Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:7769

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-10-2013
Datum publicatie
17-10-2013
Zaaknummer
200.123.578-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aannemer schiet te kort. Aannemer moet gevolgschade vergoeden. Daarvoor is niet vereist dat de opdrachtgever hem in gebreke stelt, althans hem de gelegenheid biedt zelf die gevolgschade te herstellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.123.578/01

(zaaknummer rechtbank Zwolle-Lelystad 478357 CV 09-17447)

arrest van de tweede kamer van 15 oktober 2013

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. E.S. Lassche, kantoorhoudend te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. P. Bosma, kantoorhoudend te Zeewolde.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 24 februari 2010 van de rechtbank Zwolle-Lelystad, sector kanton, locatie Lelystad (hierna: de kantonrechter).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 11 mei 2010,

- de memorie van grieven (met producties),

- de memorie van antwoord.

2.2

Vervolgens heeft [geïntimeerde] de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellant] luidt:

"te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bij arrest voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de vorderingen van geïntimeerde af te wijzen als zijnde ongegrond en onbewezen, met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties".

3 De beoordeling

De feiten

3.1

Als gesteld en niet weersproken staat tussen partijen vast dat [appellant] in 2005 in opdracht van [geïntimeerde] een inpandige verbouwing heeft uitgevoerd in het huurpand van [geïntimeerde] op het adres [adres]. De werkzaamheden hielden onder meer in het plaatsen van een scheidingswand en het aanleggen van een waterafvoer. In januari 2009 ontdekte [geïntimeerde] dat er waterschade was opgetreden in het pand. Onderzoek wees uit dat bij de aanleg door [appellant] van een uitstortgootsteen een verbindingsstuk van een afvoerpijp niet was verlijmd en dat een pvc-koppeling in de scheidingswand niet was verlijmd. Als gevolg van die gebreken heeft er gedurende lange tijd lekkage plaatsgevonden waardoor de scheidingswand is volgezogen met water en vloerbedekking onherstelbaar is beschadigd. Na ontdekking van de schade heeft [geïntimeerde] dit bij [appellant] gemeld, die ter plaatse is komen kijken. [geïntimeerde] heeft [appellant] bij brief van 4 februari 2009 aansprakelijk gesteld. Van de totale schade ad € 17.493,16 is € 15.286,60 door de verzekeraars van [geïntimeerde] vergoed.

Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.2

[geïntimeerde] vordert van [appellant] betaling van het niet door de verzekeraars vergoede gedeelte van zijn schade ten bedrage van € 2.625,79 inclusief btw, vermeerderd met rente en kosten. Daartoe stelt hij dat [appellant] is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst en gehouden is de daardoor ontstane schade te vergoeden. De kantonrechter heeft de vordering toegewezen, met dien verstande dat de hoofdsom exclusief btw is toegewezen (€ 2.206,56) en de vordering tot betaling van buitengerechtelijke kosten is afgewezen.

De bespreking van de grief

3.3

De enige grief klaagt over de verwerping van het verweer van [appellant] dat [geïntimeerde] hem niet in de gelegenheid heeft gesteld zelf de schade te herstellen en dat hij niet in gebreke is gesteld.

3.4

Naar het oordeel van het hof wordt in de toelichting op de grief niets steekhoudends aangevoerd tegen rechtsoverweging 8 van het bestreden vonnis. Het hof maakt het aldaar overwogene tot zijn oordeel en voegt daar het volgende aan toe. [appellant] miskent met zijn grief dat iedere toerekenbare tekortkoming in de nakoming van een verbintenis de schuldenaar verplicht tot schadevergoeding en dat voor zover de nakoming blijvend onmogelijk is geworden hiervoor geen verzuim is vereist (artikel 6:74 BW). Ten aanzien van gevolgschade als de onderhavige heeft te gelden dat deze niet ongedaan wordt gemaakt door herstel van de ondeugdelijke prestatie. In zoverre is de nakoming blijvend onmogelijk en is geen verzuim vereist. Zie HR 4-2-2000, ECLI:NL:HR:2000:AA4732, NJ 2000, 258 [namen]. Ook overigens is de schuldeiser in beginsel niet gehouden de door hem geleden gevolgschade door de tekortschietende schuldenaar te laten herstellen. Onder omstandigheden kan sprake zijn van eigen schuld indien de schuldeiser kostbaar herstel door een derde laat uitvoeren terwijl de schuldenaar kwalitatief gelijkwaardig doch goedkoper herstel heeft aangeboden. Gesteld noch gebleken is dat die situatie zich hier heeft voorgedaan.

De slotsom.

3.5

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd met veroordeling van

[appellant] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep (wat betreft het aan de zijde van [geïntimeerde] te liquideren salaris van de advocaat te begroten op 1 punt in tarief I).

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerde] tot aan deze uitspraak op € 263,- aan verschotten en € 632,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

verklaart dit arrest ten aanzien van de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. L. Janse, mr. M.W. Zandbergen en mr. I. Tubben en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 15 oktober 2013.