Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:7951

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-10-2013
Datum publicatie
24-10-2013
Zaaknummer
200.107.706-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering niet verantwoord PGB. Formele rechtskracht, geen klemmende bezwaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.107.706/01

(zaaknummer rechtbank Groningen 125289/ HA ZA 11-258)

arrest van de eerste kamer van 22 oktober 2013

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. P.T. Huisman, kantoorhoudend te Groningen,

tegen

Stichting Zorgkantoor Menzis,

gevestigd te Wageningen,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: Menzis,

advocaat: mr. S. Boot, kantoorhoudend te Enschede.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 24 juli 2012 hier over.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Ter uitvoering van voormeld tussenarrest heeft op 7 augustus 2012 een comparitie van partijen plaatsgevonden.

1.2

Het verdere verloop van de procedure is als volgt:

- de memorie van grieven d.d. 2 april 2013,

- de memorie van antwoord d.d. 14 mei 2013.

1.3

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

1.4

Het petitum van de appeldagvaarding luidt:

(…)bij arrest, bij voorraad uitvoerbaar, de op 1 juni 2011 en 22 februari 2012 door de rechtbank (…) gewezen vonnissen te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, geïntimeerde alsnog in haar inleidende vordering niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel haar vordering af te wijzen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties.

De door [appellant] bij memorie van grieven geformuleerde eis wijkt hiervan in zoverre af, dat deze slechts tegen het eindvonnis van 22 februari 2012 is gericht.

2 De vaststaande feiten

3.1

Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.9) is geen grief ontwikkeld en ook anderszins is niet van bezwaren daartegen gebleken, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.

Deze feiten, aangevuld met feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan, komen op het volgende neer.

3.2

Menzis is op basis van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (ABWZ) aangewezen als zorgkantoor.

3.3

[appellant] heeft in het voorjaar van 2007 enige tijd verbleven in zorgboerderij “De nieuwe stad” te Nieuw Amsterdam.

3.4

Ten behoeve van de verzorging van [appellant] is bij Menzis een aanvraag ingediend voor de toekenning van een persoonsgebonden budget (PGB).

3.5

Bij beschikking van 5 december 2006 is door Menzis een PGB toegekend over de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 maart 2007, ten bedrage van in totaal € 9.245,70, onder de verplichting dat binnen zes weken na het einde van een verantwoordingsperiode aan de zorgverzekeraar verantwoording over de besteding van het PGB wordt afgelegd. In deze beschikking is onder meer vermeld:

(…)

1. Budgethouder

Naam : [appellant]

Adres : [adres]

Woonplaats : [woonplaats]

Geboortedatum : [1988]

BSN :[nummer]

Burgerlijke Staat : Ongehuwd

Geslacht : Man

(…)

5. Bevoorschotting

Het toegekende Pgb wordt in voorschot(ten) uitbetaald op rekeningnummer [nummer] ten name van St.Beh.Drden Gelden (PGB [appellant] te [woonplaats]).

(…)

6. Verantwoording

U ontvangt van het zorgkantoor de verantwoordingsformulieren. Het zorgkantoor controleert of u het Pgb echt heeft besteed aan Pgb-zorg (tijdelijk verblijf, persoonlijke verzorging, verpleging of begeleiding). (…)

Pgb dat niet voor Pgb-zorg is gebruikt, moet u aan het einde van het kalenderjaar weer terugbetalen aan het zorgkantoor. (…)

U moet de volgende verantwoordingsformulieren insturen:

Uiterlijk 11-08-2008 over de periode 01-01-2007 tot en met 29-04-2007.

3.6

In een brief van 16 november 2006 van Zorgmakelaar Nederland aan Zorgkantoor Groningen is vermeld:

Hierbij willen wij u mededelen dat [appellant] toestemming heeft gegeven om zijn budgetbeheer door Zorgmakelaar Nederland te laten verzorgen.

