Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:7898

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
22-10-2013
Datum publicatie
14-11-2013
Zaaknummer
200.107.471
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kennelijk onredelijk ontslag. Al of niet bestaande bedrijfseconomische reden en financieel zwakke positie werkgever.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-0930
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.107.471

(zaaknummer rechtbank Utrecht, sector handel en kanton, kantonrechter 766590)

arrest van de derde kamer van 22 oktober 2013

in de zaak van

[appellant 1] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,
hierna: “[appellant 1]”,

advocaat: mr. J. Cortet,

tegen:

1.de vennootschap onder firmade vennootschap onder firma Snackhouse Block, handelend onder de naam Gasterij P.P., gevestigd te Utrecht,

2. [geintimeerde sub 2],
wonende te [woonplaats],
3. [geintimeerde sub 3],
wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,
advocaat: mr. drs. P.T. Nieuwstad.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof verwijst naar zijn in deze zaak gewezen tussenarrest van 25 juni 2013.

1.2

Het verdere verloop blijkt uit:

- de akte overlegging producties van geïntimeerden van 23 juli 2013;

- de antwoordakte uitsluitend inhoudende een reactie op overgelegde producties van [appellant 1] van 6 augustus 2013;

- het proces-verbaal van comparitie van partijen van 19 september 2013, de ten behoeve van die comparitie op 2 september 2013 door mr. Nieuwstad toegezonden producties F tot en met L, alsmede de brief van mr. Nieuwstad van 20 september 2013 en de brief van mr. Cortet van 25 september 2013.

1.3

Partijen hebben ter genoemde comparitie arrest gevraagd.

1.4

Ten slotte heeft het hof arrest bepaald, dat wordt gewezen op het griffiedossier.

2 De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1

Het gaat in deze zaak, kort weergegeven, om het volgende. [appellant 1], geboren op [geboortedatum], is op 6 oktober 1994 bij geïntimeerden in dienst getreden en werkte laatstelijk als kok. In 2003 ontwikkelde hij gezondheidsklachten en vanaf 2005 was hij meermalen ziek. Geïntimeerden hebben [appellant 1] op 20 augustus 2009 op staande voet ontslagen omdat hij van 17 tot 20 augustus 2009 niet op zijn werk was verschenen. Dit ontslag op staande voet hield voor de kantonrechter geen stand: bij vonnis van 16 november 2009 zijn geïntimeerden tot loondoorbetaling aan [appellant 1] veroordeeld. Bij op 23 december 2009 gedateerde aanvraag hebben geïntimeerden aan UWV Werkbedrijf toestemming gevraagd de arbeidsverhouding met [appellant 1] om bedrijfseconomische redenen op te zeggen. Die toestemming is geïntimeerden op 26 februari 2010 verleend, waarna zij [appellant 1] op diezelfde dag ontslag hebben aangezegd tegen 1 juni 2010. [appellant 1] heeft zich vervolgens tot de kantonrechter gewend en een verklaring voor recht gevorderd dat het ontslag kennelijk onredelijk was en voorts gevorderd dat hem een schadevergoeding van € 36.500,- werd toegekend (met nevenvorderingen). Geïntimeerden hebben tegen die vorderingen verweer gevoerd. De kantonrechter heeft bij het bestreden vonnis de vorderingen van [appellant 1] afgewezen en [appellant 1] in de proceskosten veroordeeld.

2.2

De grieven die [appellant 1] aanvoert tegen het bestreden vonnis luiden, dat de kanton-rechter ten onrechte heeft bepaald dat er aan de opzegging van de arbeidsovereenkomst geen valse of voorgewende reden is voorafgegaan (grief I) en dat de kantonrechter ten onrechte heeft bepaald dat er geen sprake is van een pensioenbreuk (grief II). Het hof zal deze grieven achtereenvolgens bespreken.

2.3

Ter toelichting op zijn eerste grief heeft [appellant 1] gesteld dat de aangevoerde bedrijfs-economische reden in werkelijkheid niet bestond. Daarnaast hebben geïntimeerden, aldus [appellant 1], onvoldoende met bewijsstukken onderbouwd dat hun financiële positie dermate slecht was dat zij hem noodgedwongen moesten ontslaan en hem geen vergoeding konden geven.

