Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:7820

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-10-2013
Datum publicatie
02-12-2013
Zaaknummer
200.115.890
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwikkeling huwelijkse voorwaarden; vergoedingsrechten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2014/34.4
PFR-Updates.nl 2013-0226
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

zittingsplaats Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.115.890

(zaaknummers rechtbank Utrecht 297277 en 297281)

beschikking van de familiekamer van 17 oktober 2013

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats],
verzoekster in het principaal hoger beroep,

verweerster in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. M. Vleesch du Bois te De Bilt,

en

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats],

verweerder in het principaal hoger beroep,

verzoeker in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. J. Ran te Utrecht.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikkingen van de rechtbank van 16 november 2011 en 1 augustus 2012, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 30 oktober 2012;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep, ingekomen op 18 december 2012;

- een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep, ingekomen op 12 februari 2013.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 7 mei 2013 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.3

Na de mondelinge behandeling zijn op 6 juni 2013 en 11 juni 2013 journaalberichten ingekomen van de advocaten van beide partijen waarin zij melden dat het partijen niet is gelukt tot overeenstemming te komen, waarvoor de zaak immers was aangehouden. Partijen verzoeken het hof een beschikking te geven.

3 De vaststaande feiten

3.1

Partijen zijn op[datum] 1960 in Duitsland met elkaar gehuwd. De man en de vrouw zijn voorafgaand aan het huwelijk in Duitsland huwelijkse voorwaarden overeengekomen, (Gütertrennung).

3.2

In 1972 heeft de vrouw een perceel grond aan de [adres 1] te [woonplaats] in eigendom verkregen.

3.3

Op 1 augustus 1974 heeft de vrouw de eigendom van de woning aan de[adres 2] te [plaats 1] (hierna: de echtelijke woning) verkregen.

3.4

De man en de vrouw zijn in februari 1991 feitelijk uit elkaar gegaan. De vrouw woont sindsdien alleen in de echtelijke woning. De man woont sindsdien samen met een andere vrouw, met wie hij op [datum] 2012 is gehuwd.

3.5

De man heeft bij verzoekschrift van 22 november 2010 een verzoek tot echtscheiding ingediend. Het huwelijk van de man en de vrouw is op 26 januari 2012 ontbonden door

echtscheiding.

3.6

De vrouw heeft thans de Nederlandse nationaliteit en de Duitse nationaliteit en de man heeft de Nederlandse nationaliteit.

4 De omvang van het geschil

4.1

Gelet op artikel 4 lid 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is de Nederlandse rechter bevoegd is om van het geschil tussen partijen kennis te nemen. Tussen partijen is niet in geschil dat op de afwikkeling van de financiële gevolgen van de ontbinding van het huwelijk van partijen op grond van de artikelen 5 en 10 van het Haags huwelijksvermogensverdrag 1905 Nederlands recht van toepassing is.

4.2

Tussen partijen staat vast dat bij die afwikkeling als peildatum dient te gelden 16 november 2011, zijnde de datum waarop de echtscheiding tussen partijen is uitgesproken.

4.3

De vrouw is met zes grieven in principaal hoger beroep gekomen. Grieven I tot en met V zien op de voormalig echtelijke woning en diverse bankrekeningen en grief VI ziet op de te verrekenen waarde van de auto van de vrouw (de Honda).

4.4

De man is met twee grieven in incidenteel hoger beroep gekomen. Deze grieven zien op de wijze van afrekenen van de financiële gevolgen van de ontbinding van het huwelijk van partijen en op de vraag welk huwelijksvermogensregime van toepassing is.

4.5

Bij verweerschrift in incidenteel appel tevens vermeerdering van grieven heeft de vrouw aangevoerd dat in de verrekening tevens dient te worden betrokken een perceel grond te [plaats 2]. In eerste aanleg is dit perceel niet bij die verrekening betrokken. Het hof verstaat deze grief als een voorwaardelijke grief, namelijk in geval het hof oordeelt dat partijen moeten afrekenen als ware zij gehuwd in gemeenschap van goederen.