Bijgaand treft u het machtigingsformulier aan waarin staat dat [appellant] toestemming geeft om de correspondentie via Zorgmakelaar Nederland, Postbus 47, 9410 AA te laten lopen. Het budget kan worden gestort op rekeningnummer 3065.99.805 t.n.v. Stichting Beheer Derdengelden te Beilen.

(…)

3.7

Het bij deze brief gevoegde (op de daarvoor bestemde stippellijnen handmatig ingevulde) machtigingsformulier vermeldt:

Hierbij geef ik

Naam : [appellant]

Adres : [adres]

Postcode :[woonplaats]

Woonplaats :

Geboortedatum : [1988]

Sofinummer :[nummer]

toestemming mijn Persoon Gebonden Budget te storten op rekeningnummer 3065. 99. 805 van Stichting Beheer Derdengelden te Beilen.

Daarnaast geef ik toestemming om mijn correspondentie via

Zorgmakelaar Nederland

Postbus 47

9410 AA Beilen

te laten lopen.

Plaats : [woonplaats]

Datum : 20-07-‘88

Handtekening : [appellant]

3.8

Ten behoeve van [appellant] heeft Menzis voorschotten verstrekt op rekeningnummer 30.65.99.805 van de Stichting Beheer Derdengelden over de periode 1 januari 2007 tot en met 30 maart 2007. Over 2007 is ter zake in totaal € 9.314,22 door Menzis betaald, € 68,52 meer dan in gemelde beschikking staat vermeld.

3.9

[appellant] heeft geen verantwoording afgelegd ter zake van de besteding van laatstgemeld PGB.

3.10

Bij beschikking van 18 september 2008 (de eindafrekening), gericht aan [appellant], [adres], heeft Menzis kenbaar gemaakt dat zij het betaalde PGB ten bedrage van € 9.866,24 (opgebouwd uit: het toegekende PGB van € 9.245,70 plus een overheveling van niet gebruikt PGB uit 2006 ad € 620,54) gaat terugvorderen.

3.11

Tegen deze beschikking is geen bezwaar ingesteld of een verzoek om herziening ingediend.

3.12

Zorgmakelaar Nederland is in juli 2009 gefailleerd.

3 De vordering en beoordeling in eerste aanleg

4.1

Menzis heeft in eerste aanleg (terug)betaling van € 9.934,76 (bestaande uit de daadwerkelijk ter zake van 2007 betaalde voorschotten ad € 9.314,22 en het naar 2007 overgehevelde niet gebruikte PGB uit 2006 ad € 620,54) gevorderd, vermeerderd met rente en kosten.

4.2

[appellant] heeft verweer gevoerd.

4.3

Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vordering van Menzis toegewezen, onder overweging dat – kort gezegd – de beschikking van 18 september 2008 formele rechtskracht heeft en dat klemmende bezwaren die maken dat daarop een uitzondering moet worden aanvaard in dit geval ontbreken. Ook de gevorderde rente en buitengerechtelijke kosten acht de rechtbank toewijsbaar.

[appellant] werd veroordeeld tot betaling aan Menzis van € 11.723,76, vermeerderd met wettelijke rente over het nog niet betaalde deel van € 9.934,76 vanaf 14 september 2010 tot de dag van betaling. [appellant] werd daarnaast in de proceskosten verwezen.

4 De grieven en beoordeling in hoger beroep

5.1

Op 1 juli 2009 is de vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) inzake bestuurlijke geldschulden in werking getreden. Vanaf die datum is de bestuursrechter bevoegd kennis te nemen van geschillen ter zake van de terugvordering van bestuurlijke geldschulden. Op grond van artikel III, lid 1, Vierde tranche Awb, blijft op een verplichting tot betaling van een geldsom aan een bestuursorgaan die is vastgesteld of ontstaan voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, evenwel het recht zoals dat gold voor 1 juli 2009 van toepassing.

