Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:7758

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-10-2013
Datum publicatie
19-11-2013
Zaaknummer
200.095.558-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vraag of het niet terugbrengen van gehuurde camper onder de dekking van de verzekeringspolis van de eigenaar valt. Zijn die polisvoorwaarden onduidelijk of onredelijk bezwarend? Kernbeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2014/23
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.095.558/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 85213 / HA ZA 11-138)

arrest van de eerste kamer van 15 oktober 2013

in de zaak van

[appellant]

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. R. van Herwaarden, kantoorhoudend te Amersfoort,

tegen

1 Drenthe Overijssel Assuradeuren B.V.,

gevestigd te Assen,

hierna: DOA,

advocaat: mr. M. Jongkind, kantoorhoudend te Rotterdam,

2. Unigarant N.V.,

gevestigd te Hoogeveen,

hierna: Unigarant,

advocaat: mr. M.F.H.M. van Haastert, kantoorhoudend te Zwolle,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden,

hierna gezamenlijk te noemen: DOA c.s.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 22 november 2011 hier over.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

In bovenvermeld tussenarrest heeft het hof een comparitie na aanbrengen gelast. De zitting heeft op 15 januari 2012 plaatsgevonden. Partijen zijn op de zitting evenwel niet tot een schikking gekomen. Partijen hebben ervoor gekozen om verder te procederen in hoger beroep.

1.2

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 27 september 2011

- verzoekschrift voorlopig getuigenverhoor van Unigarant

- beschikking van het hof Leeuwarden d.d. 24 april 2012

- de memorie van grieven van [appellant] d.d. 4 december 2012 met producties,

- de memorie van antwoord van Unigarant d.d. 26 maart 2013 met producties, en

- de memorie van antwoord van DOA d.d. 26 maart 2013 met producties.

1.3

Vervolgens zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

1.4

De vordering van [appellant] luidt:

" (…) te vernietigen het eindvonnis op 7 september 2011 tussen partijen gewezen, en opnieuw rechtdoend, geïntimeerden hoofdelijk alsnog te veroordelen bij dagvaarding in hoger gevorderd en aldus hetzij in overeenstemming met het eerder bij dagvaarding in eerste aanleg gevorderde, hetzij in overeenstemming met de eis, zoals die bij dagvaarding en bij memorie van gerieven in hoger beroep is vermeerderd, aangevuld, of, gewijzigd, met veroordeling van geïntimeerden hoofdelijk in de kosten van beide instanties, in conventie als ook in reconventie, inclusief het getuigenverhoor".

1.5

Gelet op artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) wordt in deze voor 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.

2 De verdere beoordeling in hoger beroep

De vaststaande feiten

2.1.

Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 van het vonnis van de rechtbank Assen van 7 september 2011 is geen grief ontwikkeld en ook anderszins is niet van bezwaren daartegen gebleken, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan. Deze feiten, aangevuld met feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan, komen op het volgende neer.

2.1.1

[appellant] is vennoot van de vennootschap onder firma Vakantiecamperverhuur. Deze vennootschap drijft een onderneming die zich onder meer bezig houdt met de verhuur van campers. DOA is gevolmachtigd agent van verzekeraar Unigarant.

2.1.2

[appellant] heeft in mei en juni 2008 gesproken met [A] van assurantietussenpersoon [Assurantiën B.V.] over het afsluiten van een camperverzekering.

2.1.3

[appellant] heeft op 27 maart 2009 via DOA bij Unigarant een verzekering afgesloten voor een camper met kenteken 76-HST-2, cataloguswaarde € 68.700,- met een eigen risico van

€ 500,- Volgens het polisblad is casco meeverzekerd. Op het polisblad is verder opgenomen dat in afwijking van artikel 23.3 de verzekering eveneens van kracht is tijdens verhuur van de camper zonder chauffeur.

2.1.4

Op de verzekeringsovereenkomst zijn van toepassing de voorwaarden Camperverzekering CAM UGA. Die voorwaarden houden onder meer het volgende in:

BIJZONDERE VOORWAARDEN

Artikel 18. Begripsomschrijvingen WA en cascodekking

De begrippen in de bijzondere voorwaarden hebben een betekenis zoals hieronder beschreven.

