Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:7929

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-10-2013
Datum publicatie
23-10-2013
Zaaknummer
CR 200.121.344-01 10-10-2013
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ouderschapsonderzoek.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 10 oktober 2013

Zaaknummer 200.121.344/01

HET GERECHTSHOF ARNHEM- LEEUWARDEN

Locatie Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: [appellante],

advocaat mr. E. Leentjes, kantoorhoudende te Groningen,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

advocaat mr. A.S.M. Kunst, kantoorhoudende te Zuidlaren.

Belanghebbende:

mr. P.B. Rietberg,

kantoorhoudende te Groningen,

hierna te noemen: de bijzondere curator.

Het geding in eerste aanleg

Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 6 november 2012 (zaaknummer: 131507/FA RK 12-88) heeft de rechtbank Groningen de vigerende zorg- en contactregeling tussen [kind 1] (hierna te noemen: [kind 1]), geboren [in 2001], en [kind 2] (hierna te noemen: [kind 2]), geboren [in 2003], en [appellante] voor de duur van een jaar geschorst.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 5 februari 2013, heeft [appellante] verzocht de beschikkingen van 24 april 2012 en 6 november 2012 te vernietigen en opnieuw beslissende bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, een voorlopige zorg- en contactregeling vast te stellen tussen [kind 1] en [kind 2] en [appellante] van één weekend per veertien dagen van vrijdag uit school tot maandag-ochtend naar school en de helft van de vakanties, te bepalen dat de ouders zich zullen laten begeleiden door het omgangscentrum te Groningen en dat zij het Ouderschap Na Scheiding (hierna te noemen: ONS)-traject van Elker zullen
volgen en de behandeling van de zaak vervolgens aan te houden voor de duur
van 6 maanden voor het vaststellen van een definitieve zorgverdeling.

Bij akte van uitlating, binnengekomen op de griffie op 28 maart 2013, heeft de bijzondere curator gereageerd op het beroepschrift.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 4 april 2013, heeft [geïntimeerde] het verzoek bestreden en verzocht om de beschikkingen van de rechtbank Groningen van 24 april 2012 en 6 november 2012 te bekrachtigen en het beroep van [appellante] af te wijzen.

Tevens heeft [geïntimeerde] bij voormeld verweerschrift incidenteel beroep ingesteld en daarin verzocht bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de periode van schorsing van de zorg- en contactregeling met [appellante] te bepalen voor onbepaalde tijd, althans te verlengen met een jaar, vanaf de dag van uitspraak van het hof.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 16 mei 2013, heeft [appellante] het verzoek in het incidenteel beroep bestreden.

Op 30 augustus 2013 is de minderjarige [kind 1] gehoord door een raadsheer-commissaris, nadat van haar op 21 augustus 2013 een brief ter griffie van het hof is binnengekomen.

Bij akte van uitlating, binnengekomen op de griffie op 3 september 2013, heeft
de bijzondere curator gereageerd op het verweerschrift tevens incidenteel appelschrift en het verweerschrift in incidenteel appel.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken.

Ter zitting van 9 september 2013 is de zaak behandeld. Verschenen zijn [appellante], bijgestaan door haar advocaat, [geïntimeerde], bijgestaan door haar advocaat, de bijzondere curator en mevrouw [namens de raad] namens de raad.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1.

Partijen hebben een affectieve relatie met elkaar gehad en hebben van 1 juli 1997 tot 1 september 2009 samengewoond. Tijdens deze relatie zijn [kind 1] en [kind 2] geboren. [geïntimeerde] is de biologische moeder van de kinderen.
[appellante] heeft de kinderen kort na hun geboorte geadopteerd en partijen oefenen sedert 19 juni 2003 gezamenlijk het ouderlijk gezag over hen uit. Nadat partijen hun samenleving hebben verbroken hebben de kinderen hun hoofdverblijfplaats bij [geïntimeerde] gekregen.

2.

Bij beschikking van 6 april 2010 heeft de rechtbank Groningen een definitieve zorgregeling vastgesteld, kort gezegd inhoudende dat de kinderen eens per veer-tien dagen van woensdag tot maandag bij [appellante] verblijven, alsmede gedurende de helft van de vakanties en feestdagen. Sinds 1 januari 2012 wordt geen uitvoering meer gegeven aan deze tussen [appellante] en de kinderen vastgestelde zorgregeling.