5.2

Voor zover [appellant] het hoger beroep mede tegen het tussenvonnis van 1 juni 2011 heeft ingesteld (gelet op het hiervoor onder 2.3 gesignaleerde verschil in petita is dat niet helemaal duidelijk; het hof gaat er gemakshalve vanuit), kan hij daarin niet worden ontvangen, nu zijn grieven zich niet tegen dat tussenvonnis richten.

5.3

[appellant] heeft drie grieven tegen het vonnis van 22 februari 2012 ontwikkeld.

Met grief 1 komt [appellant] op tegen het oordeel dat de door hem aangevoerde omstandigheden geen klemmende bezwaren opleveren die een uitzondering op het beginsel van formele rechtskracht rechtvaardigen.

Grief 2 richt zich tegen de overweging dat niet aannemelijk is dat het uitbetaalde PGB [appellant] niet ten goede is gekomen.

Met grief 3 vecht [appellant] de toewijzing van buitengerechtelijke kosten ad € 952,- aan.

5.4

[appellant] heeft aangevoerd dat hij het PGB niet heeft aangevraagd en ook niet heeft ontvangen. De aanvraag heeft geheel buiten hem om en zonder zijn toestemming plaatsgevonden en het door Menzis in het geding gebrachte machtigingsformulier is niet door hem ingevuld en ondertekend, aldus [appellant]. [appellant] stelt minder dan twee weken op de zorgboerderij te hebben verbleven en slachtoffer te zijn geworden van de ondeugdelijke administratie van Zorgmakelaar Nederland.

5.5

Het hof oordeelt als volgt.

Daargelaten of [appellant] voordien weet heeft gehad van de PGB-aanvraag en de toekenning ervan, heeft hij de toekenningsbeschikking en de eindafrekening waar Menzis betaling van vordert in elk geval in maart 2011 als bijlage bij de inleidende dagvaarding van Menzis ontvangen. Gelet op zijn in eerste aanleg gevoerde verweer heeft hij toen ook kennis genomen van de inhoud van die beschikkingen. Op dat moment had hij daar bij Menzis bezwaar tegen kunnen maken. In dat bestuursrechtelijk kader was in dat geval ook de vraag aan de orde gekomen of er al dan niet sprake is van een verschoonbare overschrijding van de termijn voor het indienen van bezwaar. Het oordeel van Menzis had vervolgens aan de bestuursrechter kunnen worden voorgelegd. Bij een gebleken verschoonbare overschrijding had langs die weg ook de besteding van het budget en de vraag of [appellant] ter zake het niet verantwoorden daarvan een verwijt kan worden gemaakt, aan de orde kunnen komen.

5.6

Gesteld noch gebleken is echter dat [appellant] op enig moment alsnog bezwaar heeft gemaakt tegen de beschikking van 18 september 2008.

Nu inmiddels de – in de beschikking expliciet vermelde – termijn voor het indienen van bezwaar van zes weken vanaf het tijdstip dat [appellant] in het kader van deze procedure alsnog kennis heeft kunnen nemen van deze beschikkingen ruimschoots is verstreken, moet er vanuit worden gegaan dat deze eindafrekening rechtens onaantastbaar is geworden.

5.7

Volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad kan de rechtmatigheid van die beschikking in de onderhavige procedure niet meer aan de orde worden gesteld. De leer van de formele rechtskracht staat daar aan in de weg. Volgens deze leer dient de burgerlijke rechter, wanneer tegen een beschikking een met voldoende waarborgen omklede administratiefrechtelijke rechtsgang heeft open gestaan, ervan uit te gaan dat die beschikking zowel wat haar wijze van tot stand komen als wat haar inhoud betreft in overeenstemming is met de desbetreffende wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen. Dit beginsel geldt ook dan, indien dit de burgerlijke rechter ertoe zou nopen aan zijn uitspraak de rechtsgeldigheid ten grondslag te leggen van een beschikking, waarvan als vaststaand mag worden aangenomen dat zij, als daartegen tijdig administratiefrechtelijk beroep zou zijn ingesteld, zou zijn vernietigd. Slechts in zeer bijzondere gevallen, wanneer aan het onverkort vasthouden aan de beschikking door bijkomende omstandigheden zodanig klemmende bezwaren zijn verbonden dat op dat beginsel een uitzondering moet worden aanvaard, kan ervan worden afgeweken. (vgl. HR 16 mei 1986 ECLI:NL:HR:1986: AC9347, 5 september 1997 ECLI:NL:HR:1997: ZC2418).

