Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:7691

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
15-10-2013
Datum publicatie
29-10-2013
Zaaknummer
200.080.834
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen welbewuste instemming van de werknemers met “salary freeze” over 2009. Geen wijziging overeenkomst tussen FNV en Greif op grond van onvoorziene omstandigheden. Beroep van FNV op nakoming van overeenkomst door Greif evenmin onaanvaardbaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-0863
JAR 2015/75 met annotatie van mr. E. Loesberg
RAR 2014/16

Uitspraak

GERECHTSHOF AMSTERDAM

nevenzittingsplaats Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.080.834

(zaaknummer rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht, 635162)

arrest van de derde kamer van 15 oktober 2013

in de zaak van

de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid

FNV Bondgenoten,

gevestigd te Utrecht,

appellante,

hierna: FNV Bondgenoten,

advocaat: mr. M.J.M. Postma,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Greif Nederland B.V.,

gevestigd te Vreeland, gemeente Stichtse Vecht,

geïntimeerde,

hierna: Greif,

advocaat: mr. H.E. Meerman.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 14 augustus 2012 hier over.

1.2

Ingevolge dat tussenarrest heeft FNV Bondgenoten bij akte zich uitgelaten over het in rechtsoverweging 5.7 van het tussenarrest weergegeven betoog van Greif en over de door Greif bij haar memorie van antwoord in het geding gebrachte producties.

1.3

Ter zitting van 17 mei 2013 hebben de partijen de zaak doen bepleiten, FNV Bondgenoten door haar advocaat en Greif eveneens door haar advocaat. Beiden hebben daarbij pleitnotities in het geding gebracht.

1.4

Na afloop van de pleidooien heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere motivering van de beslissing in hoger beroep

2.1

Bij het tussenarrest van 14 augustus 2012 is de zaak verwezen naar de rol om FNV Bondgenoten in de gelegenheid te stellen bij akte zich uit te laten over het betoog van Greif dat sprake is van onvoorziene omstandigheden als bedoeld in artikel 6:258 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en over de door Greif bij haar memorie van antwoord in het geding gebrachte producties.

2.2

Als meest verstrekkende verweer heeft Greif tegen de vordering van FNV Bondgenoten aangevoerd, dat de GOR, de groepsondernemingsraad van Greif, met de “salary freeze” heeft ingestemd en dat de groep werknemers, die als gevolg van de “salary freeze” over 2009 geen periodiek heeft ontvangen, de eenmalige verslechtering van de arbeidsvoorwaarden heeft geaccepteerd. Volgens Greif heeft zij duidelijkheid over de inhoud van de wijziging verschaft en mocht zij op grond van verklaringen of gedragingen van de betrokken werknemers aannemen dat zij welbewust met de wijziging hebben ingestemd. Greif heeft daartoe verwezen naar de uitspraak van de Hoge Raad van 12 februari 2010 (LJN: BK3570). Greif verbindt hieraan de conclusie dat FNV Bondgenoten geen belang heeft bij haar vorderingen.

2.3

Deze conclusie onderschrijft het hof niet. Zoals Greif ook zelf heeft betoogd, bindt de instemming van de GOR niet de individuele werknemers. Het beroep van Greif op het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad kan haar evenmin baten. Daartoe overweegt het hof het volgende.

2.4

Greif heeft zich van het begin af aan (ten onrechte) op het standpunt gesteld dat de formulering van het Protocol (“Iedere medewerker die het eindpunt van zijn/haar schaal nog niet heeft bereikt krijgt per januari van ieder jaar in principe (onderstreping door hof) (B en C beoordeling) een periodiek”) haar zonder meer ruimte bood voor de “salary freeze”.

Zij heeft de individuele werknemers daarover in januari 2009 als volgt geïnformeerd:

“(…) Onlangs heeft het jaarlijkse beoordelingsgesprek met uw leidinggevende plaatsgevonden. Als u het plafond van uw salarisschaal nog niet heeft bereikt, ontvangt u normaal gesproken bij normaal functioneren een ‘periodiek’.