3.

Op 8 januari 2012 heeft [kind 1] een brief aan de rechtbank Groningen geschreven, welke brief door de rechtbank is opgevat als een verzoek ex artikel 1:377g BW inhoudende wijziging van een zorgregeling. Bij beschikking op grond van artikel 1:377g BW van 24 april 2012 heeft de rechtbank een bijzondere curator ter vertegenwoordiging van [kind 1] en [kind 2] benoemd en heeft zij de Raad voor de Kinderbescherming (hierna te noemen: de raad) verzocht met spoed een onderzoek in te stellen met betrekking tot de zorgregeling tussen [appellante] en de kinderen, alsmede naar de sociaal-emotionele ontwikkeling van de kinderen.

4.

Bij de beschikking van 6 november 2012 heeft de rechtbank beslist als hiervoor vermeld onder het kopje "Het geding in eerste aanleg". Tegen de beslissing van
24 april 2012 alsmede tegen de beslissing van 6 november 2012 van de rechtbank is het hoger beroep van [appellante] gericht.

Procedure artikel 1:377g BW

5.

Op grond van artikel 1:377g BW kan de rechter, indien haar blijkt dat de minderjarige van twaalf jaar of ouder hierop prijs stelt, ambtshalve een beslissing geven op de voet van de artikelen 1:377a of 1:377b, dan wel zodanige beslissing op de voet van artikel 1:377e van dit boek wijzigen. Hetzelfde geldt indien de minderjarige de leeftijd van twaalf jaren nog niet heeft bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.

6.

De kinderrechter heeft [kind 1] op 25 januari 2012 gehoord naar aanleiding van
een op 12 januari 2012 ter griffie van de rechtbank ontvangen brief van 8 januari 2012 van [kind 1]. De kinderrechter heeft de brief van [kind 1] opgevat als een verzoek ex artikel 1:377g BW inhoudende wijziging van een zorgregeling. Het hof is, mede gelet op zijn eigen bevindingen, van oordeel dat er geen aanwijzingen zijn dat het standpunt van de kinderrechter, dat [kind 1], alhoewel zij op het moment van schrijven van haar brief nog geen 12 jaar was, in staat kon worden geacht tot een redelijke waardering van haar belangen, onjuist is. Hetgeen door [appellante] is aangevoerd op dit punt leidt niet tot een ander oordeel.

Horen zonder bijstand van een advocaat

7.

Met betrekking tot de stelling van [appellante] dat de ouders ter zitting van 14 februari 2012 ten onrechte gehoord zijn zonder bijstand van een advocaat merkt het hof op dat uit het proces-verbaal van de hoorzitting met gesloten deuren van 14 februari 2012 blijkt dat [geïntimeerde] en [appellante] er aan het begin van het gesprek met de kinderrechter op zijn gewezen dat indien zij niet zonder advocaat met de kinderrechter willen spreken, zij thans niet gehoord zullen worden.


Nu partijen vervolgens zijn gehoord, gaat het hof er vanuit dat partijen zelf hebben afgezien van bijstand door een advocaat. Mocht de stelling van [appellante] dat dit ten onrechte zou zijn gebeurd al juist zijn overweegt het hof het volgende.

8.

Voor zover [appellante] klaagt over de wijze van totstandkomen van de bestreden beschikking - in het bijzonder over het niet in acht nemen van de beginselen van hoor en wederhoor - heeft [appellante] - daargelaten het antwoord op de vraag of de rechtbank bij de totstandkoming van voornoemde beschikking heeft gehandeld in strijd met voornoemd beginsel - geen belang bij behandeling van de klacht. Immers, [appellante] heeft thans in hoger beroep de zaak in zijn geheel ter beoordeling aan het hof voorgelegd en is in de gelegenheid gesteld haar inhoudelijke bezwaren kenbaar te maken. Voorts strekt de procedure in hoger beroep er mede toe eventuele onvolkomenheden uit de eerste aanleg te verbeteren.

De standpunten van partijen en de bijzondere curator ten aanzien van de schorsing van de zorgregeling

9.

