Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:7789

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-10-2013
Datum publicatie
18-10-2013
Zaaknummer
KS 21-005329-13 17-10-13
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gevangenisstraf van 7 jaren opgelegd ter zake van poging tot doodslag en zware mishandeling.

Verdachte heeft zich op zeer gewelddadige wijze schuldig gemaakt aan ernstige geweldsdelicten. Aangeefster is daardoor in levensgevaar geweest en is als gevolg van het handelen van verdachte zwaar gewond geraakt.

Het hof acht het buitengewoon ernstig dat deze geweldsdelicten zijn gepleegd tegen een medewerkster van een Penitentiaire Inrichting, die aldaar in het kader van haar functie als gevangenbewaarder werkzaamheden verrichtte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-005329-13

Uitspraak d.d.: 17 oktober 2013

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Nederland van 21 mei 2013 met parketnummer 19-830304-12 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [1967],

thans verblijvende in PI Rijnmond, HvB De Schie, Rotterdam te Rotterdam.

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 16 juli 2013, 3 oktober 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de eerste rechter zal bevestigen. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. A.M. Seebregts, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Bij de behandeling van de zaak ter zitting van het hof heeft zich een andere raadsman voor verdachte gesteld. Deze raadsman heeft deels een andere verdediging gevoerd.

Het hof zal daarom het vonnis waarvan beroep om proceseconomische redenen vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is -na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg- tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 4 november 2012, te [plaats], althans in de gemeente [gemeente], in de Penitentiaire Inrichting [inrichting], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een (vrouwelijke) medewerker van P.I. [inrichting], welke medewerker bekend is onder nummer [nummer], van het leven te beroven, met dat opzet die medewerker meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd heeft geschopt/getrapt en/of genoemde medewerker, die zich toen aldaar met verdachte bevond op de ring van de 2e etage van die Penitentiaire Inrichting, op een hoogte van ongeveer 8 meter van de vloer van de begane grond, naar de reling heeft gedragen/gebracht en/of heeft getracht genoemde medewerker over de reling te duwen, althans te laten vallen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, terwijl nog geen vijf jaren zijn verstreken sedert een veroordeling van verdachte wegens een soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

en/of

hij op of omstreeks 4 november 2012, te [plaats], althans in de gemeente [gemeente] aan een (vrouwelijke) medewerker van de Penitentiaire Inrichting [inrichting], welke medewerker bekend is onder nummer [nummer] en/of welke medewerker toen aldaar werkzaam was in de rechtmatige uitoefening van haar beroep en/of bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (vier, althans een aantal gebroken ribben en/of een breuk in de rechter elleboog en/of een hersenkneuzing), heeft toegebracht, door genoemde medewerker opzettelijk meermalen, althans eenmaal, tegen het hoofd en/of het lichaam te schoppen/trappen en/of te slaan/stompen, terwijl nog geen vijf jaren zijn verstreken sedert een veroordeling van verdachte wegens een soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Opzet

Namens verdachte is aangevoerd dat verdachte niet opzettelijk heeft geprobeerd om aangeefster over de reling te gooien. Verdachte zelf zegt geen enkele herinnering meer te hebben van het door hem uitgeoefende geweld jegens aangeefster.

Het hof stelt op grond van het dossier en het verhandelde ter zitting de volgende feitelijke gang van zaken vast.

Uit de aangifte en de verklaring van getuige [getuige] blijkt, samengevat, onder meer dat verdachte aangeefster een harde duw gaf waardoor zij achterover viel en met haar hoofd de grond raakte. Vervolgens heeft verdachte aangeefster meermalen met volle kracht tegen het hoofd geschopt en met zijn vuist in het gezicht gestompt. Verdachte heeft aangeefster opgetild, met zijn armen onder de bovenrug en in de knieholte van aangeefster, en haar naar de rand van de reling gebracht.

Aangeefster heeft zich vastgepakt aan de reling. Op het moment dat verdachte aangeefster over de reling wilde laten vallen is getuige [getuige] er naar toe gerend en heeft de benen van aangeefster gepakt. Verdachte liet aangeefster vervolgens los waarna zij op de grond viel.

