op de hiervoor beschreven positie van CAK behoeft grief 1 geen bespreking meer en zal het zelfstandig bestuursorgaan CAK (ook aan te duiden als CAK) verder als partij bij dit geding worden aangemerkt.

Het van toepassing zijnde recht

2.12.

Op 1 juli 2009 is de vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) inzake bestuurlijke geldschulden in werking is getreden. Vanaf die datum is de bestuursrechter bevoegd kennis te nemen van geschillen ter zake van de terugvordering van bestuurlijke geldschulden. Op grond van artikel III, lid 1, Vierde tranche Awb, blijft op een verplichting tot betaling van een geldsom aan een bestuursorgaan die is vastgesteld of ontstaan voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, evenwel het recht zoals dat gold voor 1 juli 2009 van toepassing.

2.13.

Het vorenstaande betekent dat CAK niet-ontvankelijk is in haar vordering voor zover de facturen betrekking hebben op na 1 juli 2009 verleende hulp in de huishouding.

2.14.

Op grond hiervan kan het bestreden vonnis van 21 maart 2012 in elk geval niet in stand blijven voor zover het gaat om facturen die betrekking hebben op na 1 juli 2009 verleende hulp.

2.15.

Hetgeen hierna zal worden overwogen heeft dan ook uitsluitend betrekking op de facturen die betrekking hebben op tot 1 juli 2009 verleende hulp.

De grieven

2.16.

CAK heeft in grief 2 aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de beschikkingen houdende vaststelling van de hoogte van de eigen bijdrage van [X] geen formele rechtskracht hebben. In grief 3 heeft CAK daar op voortgeborduurd en betwist dat de hoogte van de jaarlijkse eigen bijdrage en de juistheid van de door haar verzonden facturen niet zou vast staan. Het hof zal deze grieven gezamenlijk bespreken.

2.17.

In het kader van de onderhavige procedure heeft CAK beschikkingen tot vaststelling van de maximale eigen bijdragen vastgesteld, die betrekking hebben op:

 de perioden 1 tot en met 7 van het zorgjaar 2005 (beschikking van 25 oktober 2005, productie 2 bij memorie van grieven)

 de perioden 8 tot en met 13 van het zorgjaar 2005 (beschikking van 21 december 2005, productie 1 bij memorie van grieven)

 het zorgjaar 2009 (beschikking van 6 april 2009, productie 3 bij memorie van grieven).

Met betrekking tot de zorgjaren 2006, 2007 en 2008 heeft CAK te kennen gegeven de door haar gewezen beschikkingen ter vaststelling van de maximale eigen bijdragen van [X] niet te kunnen overleggen.

2.18.

Het hof stelt vast dat nu de beschikkingen met betrekking tot de jaren 2006, 2007 en 2008 niet kunnen worden overgelegd, niet kan worden nagegaan of deze beschikkingen ook werkelijk zijn genomen en formele rechtskracht hebben gekregen. Aangezien dit voor rekening komt van CAK moet er voor de beoordeling van dit geschil vanuit worden gegaan dat zij niet bestaan. Daardoor geldt er geen begrenzing ter zake van de over deze jaren in rekening gebrachte eigen bijdragen. Om die reden moet worden geoordeeld dat het de facturen over deze jaren aan een toereikende juridische grondslag ontbreekt. De vordering van CAK dient in zoverre te worden afgewezen. Het bewijsaanbod van CAK zal het hof passeren, omdat het niet is gespecificeerd.

2.19.

Daarentegen heeft CAK de beschikkingen met betrekking tot de zorgjaren 2005 en 2009 wel overgelegd. Daarnaast zijn reeds bij de dagvaarding in eerste aanleg de op deze beschikkingen gebaseerde facturen over de betreffende jaren in het geding gebracht. Op die facturen staan de gegevens vermeld met betrekking tot de werkelijk genoten zorg. [geïntimeerde] heeft aangevoerd dat [X] bedoelde beschikkingen nooit heeft ontvangen en dat zij dan ook geen formele rechtskracht hebben gekregen. De ontvangst van de facturen heeft [geïntimeerde] niet bestreden (zie conclusie van antwoord onder 1.3.)

2.20.

Daargelaten of [X] de hiervoor bedoelde beschikkingen in oktober 2005, respectievelijk december 2005 en april 2009 heeft ontvangen, [geïntimeerde] heeft de beschikkingen in elk geval voorafgaand aan de comparitie na aanbrengen bij het hof op 6 december 2012 ontvangen en daarna nogmaals als bijlage bij de memorie van grieven. Op die momenten heeft hij in elk geval kennis kunnen nemen van de inhoud van de beschikkingen en had hij daar bij CAK bezwaar tegen kunnen maken. In dat bestuursrechtelijke kader was dan ook de vraag aan de orde gekomen of er al dan niet sprake is van een verschoonbare overschrijding van de termijn voor het indienen van bezwaar. Het oordeel van CAK had vervolgens aan de bestuursrechter kunnen worden voorgelegd.

2.21.

Gesteld, noch gebleken is echter dat [geïntimeerde] alsnog bezwaar heeft gemaakt tegen de beschikkingen van 25 oktober 2005, 21 december 2005 en 6 april 2009.

Nu inmiddels de termijn voor het indienen van bezwaar van zes weken vanaf het tijdstip dat [geïntimeerde] in het kader van deze procedure alsnog kennis heeft kunnen nemen van deze beschikkingen ruimschoots is verstreken, moet er vanuit worden gegaan dat deze beschikkingen in rechte onaantastbaar zijn geworden.