Een zodanig geval doet zich hier naar het oordeel van het hof evenwel niet voor. Van dergelijke bijkomende omstandigheden is niet gebleken; de bezwaren die [appellant] op dit punt naar voren heeft gebracht komen in feite neer op een protest tegen het beginsel zelf.

Het hof neemt voorts in aanmerking dat het feit dat [appellant] in de betrokken periode daadwerkelijk in de zorgboerderij heeft verbleven en gesteld noch gebleken is dat dit verblijf langs andere weg is vergoed, er op wijst dat het budget aan hem ten goede is gekomen. Verder levert het gegeven dat Zorgverzekeraar Nederland klaarblijkelijk over zijn exacte persoonsgegevens (inclusief burgerservicenummer) kon beschikken een aanwijzing op dat [appellant] wel degelijk bij de gang van zaken betrokken is geweest; de in zijn standpunt besloten liggende stelling dat hij willoos slachtoffer is van andermans onrechtmatig declaratiegedrag is door hem althans onvoldoende onderbouwd.

Gelet op het voorgaande treffen de eerste twee grieven geen doel.

5.8

Ten aanzien van buitengerechtelijke kosten geldt dat deze op de voet van artikel 6:96 lid 2 BW voor vergoeding in aanmerking komen, onder meer als het gaat om redelijke kosten ter verkrijging van voldoening buiten rechte, behoudens ingeval krachtens artikel 241 Rv de regels omtrent proceskosten van toepassing zijn. Hoewel Menzis, anders dan [appellant] meent, de incasso van haar vordering blijkens de gedingstukken wel degelijk aan een deurwaarder uit handen heeft gegeven, heeft zij niet onderbouwd dat kosten zijn gemaakt die betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De kosten waarvan Menzis vergoeding vordert moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskosten een vergoeding plegen in te houden.

Dat betekent dat grief 3 slaagt en dat het in eerste aanleg toegewezen deel van de vordering van Menzis met € 952,- dient te worden verminderd.

5 De slotsom

6.1

De slotsom is dat de grieven ten dele slagen. Het hof zal het vonnis van de rechtbank van 22 februari 2012 gedeeltelijk vernietigen en opnieuw recht doen zoals hierna in het dictum bepaald.

6.2

[appellant] zal, als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij, in de kosten van de procedure in hoger beroep worden veroordeeld (geliquideerd salaris advocaat 1 punt tarief II).

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

verklaart [appellant] in het hoger beroep tegen het tussenvonnis van 1 juni 2011 niet-ontvankelijk,

vernietigt het vonnis van 22 februari 2012 waarvan beroep voor zover [appellant] daarbij werd veroordeeld:

- om aan Menzis te betalen een bedrag van € 11.723,76, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het nog niet betaalde deel van het bedrag van € 9.934,76 vanaf 14 september 2010 tot de dag van volledige betaling,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

- veroordeelt [appellant] om aan Menzis te betalen een bedrag van € 10.771,76, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW over het nog niet betaalde deel van het bedrag van € 9.934,76 vanaf 14 september 2010 tot de dag van volledige betaling,

bekrachtigt het vonnis van 22 februari 2012 voor het overige,

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Menzis vastgesteld op € 894,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 291,- voor verschotten,

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. J.H. Kuiper, mr. B.J.H. Hofstee en mr. A.M. Koene en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 22 oktober 2013.