Greif heeft een zogenaamde salary-freeze (salarisbevriezing), afgekondigd. Dit is twee weken geleden door [medewerker] aan de organisatie bekendgemaakt. De salary-freeze houdt in dat de salarissen in Nederland in 2009 alléén worden verhoogd met de 2,5% in januari en 1% in juli die in de CAO is vastgesteld. Ongeacht het beoordelingsresultaat, vindt er in januari géén periodieke verhoging plaats.

(…)

Deze maatregel is onderdeel van een pakket aan maatregelen om de kosten te verminderen en de omzet te verhogen. Zo blijven wij ook in de toekomst een gezond bedrijf. Ik vertrouw erop dat u hiervoor begrip heeft.

(…)”

2.5

Naar het oordeel van het hof heeft Greif hiermee onvoldoende duidelijkheid verschaft.

Zij heeft weliswaar bericht dat er geen periodieke verhoging zou plaatsvinden en dat deze maatregel een onderdeel was van een pakket aan maatregelen om de kosten te verminderen en de omzet te verhogen, maar heeft de gronden daarvoor onvoldoende toegelicht. Onder die omstandigheden mocht zij niet aannemen, dat werknemers die als gevolg van de “salary freeze” over 2009 geen periodiek hebben ontvangen, welbewust met de desbetreffende maatregel hebben ingestemd omdat zij niet daartegen hebben geprotesteerd.

2.6

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat FNV Bondgenoten wel degelijk belang heeft bij haar vorderingen onder 1 en 2. De door Greif gestelde omstandigheid dat CNV Bedrijvenbond, die ook partij is bij het op 15 januari 2008 ondertekende Protocol, geen bezwaar heeft gemaakt tegen de “salary freeze” leidt op zichzelf niet tot een ander oordeel. Overigens heeft FNV Bondgenoten de desbetreffende stelling van Greif weersproken.

2.7

Greif heeft zich er voorts op beroepen dat sprake is van onvoorziene omstandigheden die van dien aard zijn dat FNV Bondgenoten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst niet mag verwachten.

2.8

Naar de bedoeling van de wetgever is het voor de vraag of sprake is van onvoorziene omstandigheden in de zin van artikel 6:258 BW, niet beslissend of de omstandigheden ten tijde van het sluiten van de overeenkomst voorzienbaar waren. Het komt er slechts op aan, van welke veronderstellingen partijen zijn uitgegaan: of zij in de mogelijkheid van het optreden van de onvoorziene omstandigheden hebben willen voorzien of althans stilzwijgend die mogelijkheid hebben verdisconteerd. De onvoorziene omstandigheden dienen van dien aard te zijn dat ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet mag worden verwacht. Bij toepassing van artikel 6:258 BW dient terughoudendheid te worden betracht.

2.9

Of de kredietcrisis en de daarmee volgens Greif samenhangende daling van haar omzet in 2008 onvoorziene omstandigheden zijn als bedoeld in artikel 6:258 BW, laat het hof in het midden. Naar het oordeel van het hof heeft Greif onvoldoende feiten of omstandigheden aangevoerd die het gevolg zijn van de door haar gestelde onvoorziene omstandigheden, die de conclusie rechtvaardigen dat ongewijzigde instandhouding van de overeenkomst met de vakbonden niet van haar mocht worden verwacht. De (voldoende toegelichte) stelling van FNV Bondgenoten bij haar memorie van grieven (punt 3.5.4.), dat Greif in het boekjaar dat loopt van november 2008 tot november 2009 een winst van, bij benadering, € 103.992.955,- heeft behaald, heeft Greif onvoldoende gemotiveerd betwist. Overigens leidt de (niet onderbouwde) stelling van Greif, dat haar winst in 2008 circa

€ 31.500.000,- bedroeg en in 2009, mede dank zij de genomen maatregelen, circa

€ 25.000.000,-, ook indien juist, niet tot het oordeel dat betaling van de periodiek aan werknemers die daarvoor in aanmerking kwamen per 1 januari 2009 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar mocht worden verwacht. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat het bij die periodiek volgens de eigen stellingen van Greif ging om een bedrag van (slechts) € 355.000,-. Met betrekking tot dat bedrag dient nog in aanmerking te worden genomen, dat FNV Bondgenoten onweersproken heeft aangevoerd dat zich onder de betrokken werknemers een aantal werknemers bevindt dat al op de eindtrede zit, zodat het met de periodiek van 2009 gemoeide bedrag lager moet zijn dan de door Greif genoemde

€ 355.000,-.