Uit het proces-verbaal van een op 7 maart 2013 door de rechter-commissaris gehouden schouw in P.I. de [inrichting] te Hoogeveen blijkt dat de hoogte van de bovenkant van de reling op afdeling 7.2 tot de betonnen vloer op de begane grond 6.85 meter bedraagt.

Verdachte heeft nadat aangeefster weer op de grond lag, haar nogmaals geschopt en geslagen tot het moment dat collega’s van aangeefster verdachte overmeesterden en aangeefster ontzetten.

Anders dan de rechtbank die aan de hand van een voorwaardelijk opzet-redenering tot een bewezenverklaring van het aan verdachte ten laste gelegd opzet komt is het hof van oordeel dat een dergelijke redenering niet aan het bewijs van opzet ten grondslag hoeft te worden gelegd. Immers het vastgestelde samenstel van handelingen (te weten het met grof geweld inslaan en –schoppen op aangeefster, het vervolgens over de reling proberen te tillen/duwen van aangeefster met het kennelijk doel haar ongeveer 7 meter vanaf de bovenzijde van de reling gemeten naar beneden te laten vallen op een betonnen ondergrond en vervolgens – wanneer verdachte de laatstgenoemde handeling wordt belet door aangeefster en een getuige – het met ongeschoeide voet met kracht inschoppen op hoofd en hals van aangeefster) is bij uitstek voorbestemd en geëigend om de dood van aangeefster te bewerkstelligen. Op grond hiervan acht het hof verdachtes opzet op de hem verweten gedragingen wettig en overtuigend bewezen.

Het vorenstaande leidt ertoe dat het hof de verdediging niet volgt in het - door de raadsman als niet uit te sluiten geschetste - scenario, erop neerkomend dat verdachte mogelijk enkel beoogde aangeefster bang te maken.

Zwaar lichamelijk letsel

Door de raadsman is ter zitting aangevoerd dat geen sprake is van zwaar lichamelijk letsel bij aangeefster.

Het hof verwerpt dit verweer.

Uit medische gegevens in het strafdossier en uit hetgeen in haar (schriftelijke) slachtofferverklaring, die ter zitting naar voren is gebracht, volgt dat aangeefster - bijna een jaar na dato - door de mishandeling letsel aan haar arm heeft overgehouden waardoor zij haar werkzaamheden niet naar behoren kan uitoefenen. Daarnaast kan worden vastgesteld dat sprake was van een aantal gebroken ribben. Het hof is van oordeel dat het vorenstaande zwaar lichamelijk letsel in de zin van art. 302 wetboek van Strafrecht oplevert.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 4 november 2012, te [plaats], in de Penitentiaire Inrichting [inrichting], ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een medewerker van P.I. [inrichting], welke medewerker bekend is onder nummer [nummer], van het leven te beroven, met dat opzet die medewerker meermalen tegen het hoofd heeft geschopt/getrapt en genoemde medewerker, die zich toen aldaar met verdachte bevond op de ring van de 2e etage van die Penitentiaire Inrichting, op een hoogte van 6.85 meter van de vloer van de begane grond, naar de reling heeft gedragen/gebracht en heeft getracht genoemde medewerker over de reling te duwen, althans te laten vallen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid, terwijl nog geen vijf jaren zijn verstreken sedert een veroordeling van verdachte wegens een soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan;

en

hij op 4 november 2012, te [plaats], aan een medewerker van de Penitentiaire Inrichting [inrichting], en welke medewerker toen aldaar werkzaam was in de rechtmatige uitoefening van haar beroep en/of bediening, opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (vier, althans een aantal gebroken ribben en/of een breuk in de rechter elleboog), heeft toegebracht, door genoemde medewerker opzettelijk meermalen tegen het hoofd en/of het lichaam te schoppen/trappen en/of te slaan/stompen, terwijl nog geen vijf jaren zijn verstreken sedert een veroordeling van verdachte wegens een soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het bewezen verklaarde levert op:

poging tot doodslag, terwijl nog geen vijf jaren zijn verstreken sedert een veroordeling van verdachte wegens een soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan

en

zware mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, terwijl nog geen vijf jaren zijn verstreken sedert een veroordeling van verdachte wegens een soortgelijk misdrijf in kracht van gewijsde is gegaan.