1. Verzekerde:

u, de eigenaar van de camper, de gemachtigd bestuurder en de met de camper vervoerde personen.

(…)

7. Diefstal

Het zonder enige toestemming wegnemen van (onderdelen van) de verzekerde camper door het verbreken van afsluitingen, zoals portieren en/of ruiten.

(…)

CASCO

Deze dekking geldt indien deze rubriek volgens het polisblad is meeverzekerd

Artikel 26. Dekking Gedeeltelijk casco

1. Verzekerd is:

schade aan de camper ontstaan door:

(…)

b. diefstal, joyriding, braak en poging tot diefstal. Schade aan de camper ontstaan gedurende de periode waarin deze aan de verzekerde ontnomen is geweest, wordt eveneens vergoed;

(…)

2. Niet verzekerd is:

a. schade als gevolg van het niet kunnen gebruiken van de camper

Artikel 27. Dekking Volledig casco

1. Verzekerd is:

schade aan de camper ontstaan door:

a. alle risico's genoemd onder Gedeeltelijk casco (artikel 26)

b. alle andere plotseling van buiten komende gebeurtenissen, waaronder aanrijding en van de weg raken, door welke oorzaak dan ook.

2. Niet verzekerd is:

a. schade als gevolg van het niet kunnen gebruiken van de camper

(…).

2.1.5

De camper is door [appellant] op 7 april 2010 verhuurd, maar na afloop van de

verhuurtermijn op 15 april 2010 niet bij [appellant] terugbezorgd.

2.1.6

[appellant] heeft daarop zijn schade bij Unigarant geclaimd. Unigarant heeft de claim

afgewezen.

2.1.7

Vervolgens heeft [appellant] DOA aansprakelijk gesteld.

2.1.8

[appellant] heeft zowel Unigarant als DOA in rechte betrokken, waarbij hij heeft gevorderd een hoofdelijke veroordeling tot betaling van € 68.700,- met rente en kosten alsmede een hoofdelijke veroordeling van Unigarant en DOA tot vergoeding van geleden en nog te lijden schade met verwijzing naar de schadestaatprocedure. [appellant] heeft aan zijn vordering ten grondslag gelegd dat DOA door hem niet te waarschuwen voor het manifeste risico van verduistering jegens hem in zijn zorgplicht is tekortgeschoten, terwijl Unigarant als volmachtgevende verzekeraar hoofdelijk aansprakelijk is voor de beroepsfouten van DOA. Daarnaast heeft [appellant] gesteld dat hij op grond van de tussen partijen gesloten verzekeringsovereenkomst recht heeft op vergoeding van de niet teruggebrachte camper.

2.1.9

Bij vonnis van 7 september 2011 heeft de rechtbank Assen de vorderingen van [appellant] afgewezen en hem veroordeeld in de proceskosten. Tegen de afwijzing van zijn vorderingen is [appellant] met vijf grieven in hoger beroep gekomen. De grieven beogen het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen.

Bespreking van de grieven

2.2

De eerste drie grieven betreffen alle de uitleg van de polis en de daarin opgenomen dekking en uitsluitingen. Het primaire verweer van Unigarant luidt dat de door [appellant] gevorderde schade niet is veroorzaakt door een op de verzekeringsovereenkomst gedekte schadegebeurtenis. Het hof ziet daarom aanleiding om eerst de vraag te beantwoorden of het niet terugbrengen van de camper door de huurder onder de dekking van de verzekeringsovereenkomst valt. Indien het antwoord daarop ontkennend is behoeven de overige klachten die zien op de uitleg van de uitsluitingen (het subsidiaire verweer van Unigarant) immers geen bespreking.

2.3

De stelplicht en bewijslast van de stelling dat het niet terugbrengen van de camper door de huurder door de verzekeringsovereenkomst wordt gedekt, rusten krachtens de hoofdregel van artikel 150 Rv. op [appellant] nu hij nakoming van de verzekeringsovereenkomst vordert.