2.4

Het hof stelt voorop dat de stelplicht en de bewijslast met betrekking tot de kennelijke onredelijkheid van het ontslag op [appellant 1] als eisende partij rusten. Geïntimeerden hebben de jaarstukken van 2008 tot en met 2010 overgelegd, waarmee zij naar het oordeel van het hof hebben voldaan aan hun verplichting [appellant 1] feitelijke aanknopingspunten te verschaffen om zijn stellingen te onderbouwen. De genoemde jaarstukken zijn opgesteld door de vaste boekhouder van geïntimeerden, [naam boekhouder], verbonden aan VNR Advies, en zijn, naar onweersproken is, door de belastingdienst geaccepteerd als grondslag voor de belastingheffing. De concrete vraagpunten die [appellant 1] naar aanleiding van de jaarstukken heeft opgeworpen, zijn door geïntimeerden bij monde van [geintimeerde sub 3] ter comparitie van deugdelijke antwoorden voorzien. In het bijzonder heeft zij toegelicht dat geïntimeerden bij ziekte en in drukke tijden gebruik hebben gemaakt van uitzendkrachten en dat de daarmee gemoeide personeelskosten in de jaarstukken steeds zijn verantwoord onder de post “Overige personeelskosten”. De stelling van [appellant 1] dat geïntimeerden stelselmatig gebruik maakten van zwart personeel heeft hij niet onderbouwd met bijvoorbeeld de namen van deze personen en/of de tijden waarop zij werkzaam zijn geweest, zodat deze stelling onvoldoende is toegelicht. Het hof ziet, gelet op de onvoldoende onderbouwing door [appellant 1] van de inschakeling van zwartwerkers door geïntimeerden, geen aanleiding [appellant 1] op dit onderdeel bewijs op te dragen, waarbij het nog opmerkt dat [appellant 1] in hoger beroep geen bewijs heeft aangeboden.

Het verschil tussen de posten “Personeelskosten” 2009 en “Personeelskosten” 2010 (ongeveer € 60.000,-) acht [appellant 1] erg ongeloofwaardig omdat het aantal personeelsleden gelijk is gebleven. [geintimeerde sub 3] heeft echter onweersproken verklaard dat daarbij moet worden betrokken de uitkering van € 30.000,- door de ziektekostenverzekeraar in de tweede helft van 2010 in verband met ziekte van twee van de vijf werknemers. Deze uitkering verklaart ook waarom er een relatief gering verschil is tussen de personeelskosten van € 66.618,- over de maanden januari-juli 2010 (productie D bij het “verweerschrift” in eerste aanleg) en € 78.903,- over het hele jaar 2010 (pagina 8 productie E van geïntimeerden in hoger beroep).

De ter comparitie door [appellant 1] gemaakte opmerking over een naar zijn mening kennelijk te hoog bedrag aan huisvestingskosten kan buiten bespreking blijven, omdat sprake was van een verwarring tussen enerzijds huur en anderzijds huisvestingslasten, die de huur mede omvatten.

Tot slot zal het hof de opmerkingen van [appellant 1] over mogelijke besparingen op uitgaven in de privésfeer (met name op de “dure auto”) ten gunste van een ontslagvergoeding aan [appellant 1] terzijde laten, omdat [appellant 1] in het geheel niet heeft onderbouwd dat geïntimeerden ten laste van het ondernemingsvermogen buitensporige uitgaven in de privésfeer hebben gedaan.

2.5

Uit de jaarstukken rijst het beeld op van een onderneming die een zwakke eigen vermogenspositie kent en die zware lasten heeft. [appellant 1] heeft aan de hand van de verstrekte cijfers niet aannemelijk kunnen maken, laat staan kunnen bewijzen, dat geïntimeerden de door hen genoemde bedrijfseconomische redenen als een valse of voorgewende reden aan het ontslag ten grondslag hebben gelegd.

Bij die stand van zaken is niet van belang dat geïntimeerden [appellant 1] op 20 augustus 2009 op staande voet hebben ontslagen (welk ontslag geen stand heeft gehouden).

Gezien het voorgaande faalt de eerste grief.

2.6

Bij de tweede grief heeft [appellant 1] geen belang. Een eventuele pensioenbreuk zou alleen een rol spelen bij de bepaling van de omvang van de schadevergoeding als bedoeld in artikel 7:681 lid 1 Burgerlijk Wetboek. Die omvang behoeft echter slechts te worden vastgesteld als van een kennelijk onredelijke opzegging sprake is. Nu de eerste grief faalt is dat niet het geval. Overigens heeft de kantonrechter onbestreden overwogen dat het belang van geïntimeerden bij de opzegging groter is dan de gevolgen daarvan voor [appellant 1] ernstig zijn. Tenslotte merkt het hof op dat de kantonrechter niet heeft overwogen dat sprake is van een pensioenbreuk, zoals [appellant 1] bij grief II heeft aangevoerd, zodat de grief in zoverre op een verkeerde lezing van het vonnis berust.

2.7

Bij het falen van de grieven zal het bestreden vonnis worden bekrachtigd. [appellant 1] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep worden veroordeeld, welke kosten aan de zijde van geïntimeerden zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht € 1.815,-

- salaris advocaat € 2.895,- (2½ punten x tarief III à € 1.158,-)

Totaal € 4.710,-.

2.8

Als niet weersproken zullen ook de nakosten worden toegewezen zoals hierna vermeld.

3 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector handel en kanton, locatie Utrecht) van 14 december 2011;

veroordeelt [appellant 1] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van geïntimeerden vastgesteld op € 1.815,- voor verschotten en op € 2.895,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

veroordeelt [appellant 1] in de nakosten, begroot op € 131,-, met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 68,- in geval [appellant 1] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit arrest (voor zover het de hierin vermelde proceskostenveroordeling betreft) uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.A. Katz-Soeterboek, G.P.M. van den Dungen en

A.A. van Rossum, en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken

op 22 oktober 2013.