de voormalig echtelijke woning

4.6

Het hof stelt het volgende voorop. Tot de inwerkingtreding van het huidige artikel 1:87 Burgerlijk Wetboek (BW) op 1 januari 2012 konden tussen echtgenoten die bij hun huwelijkse voorwaarden elke gemeenschap van goederen hebben uitgesloten vergoedingsrechten ontstaan analoog aan de artikelen 1:95 lid 2 BW, 1:96 lid 2 BW en 1:127 BW doordat goederen die gedurende het huwelijk op naam van de een zijn verkregen, geheel of ten dele met geld van de ander zijn gefinancierd. Zodanige rechten strekken in beginsel tot vergoeding van een gelijk bedrag als destijds door de andere echtgenoot is verschaft, zonder verrekening van rente en zonder verrekening van waardewijzigingen die deze goederen hebben ondergaan, dit laatste behoudens de eventuele werking van de eisen van de goede trouw. In het bijzonder kan een uitzondering op haar plaats zijn in een geval waarin de betreffende gelden zijn gebruikt voor de aankoop van de echtelijke woning en vervolgens door ten tijde van die aankoop niet voorziene omstandigheden, zoals de ontwikkeling van de Nederlandse onroerend goed-markt sedert die aankoop, een zo aanzienlijke waardevermeerdering van die woning heeft plaatsgevonden dat bij gebreke van enige correctie het gevolg daarvan zou zijn dat bij het uiteengaan van partijen als gevolg van echtscheiding het evenwicht tussen de vordering van de ene partij tot terugbetaling van de destijds verschafte, nadien in koopkracht verminderde geldsom en het uitzonderlijk gunstige resultaat van de belegging daarvan, dat aan de andere partij ten goede komt, geheel zou zijn verbroken. Daarbij zal het aankomen op de vraag of de betreffende onvoorziene omstandigheden van dien aard zijn dat de echtgenoot op wiens naam het huis staat, naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet mag verwachten dat hij met enkele teruggave van de het destijds ter beschikking gestelde bedrag zonder enige verrekening van de waardevermeerdering van de woning kan volstaan.

4.7

Het hof overweegt voorts als volgt. In 1972 heeft de vrouw een perceel grond aan de [adres 1] te [woonplaats] in eigendom verkregen. Vast staat dat de aankoopsom van dit perceel ƒ 80.000,- bedroeg en dat deze aankoopsom is gefinancierd met ƒ 45.000,- afkomstig uit een door partijen afgesloten hypothecaire geldlening en, zoals de vrouw onbetwist aanvoert, met ƒ 40.000,- afkomstig van de man. De investering van de man in dit perceel grond is 47% (ƒ 40.000,- / ƒ 85.000,-) van het geheel, te vermeerderen met de hypothecaire aflossingen ten bedrage van 4% van de hoofdsom (productie 11 bij de akte na afsplitsing van de vrouw, productie 20) tot de verkoop in 1978. De vrouw heeft niet weersproken dat zij in deze periode geen inkomen had, zodat geconcludeerd kan worden dat deze reguliere aflossingen door de man zijn betaald. Dat de per datum verkoop resterende hypotheekschuld ook is afgelost met gelden van de man is, nu de vrouw dat gemotiveerd heeft betwist, niet vast komen te staan.

In 1974 heeft de vrouw de echtelijke woning aan de[adres 2] te [woonplaats] gekocht en geleverd gekregen. De aankoopsom van de echtelijke woning bedroeg ƒ 160.000,- en deze is gefinancierd met een door partijen afgesloten hypothecaire lening van ƒ 160.000,-. Blijkens de notariële afrekening van 1 augustus 1974 waren er bijkomende kosten van in totaal ƒ 12.517,25. De vrouw heeft gesteld dat de man dit bedrag heeft betaald bij de aanschaf van de echtelijke woning. De totale kosten die met de aankoop van de echtelijke woning waren gemoeid waren ƒ 172.517,25.

Vervolgens is in 1978 het perceel aan de [adres 1] verkocht voor ƒ 400.000,-. De vrouw stelt onbetwist dat deze opbrengst van ƒ 400.000,- is aangewend voor de betalingen van hypotheekrente en aflossing van de hypothecaire schulden verbonden aan de echtelijke woning en het perceel grond aan de [adres 1].

De WOZ-waarde van de echtelijke woning aan de[adres 2] te [woonplaats] was begin 2009 € 623.000,-.