2.22.

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan de rechtmatigheid van die beschikkingen in de onderhavige procedure niet meer aan de orde worden gesteld. De leer van de formele rechtskracht staat daar aan in de weg (vgl. HR 5 september 1997, LJN: ZC2418).

2.23.

Voorts zijn ook de diverse facturen over 2005 en 2009 als besluiten aan te merken, waartegen bezwaar en beroep op grond van de Awb open heeft gestaan (vgl. Centrale Raad van Beroep, 12 januari 2010, LJN: BK8934, JB 2010, 93). De door [geïntimeerde] geciteerde passage uit de zojuist vermelde uitspraak van de Centrale Raad van Beroep heeft geen betrekking op het besluitkarakter van de facturen, maar op de vraag of er sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Voor zover [X] facturen niet heeft ontvangen, dan wel het destijds voor haar niet duidelijk is geweest dat daartegen bezwaar op grond van de Awb openstond, geldt ook hier dat in het kader van de onderhavige procedure die stukken door CAK zijn overgelegd en dat in elk geval in de memorie van grieven duidelijk is uiteengezet dat bezwaar kon worden gemaakt tegen die facturen. Het hof stelt vast dat [geïntimeerde] tegen deze facturen evenmin alsnog bezwaar heeft gemaakt. De door [geïntimeerde] overgelegde brieven die door [X] en hem aan CAK zijn verstuurd hebben niet specifiek betrekking op facturen in deze jaren en zijn ook overigens niet voldoende geconcretiseerd om als bezwaar tegen één of meer facturen te kunnen worden aangemerkt. Dat betekent dat ook de facturen over 2005 en 2009 formele rechtskracht hebben gekregen.

2.24.

Nu [geïntimeerde] anderszins geen bezwaren tegen de facturen met betrekking tot de eigen bijdragen voor huishoudelijke hulp over de perioden van 24 januari 2005 tot en met 31 december 2005 en van 1 januari 2009 tot en met 30 juni 2009 naar voren heeft gebracht, dient de vordering van CAK over deze twee perioden te worden toegewezen.

2.25.

Op het jaar 2005 hebben de facturen van 6 januari 2006, 13 februari 2006 en 27 februari 2006 betrekking. Het totaal van deze facturen bedraagt € 604,58 + € 76,60 + € 35,40 = € 716,58.

De facturen van 7 april 2009, 4 mei 2009, 3 juni 2009, 30 juni 2009, 27 juli 2009, 25 augustus 2009 en 14 september 2009 hebben betrekking op de periode 1 januari 2009 tot en met 30 juni 2009, waarbij zij aangetekend dat de factuur van 14 september 2009 voor de helft ziet op de eerste twee weken van juli 2009.

Bij elke factuur is een eigen bijdrage van € 24,60 in rekening gebracht, zodat het totaal 6,5 x € 24,60 = € 159,90 bedraagt.

De vordering van CAK zal dan ook worden toegewezen tot een bedrag van € 716,58 + € 159,90 = € 876,48, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vervaldata van de verschillende facturen tot de dag der algehele voldoening.

2.26.

De vordering van CAK tot vergoeding aan haar van de buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen, nu een aanzienlijk deel van haar vordering wordt afgewezen en de gemaakte buitengerechtelijke kosten daardoor niet langer kunnen worden geacht in redelijkheid te zijn gemaakt.

2.27.

De grieven 2 en 3 slagen ten dele. Grief 4, die is gericht tegen de veroordeling in de kosten van de procedure, heeft geen zelfstandige betekenis en hoeft daarom niet verder te worden besproken.

Slotsom

2.28.

CAK zal niet-ontvankelijk worden verklaard in haar vordering, voor zover het betreft de facturen ter invordering van de eigen bijdragen voor huishoudelijke hulp verleend vanaf 1 juli 2009.

De vordering van CAK zal worden toegewezen voor wat betreft de eigen bijdragen over de periode 24 januari 2005 tot en met 31 december 2005 en de periode van 1 januari 2009 tot en met 30 juni 2009 tot een bedrag van totaal € 876,48, vermeerderd met de wettelijke rente.

De vordering van CAK ter zake van de eigen bijdragen over de jaren 2006, 2007 en 2008 zal worden afgewezen evenals de vordering om [geïntimeerde] te veroordelen tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten.

Ter bevordering van de overzichtelijkheid zal het hof het vonnis van de rechtbank van 21 maart 2012 geheel vernietigen en zelf opnieuw beslissen.

2.28.

Verder zal het hof de kosten van de procedure, zowel in eerste aanleg, als in hoger beroep compenseren, in die zin dat partijen ieder hun eigen kosten dragen, nu partijen over en weer deels in het ongelijk zijn gesteld.

3 De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank van 21 maart 2012, en

opnieuw recht doende:

verklaart CAK niet-ontvankelijk in haar vordering, voor zover het betreft de facturen ter invordering van de eigen bijdragen voor huishoudelijke hulp verleend vanaf 1 juli 2009,

veroordeelt [geïntimeerde] tot betaling aan CAK van een bedrag van € 876,48, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de vervaldata van de verschillende facturen tot de dag der algehele voldoening,

compenseert de kosten van de procedure, zowel in eerste aanleg, als in hoger beroep,

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad voor zover het betreft de vernietiging en de veroordeling tot betaling van een geldsom,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, B.J.H. Hofstee en A.M. Koene en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag

22 oktober 2013.