Strafbaarheid van de verdachte

Door de raadsman is betoogd dat sprake is geweest van vrijwillige terugtred bij verdachte. Hij stelt daartoe dat verdachte aangeefster namelijk niet over de reling heeft gegooid, terwijl hij dat wel had gekund wanneer hij dat had gewild.

Het hof verwerpt het verweer. Gelet op de verklaringen van [benadeelde] en [getuige] acht het hof niet aannemelijk geworden dat sprake is geweest van vrijwillige terugtred. Integendeel: het is louter aan het verzet van aangeefster en aan het kordate optreden van [getuige] te danken dat verdachte zijn voornemen om aangeefster over de reling te laten vallen niet heeft voltooid.

Het hof heeft kennis genomen van een rapport d.d. 24 februari 2013, opgemaakt door J.L.M. Dinjens, psychiater en een rapport d.d. 21 maart 2013, opgemaakt door S.J.J. Steketee, klinisch psycholoog.

Deze rapporten houden onder meer in als conclusie - zakelijk weergegeven - dat bij verdachte geen ziekelijke stoornis of gebrekkige ontwikkeling is vastgesteld.

Het hof kent betekenis toe aan voormelde conclusies en volgt de deskundigen daar in, mede gelet op de door het hof aannemelijk geachte toedracht van de feiten en gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het dossier en bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof is van oordeel, dat het hiervoor bewezenverklaarde verdachte kan worden toegerekend.

Verdachte is strafbaar aangezien ook overigens geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich op zeer gewelddadige wijze schuldig gemaakt aan ernstige geweldsdelicten. Aangeefster is daardoor in levensgevaar geweest en is als gevolg van het handelen van verdachte zwaar gewond geraakt.

Het hof acht het buitengewoon ernstig dat deze geweldsdelicten zijn gepleegd tegen een medewerkster van een Penitentiaire Inrichting, die aldaar in het kader van haar functie als gevangenbewaarder werkzaamheden verrichtte en aldus op een respectvolle benadering door verdachte mocht rekenen.

Voor verdachte bestond in de gegeven omstandigheden geen enkele redelijke aanleiding om tot de bewezenverklaarde geweldsuitbarsting jegens aangeefster te komen.

Aangeefster [benadeelde] is erg bang geweest en ondervindt nog dagelijks de gevolgen van het door verdachte gebruikte geweld, zoals ook tot uitdrukking is gebracht in de slachtofferverklaring die op treffende wijze namens aangeefster ter terechtzitting van het gerechtshof is voorgelezen.

Het hof heeft eveneens gelet op het verdacht betreffend uittreksel justitiële documentatie d.d. 16 september 2013, waaruit blijkt dat verdachte door het Gerechtshof Den Haag op

9 oktober 2012 ter zake van een soortgelijk misdrijf onherroepelijk tot 5 jaren gevangenisstraf is veroordeeld, hetgeen eveneens een strafverzwarende omstandigheid vormt. Het hof heeft ten slotte ook acht geslagen op voornoemde over verdachte uitgebrachte multidisciplinaire rapportage.

Met de rechtbank acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zeven jaren passend en geboden

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 6.575,54. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Door de raadsman is ter zitting aangevoerd dat de opgevoerde kosten ten aanzien van de kleding niet kunnen worden toegewezen omdat er geen aankoopbonnen zijn en niet duidelijk is waarom de kleding van aangeefster moest worden vervangen. Evenmin is volgens de raadsman duidelijk in hoeverre door aangeefster kosten zijn gemaakt tengevolge van beschadiging van haar gebit.

Namens de benadeelde partij is ter zitting aangevoerd dat de kleding van aangeefster in het ziekenhuis moest worden losgeknipt en dat van de gekochte kleding bonnen zijn gehecht aan de vordering van de benadeelde partij. Met betrekking tot de tandartskoster heeft de benadeelde partij uitleg gegeven over de schade die als gevolg daarvan is ontstaan.