[appellante] voert aan dat uit het raadsrapport blijkt dat het voor [kind 1] en [kind 2] van wezenlijk belang is voor de ontwikkeling van hun identiteit, maar ook voor hun beeldvorming ten aanzien van het aangaan en behouden van relaties, dat zij contact hebben en houden met [appellante]. Uit het raadsrapport blijkt voorts dat er voldoende draagkracht bij de kinderen aanwezig lijkt te zijn om het contact met [appellante] aan te kunnen. Het is volgens [appellante] onbegrijpelijk dat de rechtbank heeft geoordeeld dat de kinderen gebaat zijn bij rust en om die reden de zorgregeling heeft geschorst. Het oordeel van de rechtbank leidt er juist toe dat de verwijdering tussen [appellante] en de kinderen verder wordt ingezet en dat zij dientengevolge klem en verloren raken tussen de ouders. Juist om te voorkomen dat de kinderen geconfronteerd worden met de strijd van hun ouders en in een loyaliteitsconflict geraken, is zowel door de raad als door de bijzondere curator begeleiding van het omgangscentrum en het ONS-traject voorgesteld. Binnen het ONS-traject zouden gesprekken worden gevoerd die bedoeld waren om een constructieve communicatie tussen de ouders te bewerkstelligen.

Dit is volgens de raad van wezenlijk belang om de omgang tussen [appellante] en de kinderen te laten slagen. Ook dit advies heeft de rechtbank naast zich neergelegd, hetgeen onbegrijpelijk is nu de kinderen juist gebaat zijn bij begeleiding van de ouders in hun onderlinge communicatie en de wijze waarop zij met elkaar omgaan. Het is volgens Postmavoorts onbegrijpelijk dat de rechtbank heeft overwogen dat er bij [kind 1] sprake is van een weerzin om naar [appellante] te gaan.
Er is daarnaast geen sprake van een contraproductief effect wanneer omgang tussen [appellante] en de kinderen zal worden hervat. Volgens [appellante] blijkt dit niet
uit de adviezen van de bijzondere curator en de raad. Nergens blijkt van een loyaliteitsprobleem van [kind 2] en [kind 1], zoals door de rechtbank overwogen.
Uit het raadsrapport blijkt dat [appellante] en [geïntimeerde] het eens zijn met het advies van de raad en dat [geïntimeerde] heeft gezegd dat ze de kinderen een goed en prettig contact gunt met [appellante] en dat ze het fijn zou vinden om de verantwoordelijkheid voor de opvoeding weer te delen. In het raadsrapport wordt voorts aangegeven dat [kind 1] en [kind 2] zich leeftijdsadequaat ontwikkelen.
De ontwikkeling van de kinderen verzet zich derhalve niet tegen contact met [appellante].

10.

[appellante] heeft verder nog aangevoerd dat [geïntimeerde] haar aanduidt als niet biologische, sociale ouder en dat zij [appellante] als ouder achterstelt, hetgeen precies het punt is waarbij het in de communicatie tussen partijen en de rolverdeling ten aanzien van de kinderen altijd is misgegaan. [appellante] is van mening dat de weerzin van [geïntimeerde] ten aanzien van een gelijkwaardig ouderschap bij [kind 1] de problemen ten aanzien van omgang met [appellante] heeft veroorzaakt.
Volgens [appellante] voelt [kind 1] zich bij haar niet vrij, omdat ze weet dat [geïntimeerde] haar mist en haar liever bij haar thuis heeft. [kind 2] heeft zelf aangegeven dat ze naar [appellante] wil. Het is volgens [appellante] niet in het belang van de kinderen om het contact van toevalligheden of hun eigen initiatieven af te laten hangen.
De kinderen zijn meer gebaat bij een duidelijke afspraak over de zorgregeling.



Gelet op het feit dat er inmiddels zo'n anderhalf jaar geen omgang is geweest tussen [appellante] en de kinderen, acht [appellante] het het meest in het belang van alle betrokkenen het contact weer op te pakken onder begeleiding van het omgangscentrum. [appellante] is van mening dat het verlengen van de radiostilte alleen maar leidt tot een verdere verwijdering tussen [appellante] en de kinderen, hetgeen niet in hun belang is.