2.4

De vraag of het niet terugbrengen van de camper door de huurder is meeverzekerd, moet worden beantwoord door uitleg van de van belang zijnde polisvoorwaarden. In een geval als het onderhavige, waarbij over de polisvoorwaarden niet is onderhandeld, geldt - zoals de rechtbank in r.o. 4.9 van het bestreden vonnis terecht en onbestreden heeft overwogen - dat de uitleg van de polisvoorwaarden met name afhankelijk is van objectieve factoren zoals de bewoordingen waarin de desbetreffende bepaling is gesteld, gelezen in het licht van de polisvoorwaarden als geheel (HR 16 mei 2008, NJ 2008, 284 en HR 9 juni 2006, NJ 2006, 326). Door de woorden 'met name' is er nog wel ruimte om, afhankelijk van de concrete omstandigheden van het geval, bij de uitleg ook gewicht toe te kennen aan meer subjectieve factoren, zoals de Haviltex-norm dat voorschrijft. Beslissend blijft immers, ook bij een meer letterlijke uitleg van de bewoordingen van een overeenkomst, de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan deze bepalingen mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. In dit verband is van belang, zoals [appellant] ook bij gelegenheid van comparitie in eerste aanleg heeft aangegeven, dat hij ervan op de hoogte was dat het moeilijk zo niet onmogelijk was om het risico van verduistering te verzekeren. Verder is van belang dat [appellant] zich bij het afsluiten van de polis heeft laten bijstaan door zijn assurantietussenpersoon [A] van [Assurantiën B.V.]. Die bijstand brengt met zich, zelfs indien [appellant], zoals hij stelt en Unigarant betwist, als een leek moet worden aangemerkt dat de contra proferentem-regel als bedoeld in artikel 6:238 lid 2 BW bij de uitleg van de polisvoorwaarden niet geldt (HR 28 april 1989, LJN: AJ6858).

2.5

Verder staat het een verzekeraar vrij om in de polisvoorwaarden de grenzen te omschrijven waarbinnen hij bereid is dekking te verlenen. Dat brengt voor de verzekeraar ook de vrijheid mee om daarbij - op een wijze die voor de verzekeringnemer op grond van voormelde objectieve factoren voldoende duidelijk kenbaar is - binnen een samenhangend feitencomplex slechts aan bepaalde feiten of omstandigheden (rechts)gevolgen te verbinden en aan andere niet, dan wel onderscheid te maken tussen gevallen die feitelijk zeer dicht bij elkaar liggen, zoals het onderscheid tussen diefstal en verduistering van de verhuurde camper door een huurder.

2.6

In artikel 26 en 27 van de onder 2.1.4 vermelde bijzondere voorwaarden is weergegeven welke schadegebeurtenissen vallen onder de dekking van de verzekering. Verduistering is niet opgenomen als een in artikel 26 lid 1 sub b van de bijzondere voorwaarden genoemde schadegebeurtenis. De bewoordingen van de verzekeringspolis en de bijzondere voorwaarden brengen hem niet verder. Ter ondersteuning van zijn stelling dat Unigarant desondanks tot nakoming is gehouden, voert [appellant] het volgende aan.

2.7

Allereerst bestrijdt [appellant] dat de camper is verduisterd (grief I). Met de kwalificatie van het verduisterd zijn van de litigieuze camper gaat de rechtbank volgens [appellant] ten onrechte voorbij aan de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen mogelijkheid dat de camper is gestolen. Indien de huurder pas na het verstrijken van de huurtermijn heeft besloten de camper niet terug te brengen, dan is dat te kwalificeren als diefstal omdat de huurder op dat moment de camper niet meer rechtmatig onder zich had. Diefstal is krachtens artikel 26 lid 1 onder b in samenhang met artikel 27 lid onder a van de bijzondere voorwaarden een gebeurtenis die door de polis wordt gedekt, aldus nog steeds [appellant]. De stelling wordt door DOA onderschreven.

2.8

Door Unigarant wordt gemotiveerd betwist dat er sprake is van diefstal. Zij verwijst daartoe naar het door de politie opgemaakte proces-verbaal van de aangifte van verduistering door [appellant] op 15 april 2010 en de eerder door [appellant] in zijn inleidende dagvaarding ingenomen stellingen. Unigarant betwist daarnaast dat er sprake is van diefstal in de zin van artikel 18 lid 7 van de toepasselijke bijzondere voorwaarden nu de huurder de beschikking over de sleutels had zodat er geen sprake is geweest van het zonder enige toestemming wegnemen van (onderdelen) van de verzekerde camper door het verbreken van afsluiten, zoals portieren en/of ruiten. [appellant] heeft de huurder immers de sleutels van de camper gegeven.

