Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:7673

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
16-10-2013
Datum publicatie
04-11-2013
Zaaknummer
21-002839-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof komt gelijk de rechtbank maar anders dan de verdediging tot een bewezenverklaring. Het hof is van oordeel, gelet op de ernst van het feit, de uit de documentatie van verdachte blijkende recidive en hetgeen omtrent de persoon van verdachte is gebleken, dat oplegging van een hogere straf dan door de rechtbank opgelegd passend en geboden is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-002839-11

Uitspraak d.d.: 16 oktober 2013

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Almelo van 10 augustus 2011 met parketnummer 08-710235-11 in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

wonende te [woonplaats].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 2 oktober 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr. A.C. Blankestijn, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere bewijsbeslissing komt en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 12 maart 2011 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een winkel aan het [adres] heeft weggenomen een grote hoeveelheid kledingstukken en/of portemonnees, (met een totaalbedrag van ongeveer 14.005,00 euro) in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de winkel "[winkel]", in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s).

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte weliswaar ter plaatse aanwezig was en lang heeft rondgelopen en gekeken, maar dat concreet bewijs tegen verdachte ontbreekt. Nergens zijn wegnemingshandelingen gezien of zijn spullen bij verdachte aangetroffen. De raadsman bepleit vrijspraak.

Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder het volgende.
Op 18 maart 2011 doet de heer [naam], teamleider operations bij de [winkel] te [plaats], aangifte van een op 12 maart 2011 gepleegde diefstal uit de [winkel] te [plaats]. In de aangifte wordt aan de hand van bekeken camerabeelden beschreven hoe een man, met gebruikmaking van een vermoedelijk geprepareerde tas, op aanwijzing van een andere man goederen wegneemt. Aangever beschrijft dat er die dag op verschillende afdelingen, na aanwezigheid van verdachten aldaar, stapels goederen verdwenen zijn, waaronder kleding en portemonnees.

Het hof heeft de in de aangifte genoemde camerabeelden bekeken. Het hof herkent zowel verdachte als medeverdachte [medeverdachte] op de afbeeldingen als opgenomen in het dossier. Ter zitting erkennen verdachten ook dat zij op 12 maart 2011 (gezamenlijk) in de [winkel] te [plaats] waren. Zij hadden telefonisch met elkaar afgesproken daar te zijn. Verdachten lopen op 12 maart 2011 in een tijdsbestek van drie-en-een-half uur verschillende keren in en uit bij [winkel] te [plaats]. Als verdachte [verdachte] de winkel in loopt, is de groen-witte plastictas nog redelijk plat. Wanneer verdachte [verdachte] vervolgens de winkel verlaat, staat de groen-witte plastic tas bol. Kennelijk is de tas leeg bij binnenkomst en gevuld bij het verlaten van de winkel. Dit komt zeven keer voor. Op de beelden is voorts te zien dat er goederen van een schap gepakt worden en in de – naar later blijkt een soortgelijke - geprepareerde tas worden gedaan door een man die door het hof wordt herkend als verdachte [verdachte]. Vervolgens loopt de verdachte door de alarmpoortjes naar buiten zonder dat het alarm afgaat.

Op 19 maart 2011 zijn de beide verdachten wederom aanwezig in de [winkel] te [plaats]. Zij worden aldaar aangehouden. De verdachte heeft op dat moment een groen-witte geprepareerde plastic tas bij zich. Het hof stelt vast dat deze tas qua vorm en kleurstelling soortgelijk is aan de tas die op de camerabeelden van 12 maart 2011 te zien is.

Uit de camerabeelden kan eveneens worden afgeleid dat verdachten samen werken. Een van hen, verdachte, draagt de tas en de ander, [medeverdachte], wijst kleding aan die verdachte vervolgens pakt. Beiden dragen ‘oortjes’, kennelijk om met elkaar in verbinding te blijven.

Verdachten geven aan niets gekocht te hebben (met uitzondering van een paar sokken door [medeverdachte]).