11.

[geïntimeerde] voert aan dat de rechtbank terecht heeft overwogen dat de kinderen op dit moment gebaat zijn bij rust en niet geconfronteerd dienen te worden met de onderlinge strijd tussen partijen, omdat deze hen teveel belast en schadelijk is voor hun ontwikkeling en welzijn. [geïntimeerde] vindt het tevens een juiste beslissing van de rechtbank dat het voorgestelde ONS-traject niet is opgelegd. Partijen hebben al veel mediationprocessen achter de rug, die allemaal zijn mislukt. [geïntimeerde] bespeurt bij [appellante] een constante bewaking van haar positie als niet-biologische ouder. [appellante] voelt zich volgens [geïntimeerde] snel gepasseerd en buitenstaander en werkt in het sociale verkeer constant aan de bevestiging van haar positie als juridische ouder. Deze voortdurende dreiging van [appellante] maakt het leven van de kinderen onveilig en stressvol. Volgens [geïntimeerde] heeft de kinderrechter terecht overwogen dat er een weerzin bij [kind 1] is om naar [appellante] te gaan, hetgeen ook blijkt uit haar brief. [geïntimeerde] heeft altijd gewenst dat de kinderen normale omgang met [appellante] zouden hebben, vandaar dat zij de omgang binnen een week na de scheiding heeft opgestart. Volgens [geïntimeerde] is het misgegaan tussen [appellante] en [kind 1], omdat [kind 1] het gedrag van [appellante] niet accepteert. [kind 1] ervaart bij [appellante] niet de vrijheid om zichzelf te zijn en te zeggen wat zij denkt zonder daar door [appellante] op te worden aangesproken.
[kind 1] ervaart van [appellante] geen respect voor haar persoon, beleving en opvattingen. [kind 2] wil alleen naar [appellante] als [kind 1] ook meegaat. Omdat [kind 1] dat niet wil, is omgang met [kind 2] op dit moment evenmin mogelijk. [kind 2] zal mogelijk in de toekomst uit zichzelf wel naar [appellante] gaan zonder [kind 1]. [geïntimeerde vindt]
dat het aan de kinderen zelf is om aan te geven wanneer zij weer naar [appellante] toe willen. Om de kinderen een echte periode van rust te gunnen vraagt [geïntimeerde] in hoger beroep om de periode van schorsing van de zorgregeling te verlengen.

12.

De bijzondere curator is van mening dat door de beslissing van de rechtbank de kans groot is dat er een nog grotere verwijdering tussen [appellante] en de kinderen ontstaat. Gebleken is dat er bij [kind 1] nog ruimte was om de zorgregeling weer vlot te trekken. Bovendien is er in de beslissing van de rechtbank te weinig rekening gehouden met [kind 2], nu duidelijk is dat [kind 2] wel degelijk mist.
Dat [kind 2] nu niet meer te zien krijgt, terwijl zij wel een duidelijk verlangen heeft naar [appellante], zal zeker een negatieve uitwerking op haar ontwikkeling veroorzaken, aldus de bijzondere curator. Ten onrechte heeft de rechtbank partijen niet verwezen naar het ONS-traject waar een gespannen ex-partnerrelatie kan worden opgelost. De problemen worden niet opgelost door [kind 1] en [kind 2] niet meer naar [appellante] te laten gaan, maar zullen op termijn alleen maar toenemen. Onduidelijk is wat de kinderrechter voor ogen heeft gestaan ten aanzien van de periode na de schorsing. Te verwachten is dat de ouders dan nog steeds niet met elkaar communiceren nu er geen verwijzing naar het ONS-traject heeft plaatsgevonden. De bijzondere curator is van mening dat deze verwijzing alsnog dient plaats te vinden. Het is in het belang van [kind 2] en [kind 1] dat ouders wel weer met elkaar gaan praten onder deskundige begeleiding.
De ouderverstoting die er volgens de bijzondere curator bij [kind 1] plaatsvindt kan door de schorsing van de omgang worden versterkt.

De overwegingen van het hof ten aanzien van de schorsing van de zorgregeling

13.