2.9

De grief faalt. Het hof is van oordeel dat het niet terugbrengen van de camper na afloop van de huurtermijn door de huurder, nog daargelaten of dit handelen in het strafrecht als verduistering of diefstal moet worden gekwalificeerd, redelijkerwijs niet kan worden uitgelegd als diefstal als bedoeld in de zin van artikel 18 lid 7 van de bijzondere voorwaarden. De door [appellant] bepleitte uitleg vindt geen steun in de tekst van voornoemde bepaling, waar het gaat om het inbreken in en meenemen van een camper. Door [appellant] zijn evenmin feiten en omstandigheden aangevoerd die de door hem voorgestane uitleg ondersteunen. De omstandigheid dat verduistering in de polis niet als uitsluitingsgrond is opgenomen, betekent nog niet dat [appellant] er vanuit mocht gaan dat verduistering als schadeveroorzakende gebeurtenis was meeverzekerd.

2.10

Een volgende geschilpunt dat partijen verdeeld houdt is de vraag of de verduistering van de camper kan worden aangemerkt als een andere plots van buiten komende gebeurtenis als bedoeld in artikel 27 lid 1 sub b van de bijzondere voorwaarden. Die vraagt moet in de gegeven omstandigheden van dit geval ontkennend worden beantwoord. Het hof overweegt daartoe als volgt.

2.11

Artikel 27 lid 1 sub b van de bijzondere voorwaarden bepaalt dat verzekerd is alle andere plotseling van buiten komende gebeurtenissen, waaronder aanrijding en van de weg raken, door welke oorzaak dan ook. De dekking van artikel 27 lid 1 sub b wordt dus niet beperkt tot de gebeurtenissen die in artikel 26 lid 1 zijn opgesomd. Niet in geschil is dat omstandigheden die tot het bedrijfsrisico van [appellant] behoren, niet als een plotseling van buiten komende gebeurtenis moet worden aangemerkt als bedoeld in artikel 27 lid 1 sub b. In geschil is evenwel of de verduistering van de camper tot het bedrijfsrisico van [appellant] behoort.

Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, kan het hof [appellant] evenwel niet volgen in zijn betoog dat de verduistering van de camper niet behoorde tot het normale bedrijfsrisico van een bedrijfsmatig verhuurder van campers. Dat [appellant] pas begonnen was aan de verhuur van campers, maakt dat niet anders.

2.12

[appellant] kan evenmin worden gevolgd in zijn betoog dat hij op grond van de uitlatingen van [A] van [Assurantiën B.V.] had mogen verwachten dat dit bedrijfsrisico was meeverzekerd, nu [A] tijdens het getuigenverhoor heeft verklaard dat hij heeft gezegd dat verduistering niet was meeverzekerd en dit ook met zoveel woorden in de offerte van 3 september 2008 is opgenomen en door [appellant] niet wordt betwist dat hij deze offerte van [A] destijds heeft ontvangen, nog daargelaten dat [appellant] niet heeft gesteld op grond waarvan die uitlatingen van [A] aan Unigarant of DOA moeten worden toegerekend. Dat [Assurantiën B.V.] later bij brief van 28 mei 2010 haar klanten erop heeft gewezen dat verduistering niet is opgenomen als een gedekt evenement doet aan het voorgaande niet af.

2.13

Nu de verduistering van de camper in de gegeven omstandigheden niet als een verzekerde gebeurtenis als bedoeld in de verzekeringsovereenkomst kan worden aangemerkt, behoeft de klacht van [appellant] onder verwijzing naar het arrest van de Hoge Raad van 19 oktober 2001, NJ 2002, 224 dat de rechtbank ten onrechte eraan voorbij is gegaan dat de opzet en het belang van de huurder vanzelfsprekend niet die van [appellant] zijn, geen verdere bespreking.

2.14

[appellant] heeft ook nog betoogd dat de schade op grond van de verzekeringsovereenkomst voor vergoeding in aanmerking komt, omdat de polisvoorwaarden onduidelijk, onredelijk bezwarend respectievelijk in strijd met de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid zijn.

2.15

Het hof deelt die opvatting van [appellant] niet. Daartoe is het volgende redengevend.