Alles in samenhang overziende, komt het hof tot het oordeel dat het niet anders kan zijn dat verdachte zich met zijn medeverdachte schuldig heeft gemaakt aan diefstal. Het gedurende meerdere uren in de [winkel] rondlopen, het uit de beelden blijkende gedrag aldaar, het zeven maal in en uitlopen met een geprepareerde tas die bij het verlaten van de winkel voller lijkt te zitten en bij het binnentreden leger, gekoppeld aan het rond die tijd verdwijnen van een substantieel aantal goederen, gekoppeld aan het niet kunnen tonen van bonnetjes en het ontbreken van een redelijke verklaring, brengen het hof tot deze conclusie. De aangifte, gekoppeld aan het op de beelden geconstateerde gedrag op plaats en tijd delict en het (later) aantreffen van de geprepareerde tas brengen het hof tot het oordeel dat het ten laste gelegde wettig en overtuigend is bewezen, als na te melden.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op of omstreeks 12 maart 2011 te [plaats] tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, meermalen, althans eenmaal, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een winkel aan het [adres] heeft weggenomen een grote hoeveelheid kledingstukken en/of portemonnees, (met een totaalbedrag van ongeveer 14.005,00 euro) in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan de winkel "[winkel]", in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s).

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van diefstal door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Het hof overweegt daarbij in het bijzonder:

Verdachte heeft samen met de medeverdachte op zeer professionele wijze winkeldiefstallen gepleegd. Zij maakten gebruik van een speciaal voor diefstal geprepareerde tas en werkten daarbij samen. De winkeldiefstallen zijn tevens op grote schaal gepleegd. Op de camerabeelden is te zien dat verdachten meermalen de [winkel] in- en uitlopen. Uit het proces-verbaal met registratienummer [nummer] met bijlagen blijkt dat beide verdachten al eerder voor een soortgelijk feiten in beeld zijn geweest. Dit betrof feiten bij de [winkels] in [plaats], [plaats] en [plaats]. Verdachte is op 12 november 2010 aangehouden in de [winkel] [plaats] en op 3 maart 2011 in de [winkel] [plaats] in verband met winkeldiefstal. Het hof merkt op dat in de in beslag genomen TomTom van verdachte [medeverdachte] ook adressen van andere [winkels] in Nederland stonden. Gelet op de ernst van het feit, de uit de documentatie van verdachte blijkende recidive en hetgeen omtrent de persoon van verdachte is gebleken, is het hof van oordeel dat oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van de hierna aan te geven duur, passend en geboden is. Aanleiding om een deel van de straf in voorwaardelijke zin op te leggen is er niet.

Het tenlastegelegde en bewezenverklaarde is begaan met behulp van de hierna te noemen inbeslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen. Zij behoren de veroordeelde toe. Zij zullen daarom worden verbeurd verklaard. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van veroordeelde.

Vordering van de benadeelde partij [winkel]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 11.344,05. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 7.500. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. De hoogte van de vordering is door de verdediging niet, althans onvoldoende gemotiveerd, betwist. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24, 33, 33a, 36f, 47, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 180 (honderdtachtig) dagen.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

een mobiele telefoon van het merk Nokia met bijbehorend oortje en de geprepareerde groen/witte plastic tas.

Gelast de teruggave aan verdachte van de in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:

een portefeuille, vier sleutels met AH bonuskaart en Supercoopkaart en een witte plastic tas met daarin een zwart jack.

Vordering van de benadeelde partij [winkel]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [winkel] ter zake van het bewezen verklaarde tot het bedrag van € 11.344,05 (elfduizend driehonderdvierenveertig euro en vijf eurocent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte die, evenals zijn mededader, hoofdelijk voor het gehele bedrag aansprakelijk is, met dien verstande dat indien en voor zover de een aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan, de ander daarvan in zoverre zal zijn bevrijd, om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [winkel], een bedrag te betalen van € 11.344,05 (elfduizend driehonderdvierenveertig euro en vijf eurocent) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 91 (eenennegentig) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat de verplichting tot betaling van schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer voor de verdachte komt te vervallen indien en voor zover de mededader heeft voldaan aan de verplichting tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Bepaalt dat indien en voor zover de mededader van de verdachte voormeld bedrag heeft betaald, verdachte in zoverre is bevrijd van voornoemde verplichting tot betaling aan de benadeelde partij of aan de Staat.

Aldus gewezen door

mr P.A.H. Lemaire, voorzitter,

mr. H.J. Deuring en mr R. de Groot , raadsheren,

in tegenwoordigheid van A.P.M van Weegen, griffier,

en op 16 oktober 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr H.J. Deuring is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.