Uit de aan het hof overgelegde stukken en de behandeling ter zitting is gebleken dat er inmiddels ruim anderhalf jaar geen omgang meer heeft plaatsgevonden tussen de kinderen en [appellante]. Voorts is gebleken dat partijen met elkaar communiceren op het niveau van ex-partners en niet als ouders van [kind 1] en
[kind 2] en daarnaast hun gedragingen niet goed op elkaar kunnen afstemmen.
De wijze waarop partijen met elkaar om gaan lijkt ten koste te gaan van het welzijn van de kinderen. Een en ander lijkt voor een belangrijk deel verband te houden met een gebrek aan vertrouwen en communicatie tussen partijen over en weer.


Het hof is van oordeel dat [kind 1] en [kind 2] er het meest bij gebaat zijn dat de ouders komen tot een heroriëntatie op het ouderschap na scheiding en acht aannemelijk dat deze heroriëntatie door middel van een ouderschapsonderzoek bewerkstelligd kan worden. Het hof zal daarom, mede in aanmerking genomen dat partijen ter zitting van het hof te kennen hebben gegeven daarvoor open te staan, een dergelijk onderzoek gelasten, voordat het hof een definitieve beslissing in deze zaak zal nemen.

14.

Het hof zal voor de duur van de aanhoudingsperiode een voorlopige zorgregeling vaststellen zoals door partijen ter zitting van het hof voorgesteld, inhoudende dat [appellante] één zondagmiddag in de maand van 14.00 uur tot 17.00 uur omgang heeft met [kind 2] bij [appellante] thuis, ingaande op zondag 29 september 2013.
De eerste twee omgangsmomenten zullen worden begeleid door een vertrouwens-persoon voor [kind 2], te weten [vertrouwens-persoon]. Het hof zal, gelet op de huidige situatie tussen [kind 1] en [appellante], tussen hen geen voorlopige zorgregeling vaststellen. Het staat [kind 1] vrij om met [kind 2] mee te gaan op de momenten dat [kind 2] in het kader van de voorlopige zorgregeling omgang met [appellante] zal hebben.
Het hof merkt hierbij nog op dat het de bedoeling is dat [kind 2] in het geval dat [kind 1] afziet van omgang met [appellante], nadat er tweemaal begeleide omgang heeft plaatsgevonden, alleen omgang zal hebben met [appellante] overeenkomstig de voorlopige zorgregeling.

15.

Het hof wijst ieder der partijen op het belang om zich ten volle in te zetten.
In dit verband wijst het hof op het niet-vrijblijvende karakter van dit deskundigen-onderzoek dat zich aldus onderscheidt van hetgeen in het algemeen onder de term ‘mediation naast rechtspraak’ bekend is. Het hof wijst tot slot op het bepaalde in art. 198 lid 3 Rv met toepassing waarvan het het hof vrij staat om aan de houding die een partij tijdens een ouderschapsonderzoek onverhoopt zou innemen, de gevolgen te verbinden die het hof geraden voorkomt.

16.

Namens [geïntimeerde] is ter zitting van het hof voorgesteld dat de ouders zich voor begeleiding en onderzoek zullen aanmelden bij Polyzoom, een praktijk voor Kind, Jeugd en gezin in Eelde / Paterswolde. Het is het hof na eigen onderzoek gebleken dat de door [geïntimeerde] voorgestelde praktijk Polyzoom niet geschikt is om een ouderschapsonderzoek te verrichten. Het hof zal derhalve zelf een deskundige aanwijzen.

17.

Het hof is voornemens als deskundige te benoemen: mevrouw [deskundige], [gegevens deskundige]
Partijen worden in de gelegenheid gesteld zich hierover uit te laten binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking, waarna het hof zal beslissen.

18.

Het hof zal doelmatigheidshalve de vragen die het hof voornemens is aan de deskundige te stellen in deze beschikking opnemen, zodat partijen zich hier eveneens over uit kunnen laten, waarna het hof de vraagstelling zal vaststellen.

19.