Er is geen sprake van algemene voorwaarden maar van een kernbeding als bedoeld in artikel 6:231 sub a BW, zoals Unigarant terecht aanvoert. Er ontbreekt een deugdelijke uitleg waarom de polisvoorwaarden een onredelijk beding zijn. Verder geldt dat de beperkende werking van redelijkheid en billijkheid niet tot gevolg kan hebben dat de dekking van een verzekering buiten de primaire dekkingsomschrijving wordt uitgebreid (HR 9 juni 2006, LJN: AV9435), nog daargelaten dat Staat onvoldoende argumenten naar voren heeft gebracht die maken dat het beroep van Unigarant op de polisvoorwaarden naar redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

2.16

In grief V doet [appellant] ten slotte een beroep op non-conformiteit van artikel 7:17 BW. Dit beroep op artikel 7:17 BW strandt nu het afsluiten van een verzekeringsovereenkomst voor bedrijfsmatig verhuur van een camper niet kan worden beschouwd als een consumentenkoop in de zin van voornoemd artikel. Voor het overige heeft [appellant] het hof onvoldoende duidelijk gemaakt op welke "wettelijke bepalingen" hij zich precies beroept en welke onderbouwing hij daarvoor wenst te geven. Op [appellant] rust de plicht het hof de rechten inzichtelijk te maken waarop hij moet beslissen en waartegen de wederpartij zich dient te verweren.

2.17

In rechtsoverweging 4.8 van het bestreden vonnis heeft de rechtbank geoordeeld dat Unigarant als volmachtgevende verzekeraar niet aansprakelijk gehouden kan worden voor de schade die [appellant] door toedoen van DOA heeft geleden omdat de vordering tegen DOA is afgewezen. Tegen dit oordeel is grief IV gericht. Uit de toelichting op de grief begrijpt het hof dat [appellant] zich op het standpunt stelt dat DOA in haar zorgplicht jegens [appellant] is tekortgeschoten. Dit standpunt wordt door [appellant] niet verder onderbouwd. In het bijzonder is gesteld noch gebleken op grond waarvan eventuele mededelingen van [A] van [Assurantiën B.V.] tegenover [appellant] aan DOA moeten worden toegerekend. Voor zover [appellant] zich beroept op door DOA gedane mededelingen dat [appellant] was verzekerd voor alle denkbare risico's, merkt het hof op dat [appellant] dit standpunt niet voldoende (concreet) heeft onderbouwd in het licht van hetgeen DOA in de conclusie van antwoord onder 2 tot en met 20 heeft opgemerkt over de wijze waarop de verzekeringsovereenkomsten tot stand zijn gekomen, hetgeen wel op zijn weg had gelegen. De vordering jegens DOA is door de rechtbank derhalve terecht afgewezen. Daarmee faalt ook grief IV.

2.18

[appellant] heeft in hoger beroep bewijs aangeboden van zijn stelling dat zijdens DOA en/of [Assurantiën B.V.] expliciete mededelingen zijn gedaan dat [appellant] was verzekerd voor alle denkbare bedrijfsrisico’s waaraan hij met zijn startende onderneming bloot stond, meer omvattend het gevaar van verduistering van de camper door een huurder. Het hof gaat aan dat bewijsaanbod voorbij, nu geen concrete feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die van het voorgaande kunnen afdoen.

3 De slotsom

De grieven falen. De conclusie is dat de polis geen dekking biedt voor de schade die door [appellant] is geleden doordat de camper door zijn huurder niet is teruggebracht. Unigarant heeft op goede gronden geweigerd tot uitkering van een schadevergoeding over te gaan. Van een schending van een zorgplicht van DOA is geen sprake. Het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd met veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep (aan de zijde van DOA 1 punt in tariefgroep III en aan de zijde van Unigarant 2,5 punten in tariefgroep III).

4 De beslissing

Het hof, rechtdoende in hoger beroep:



bekrachtigt de tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Assen van 7 september 2011

veroordeelt [appellant] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van Unigarant begroot op € 3.474,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op

€ 1.769,- voor griffierecht en aan de zijde van DOA begroot op € 1.158,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart deze kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. R. Feunekes, R. van der Pol, en R.E. Weening en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag

15 oktober 2013.