4.8

Naar het oordeel van het hof mag van de vrouw worden verwacht dat zij niet enkel volstaat met terugbetaling van het door de man ter beschikking gestelde bedrag zonder enige verrekening van de waardevermeerdering van de echtelijke woning. Het hof sluit zich in zoverre aan bij hetgeen de rechtbank in de bestreden beschikking onder 3.5 heeft overwogen. Uit het voorgaande volgt dat de betreffende gelden van de man zijn gebruikt voor de aankoop van aanvankelijk een perceel grond, dat binnen een periode van 6 jaar ƒ 315.000,- in waarde is gestegen, welk bedrag vervolgens is geïnvesteerd in de echtelijke woning, die vervolgens door ten tijde van die aankoop niet voorziene omstandigheden, zoals de ontwikkeling van de Nederlandse onroerend goed-markt sedert die aankoop, eveneens aanzienlijk in waarde is gestegen. Bij gebreke van enige correctie zou het gevolg daarvan zijn dat bij het uiteengaan van partijen als gevolg van echtscheiding het evenwicht tussen de vordering van de man tot terugbetaling van de destijds verschafte, nadien in koopkracht verminderde geldsom en het uitzonderlijk gunstige resultaat van de belegging daarvan, dat aan de vrouw ten goede komt, geheel zou zijn verbroken. Gelet op het door de man geïnvesteerde bedrag in het perceel grond aan de Haydlaan te [woonplaats], zijnde 51% van de totale aankoopsom, en de investering in de echtelijke woning oordeelt het hof dat de toepasselijkheid van de tussen partijen overeengekomen (vergelijkbare) uitsluiting van elke huwelijksgoederengemeenschap in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dit betekent dat de vrouw de helft van de waarde van de echtelijke woning (naar taxatie van 16 november 2011) aan de man moet voldoen. De grieven I tot en met V van de vrouw falen in zoverre.

4.9

Het beroep op rechtsverwerking aan de zijde van de vrouw slaagt niet. De door de vrouw aangevoerde feiten en omstandigheden (appelrekest sub 4.1) vormen daartoe onvoldoende grondslag. Het (enkele) feit dat de man meer dan 20 jaar geleden de woning heeft verlaten en in die periode nimmer aanspraak heeft gemaakt op verrekening van de (over)waarde, is onvoldoende om daaraan het (gerechtvaardigd) vertrouwen te ontlenen dat de man nimmer aanspraak op verrekening zou maken. Partijen waren immers in die periode ook nog gehuwd, waardoor een debat over verrekening nog niet gevoerd hoefde te worden. Voor het aannemen van rechtsverwerking is enkel tijdsverloop of stilzitten immers onvoldoende. Vereist is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan bij de vrouw het vertrouwen is gewekt dat de man zijn aanspraak niet (meer) geldend zou maken, hetzij de vrouw in haar positie onredelijk zou worden benadeeld ingeval de man zijn aanspraak alsnog geldend zou maken. De vrouw stelt dat zij gezien haar leeftijd van thans 81 jaar, haar gezondheidssituatie, het feit dat zij alleenstaand is en geen mogelijkheden heeft de man te betalen, de woning zal moeten verkopen en zal moeten verhuizen. De man heeft deze stelling (verweerschrift sub 12) in zoverre betwist, namelijk dat de vrouw niet onverzorgd achterblijft, omdat zij naast een AOW uitkering ook inkomsten uit pensioen geniet van in totaal € 3.200,- bruto per maand. Ter mondelinge behandeling bij het hof heeft de vrouw deze stelling niet (gemotiveerd) bestreden. Al met al oordeelt het hof de door de vrouw aangevoerde feiten en omstandigheden van te weinig gewicht om een beroep op rechtsverwerking te honoreren.