2.10

Greif heeft aan haar beroep op artikel 6:248 lid 2 BW - dat inhoudt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat FNV Bondgenoten van Greif verlangt, dat zij de met FNV Bondgenoten gesloten overeenkomst (het Protocol) ook over 2009 nakomt - geen andere feiten en/of omstandigheden ten grondslag gelegd dan aan haar beroep op artikel 6:258 BW. Nu in het voorgaande is geoordeeld dat er geen omstandigheden zijn welke van dien aard zijn dat FNV Bondgenoten naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen ongewijzigde nakoming van het Protocol mag verwachten, gaat ook het beroep van Greif op artikel 6:248 lid 2 BW niet op.

2.11

Nu Greif verder geen verweer heeft gevoerd tegen de in het tussenarrest van

14 augustus 2012 in rechtsoverweging 2.2 onder 1 en 2 geformuleerde vorderingen, zijn deze vorderingen, gelet op hetgeen eerder is overwogen, toewijsbaar, met dien verstande dat het bedrag waarboven geen dwangsom meer verbeurd wordt, wordt bepaald op € 500.000,-. De in het tussenarrest in rechtsoverweging 2.2 onder 3 a, b en c geformuleerde vorderingen zijn niet toewijsbaar.

2.12

De vordering onder 3 a is niet toewijsbaar omdat het Protocol geen CAO is als bedoeld in artikel 15 en 16 Wet CAO. Ook wanneer de vordering onder 3 b wordt opgevat als een vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, is deze niet toewijsbaar. Een schuldeiser, die buitengerechtelijke kosten als bedoeld in artikel 6:96 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek vordert, dient te stellen en te specificeren dat deze kosten zijn gemaakt ter zake van andere verrichtingen dan die waarvoor de in artikel 237 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering bedoelde kosten een vergoeding plegen in te sluiten. Aan deze specificatieplicht heeft FNV Bondgenoten naar het oordeel van het hof onvoldoende voldaan. De vordering onder 3 c deelt het lot van de vorderingen onder 3 a en 3 b. De onder 3 d geformuleerde vordering tot veroordeling van Greif in de kosten van het geding in eerste aanleg en in hoger beroep is wel toewijsbaar.

3 Slotsom

3.1

De grieven slagen, zodat het bestreden vonnis van 1 september 2010 moet worden vernietigd.

3.2

Als de (overwegend) in het ongelijk te stellen partij zal het hof Greif in de kosten van beide instanties veroordelen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van FNV Bondgenoten zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 72,25

- griffierecht € 208,-

subtotaal verschotten € 280,25

- salaris advocaat € 600,-

Totaal € 880,25.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van FNV Bondgenoten zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 87,93

- griffierecht € 649,-

subtotaal verschotten € 736,93

- salaris advocaat € 2.682,- (3 punten x tarief II)

Totaal € 3.418,93.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het tussen de partijen gewezen vonnis van de kantonrechter (rechtbank Utrecht, sector kanton, locatie Utrecht) van 1 september 2010 en doet opnieuw recht;

verklaart voor recht dat Greif gehouden is om aan haar werknemers die over het kalenderjaar 2008 een B of een C Beoordeling hebben gekregen en die in de salarisgroep waarin zij zijn ingedeeld de eindschaal nog niet hebben bereikt een periodiek per 1 januari 2009 toe te kennen en uit te betalen;

veroordeelt Greif om aan haar werknemers die over het kalenderjaar 2008 een B of een C Beoordeling hebben gekregen en die in de salarisgroep waarin zij zijn ingedeeld de eindschaal nog niet hebben bereikt per 1 januari 2009 een periodiek toe te kennen en uit te betalen, zulks op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag voor iedere keer dat ze dat nalaat, met een maximum van € 500.000,-;

veroordeelt Greif in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van FNV Bondgenoten wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 280,25 voor verschotten en op € 600,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en tot aan deze uitspraak wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 736,93 voor verschotten en op

€ 2.682,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest, voor zover het de hierin vermelde betalingsveroordelingen betreft, uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. I.A. Katz-Soeterboek, E.B. Knottnerus en W. Duitemeijer en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2013.