Het hof is voornemens te bepalen dat de deskundige bij het uit te voeren onderzoek de volgende vragen betrekt:

a. Hoe is de relatie van de ouders met elkaar, in het bijzonder: is er een patroon in de wijze waarop zij met elkaar omgaan herkenbaar en is deze omgang voor verbetering vatbaar?

b. Hoe is de relatie van de minderjarigen met enerzijds [geïntimeerde] respectievelijk [appellante] individueel en anderzijds beide ouders tezamen (het oudersysteem, met speciale aandacht voor hechting en loyaliteit)?

c. Welke zijn de pedagogische en affectieve mogelijkheden van respectievelijk [geïntimeerde] en [appellante]?

d. Waaraan moet de opvoedingssituatie van de minderjarigen voldoen, gelet op hun individuele behoefte?

e. In hoeverre is ieder van de ouders in staat om bij de uitvoering van een zorgregeling rekening te houden met de behoeften van de minderjarigen?

f. In hoeverre zijn de ouders al dan niet in staat elkaar ruimte te bieden voor omgang met de minderjarigen?

g. Wat betekent dit voor de omgang van de minderjarigen met de ouder die de kinderen niet dagelijks verzorgt?

h. In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar wel van belang zijn met betrekking tot de ontwikkeling en opvoeding van de minderjarigen?

20.

Het hof zal de behandeling van de zaak aanhouden tot een nader te bepalen zitting, teneinde het onderzoek door de deskundige te laten plaatsvinden.
Deze zal de opdracht krijgen onderzoek te verrichten en daarbinnen, zo mogelijk met toepassing van mediationtechnieken, met beide ouders tezamen gesprekken te voeren, met het doel enerzijds het ouderschap na scheiding zodanig vorm te doen geven dat [kind 1] en [kind 2] – gegeven de omstandigheden – zo goed als mogelijk zullen kunnen profiteren van beide ouders en anderzijds het vertrouwen over en weer tussen de ouders in zodanige mate te doen herstellen dat deze zelfstandig tot afspraken kunnen komen omtrent hetgeen hen verdeeld houdt. De deskundige zal voorts dienen te bezien of er ruimte is voor een gesprek tussen [appellante] en [kind 1] waarin de mogelijkheden van het herstellen van het contact tussen hen beiden aan de orde kunnen komen. Het hof zal het aan het oordeel van de deskundige overlaten of de minderjarige [kind 2] in het onderzoek moet worden betrokken.
De deskundige heeft zich bereid verklaard dit onderzoek op zich te nemen.

21.

Bij toepassing van de artikelen 195 en 199 Rv komen de kosten van een deskundigenbericht in dagvaardingsprocedures ten laste van partijen of één van hen. In procedures die worden ingeleid met een verzoekschrift zijn die bepalingen in artikel 284 lid 1 Rv van overeenkomstige toepassing verklaard, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet. Indien het in het belang van het kind nodig is dat een ouderschapsonderzoek plaatsvindt, biedt deze bepaling het hof de ruimte een deskundige aan te wijzen zonder partijen hiervoor een voorschot te vragen en in debet te stellen en zonder partijen uiteindelijk met deze kosten te belasten.
Het hof is van oordeel dat de onderhavige zaak aan dit criterium voldoet en zal derhalve bepalen dat de kosten van het deskundigenonderzoek ten laste van het rijk zullen komen.

Slotsom

22.

Op grond van het vorenstaande zal het hof beslissen als na te melden.

Beslissing

Het gerechtshof:

alvorens nader te beslissen:

stelt partijen in de gelegenheid zich binnen veertien dagen na de datum van deze beschikking uit te laten over de door het hof te benoemen deskundige en de door de deskundige te beantwoorden vragen;

houdt iedere verdere beslissing aan;

stelt voor de duur van de aanhoudingsperiode, zulks in afwachting van de definitieve beslissing, de volgende voorlopige zorgregeling tussen [appellante] en [kind 2] vast: een zondagmiddag in de maand van 14.00 uur tot 17.00 uur bij [appellante] thuis, ingaande op zondag 29 september 2013, waarbij de eerste twee omgangs-momenten zullen worden begeleid door [vertrouwens-persoon];

verklaart deze beschikking wat betreft voormelde (voorlopige) zorgregeling tussen [appellante] en [kind 2] uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.H. Garos, R. Feunekes en
I.A. Vermeulen en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van
10 oktober 2013 in bijzijn van de griffier.