4.10

De vrouw doet voorts een beroep op artikel 1:140 lid 1 BW. Het hof oordeelt hierover als volgt. Afdeling 2 van titel 8 van Boek 1 van het BW is in beginsel niet van toepassing op vergoedingsverplichtingen die op grond van onder meer artikel 1:87 lid 2 BW zijn ontstaan. Echter, in het kader van een echtscheidingsprocedure kan de betalingsregeling op grond van artikel 1:140 lid 1 BW als nevenvoorziening worden gevraagd (artikel 827 lid 1 sub b Wetboek van Rechtsvordering). Een nevenvoorziening kan voor het eerst in hoger beroep worden gevraagd. Bij het verzoek tot bepalen van een betalingsregeling is van belang of sprake is van gewichtige redenen. Bij de uitoefening van de discretionaire bevoegdheid let de rechter op de belangen van partijen. Gelet op enerzijds het belang van de man dat er na al die jaren betaling door vrouw zal (moeten) plaatsvinden en anderzijds het belang van de vrouw om haar financiële positie met die verplichting tot terugbetaling in orde te brengen, ziet het hof aanleiding te bepalen dat de vrouw het aan de man verschuldigde bedrag in drie termijnen van een jaar betaalt.

diverse bankrekeningen

4.11

Gebleken is dat partijen diverse bankrekeningen hebben. Allereerst is er de en/of rekening bij ABN AMRO met rekeningnummer [nummer 1]. Onbetwist is dat de man van deze bankrekening geen gebruik maakt, zodat deze bankrekening aan de vrouw toebehoort en zij van het saldo per peildatum niets hoeft te verrekenen met de man. Voorts zijn er twee en/of bankrekeningen met nummer [nummer 2] (ING) en [nummer 3] (ABN AMRO) die partijen gezamenlijk in gebruik hadden. Partijen dienen het saldo op deze bankrekeningen per peildatum te verdelen, aldus dat ieder der partijen de helft van dat saldo toekomt. Ten slotte is gebleken dat de vrouw een bankrekening heeft met nummer [nummer 4] (ABN AMRO) en de man twee bankrekeningen had met de nummers [nummer 5] (ABN AMRO) en [nummer 6] (ING) en dat deze bankrekening conform de tenaamstelling door partijen in privé werden gebruikt. Gelet op verdeling van de saldi per peildatum is niet relevant dat de man nadien gelden van de rekeningen met nummer [nummer 2] en [nummer 3] heeft opgenomen.

de Honda

4.12

Gebleken is dat de vrouw op 18 augustus 2011 een auto van het merk Honda heeft aangeschaft. De aanschafprijs van deze auto bedroeg € 19.000,-. Gebleken is dat de vrouw dit bedrag heeft onttrokken aan de bankrekening met nummer [nummer 2]. Deze bankrekening is een en/of rekening van partijen. In hoger beroep maakt de vrouw geen bezwaar tegen verrekening van de waarde van de Honda op zich, maar tegen de hoogte van het bedrag. De vrouw stelt dat de auto op de peildatum al tweedehands was en 20% minder waard was. De man heeft dit niet weersproken zodat het hof zal uitgaan van het door de vrouw genoemde bedrag van € 15.200,-. Het hof zal het verzoek van de man tot verrekening ter zake de Honda dan ook toewijzen tot een bedrag van € 7.600.-.

4.13

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven I tot en met IV in het principaal hoger beroep en slaagt grief V in het principaal hoger beroep. Grief 1 in het incidenteel hoger beroep faalt en grief 2 in het incidenteel hoger beroep slaagt.

Het hof zal daarom beslissen als volgt.

5 De beslissing

Het hof, beschikkende in het principaal en het incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Utrecht van 1 augustus 2012, ten aanzien van de banksaldi en de Honda en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat partijen de saldi van de bankrekeningen met nummer [nummer 2] (ING) en [nummer 3] (ABN AMRO) per peildatum van 16 november 2011 met elkaar moeten verrekenen aldus dat ieder de helft van die saldi toekomt;

wijst het verzoek van de man tot vergoeding van de helft van de waarde van de Honda toe tot een bedrag van € 7.600;

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Utrecht van 1 augustus 2012 voor zover daarbij is bepaald dat de vrouw aan de man de helft van de vrije verkoopwaarde per 16 november 2011 van de woning aan de[adres 2] te [woonplaats] aan de man moet vergoeden;

bepaalt dat de vrouw hetgeen zij aan de man dient te vergoeden mag voldoen in drie gelijke jaarlijkse opeenvolgende termijnen, waarvan de eerste vervalt op 1 januari 2014;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. M.H.H.A. Moes, R.A. Dozy en A.J.H. Blaisse-Ozinga, bijgestaan door mr. H. van Waterschoot als griffier, en is op 17 oktober 2013 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.