De raadsman heeft de nadere onderbouwing niet meer gemotiveerd betwist.

Het hof heeft vastgesteld dat er aankoopbonnen van de betreffende kleding bij de vordering zijn gevoegd.

Het hof acht deze kosten dan ook voor toewijzing vatbaar.

Het hof acht daarnaast voldoende aannemelijk gemaakt dat sprake was van beschadiging van het gebit van aangeefster hetgeen voor haar de gestelde en aannemelijk geworden schade heeft gevormd.

Door de raadsman is aangevoerd dat de kosten met betrekking tot de aanschaf van een nieuwe bril onvoldoende zijn onderbouwd nu in de aangifte van aangeefster noch in de overige verklaringen bij de politie en rechter-commissaris melding wordt gedaan over een kapotte bril.

Namens de benadeelde is ter zitting aangevoerd dat de bril van aangeefster is beschadigd tijdens het incident. Namens verdachte is onderhavige schadepost ter zitting niet meer gemotiveerd bestreden

Het hof acht, mede gelet op de aard van het feit, aannemelijk geworden dat de bril van aangeefster is beschadigd en acht de kosten voor toewijzing vatbaar.

Door de raadsman is aangevoerd dat de kosten met betrekking tot de tafeltje dekje maaltijden onvoldoende zijn onderbouwd omdat de factuur is gedateerd op 29 december 2012, zijnde 2 maanden na het incident en mede daardoor de relatie tot het incident onduidelijk is.

Namens de benadeelde partij is ter terechtzitting van het hof aangevoerd dat er door aangeefster, vanwege haar letsel, meermalen gebruik is gemaakt van tafeltje dekje en dat er pas eind december voor alle maaltijden ineens is gefactureerd.

Het hof acht aannemelijk gemaakt dat aangeefster door haar letsel niet in staat is geweest maaltijden te bereiden en daarom afhankelijk was van derden. Het hof is van oordeel is dat het gevorderde qua maaltijdkosten dermate redelijk is qua kostenomvang dat voornoemd bedrag in zijn beperkte omvang geheel - als redelijke kosten - voor rekening van verdachte komen en acht deze voor toewijzing vatbaar.

Door de raadsman is aangevoerd dat de extra kosten voor het gebruik van de mobiele telefoon niet nader zijn onderbouwd.

Namens de benadeelde partij is aangevoerd dat het door de ziekenhuisopname voor aangeefster onvermijdelijk was dat zij het binnen haar abonnement toegestane aantal belminuten heeft overschreden.

Het hof is van oordeel dat de raadsman deze vordering onvoldoende inhoudelijk heeft betwist en acht de kosten voor toewijzing vatbaar.

Het hof acht de door de benadeelde partij gevorderde immateriële schade voldoende onderbouwd terwijl deze vordering niet gemotiveerd is bestreden.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is derhalve voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat ook dit deel van de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f, 43a, 45, 57, 287, 302 en 304 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 (zeven) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de teruggave aan [benadeelde] van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

een trui.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

een paar blauwe slippers, een paar grijze sokken, een Adidas trainingspak.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 6.575,54 (zesduizend vijfhonderdvijfenzeventig euro en vierenvijftig cent) bestaande uit € 1.575,54 (duizend vijfhonderdvijfenzeventig euro en vierenvijftig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], een bedrag te betalen van € 6.575,54 (zesduizend vijfhonderdvijfenzeventig euro en vierenvijftig cent) bestaande uit € 1.575,54 (duizend vijfhonderdvijfenzeventig euro en vierenvijftig cent) materiële schade en € 5.000,00 (vijfduizend euro) immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 67 (zevenenzestig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. J. Dolfing, voorzitter,

mr. L.T. Wemes en mr. J. Hielkema, raadsheren,

in tegenwoordigheid van G.G. Eisma, griffier,

en op 17 oktober 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken,

zijnde mr. J. Hielkema buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.