Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:7589

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-10-2013
Datum publicatie
11-10-2013
Zaaknummer
200.125.607/01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming tot erkenning.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 204
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2013/155
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.125.607/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 135853 / FA RK 12-1811)

beschikking van de familiekamer van 1 oktober 2013

inzake

[de vrouw]

wonende op een geheim adres,

woonplaats kiezende ten kantore van haar advocaat,
verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. S.M. Wolfert, kantoorhoudende te Groningen,

tegen

[de man] ,

wonende te [de man],
feitelijk verblijvende te Rotterdam,
verder te noemen: de man,

verweerder in hoger beroep,

advocaat: mr. E.R.J. Helmantel, kantoorhoudende te Dronten.

Als overige belanghebbende is aangemerkt:

Mr. J. Bolt in zijn hoedanigheid van bijzondere curator van de minderjarige[minderjarige],

kantoorhoudende te Groningen,

verder te noemen: de bijzondere curator.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van 22 januari 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 19 april 2013, is de vrouw in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De vrouw verzoekt het hof om bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad die beschikking te vernietigen en te bepalen dat aan de man geen vervangende toestemming tot erkenning wordt verleend, en indien de man reeds tot erkenning van [minderjarige] is overgegaan de erkenning wordt vernietigd.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 3 juni 2013, heeft de man het verzoek in hoger beroep van de vrouw bestreden en geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring dan wel afwijzing van het verzoek van de vrouw in hoger beroep.

2.3

Het hof heeft de bijzondere curator in de gelegenheid gesteld om een verweerschrift in te dienen. Van die gelegenheid is door hem geen gebruik gemaakt.

2.4

Ter griffie van het hof zijn voorts binnengekomen:

- een brief van 23 april 2013 van de Raad voor de Kinderbescherming (verder te
noemen: de raad);

- een brief van 5 juli 2013 met bijlage van de raad; en
- een brief van 21 augustus 2013 met bijlagen van mr. Helmantel.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op vrijdag 30 augustus 2013 plaatsgevonden. Verschenen zijn de man, bijgestaan door mr. Helmantel, de advocaat van de vrouw en voorts is de bijzondere curator verschenen. Hoewel behoorlijk opgeroepen is de vrouw zelf, alsmede zijdens de raad niemand verschenen.

3 De vaststaande feiten

3.1

De man en de vrouw hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, waaruit [in 2010]
is geboren de thans nog minderjarige [minderjarige]. De vrouw is van rechtswege alleen belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige].

3.2

De vrouw heeft uit eerdere relaties twee kinderen, namelijk [kind 2] (1995) en [kind 3] (2006).

3.3

De man heeft ook twee kinderen uit een eerdere relatie, namelijk [kind 4] (1999) en [kind 4] (2002).

3.4

De man en de vrouw hebben vanaf maart 2009, samen met [minderjarige] en de andere kinderen van de vrouw, in gezinsverband met elkaar geleefd in [plaats]. Op of omstreeks 14 mei 2011 heeft de vrouw haar relatie met de man beëindigd door met de kinderen de gezamenlijke woning te verlaten. Volgens de vrouw was tijdens de relatie sprake van alcoholmisbruik en huiselijk geweld zijdens de man.

3.5

De vrouw is aanvankelijk met de kinderen naar haar ouders gegaan en heeft daarna in verschillende (geheime) opvangvoorzieningen verbleven. Sinds februari 2013 wonen de vrouw en de kinderen in hun huidige huurwoning.

3.6

De vrouw heeft op 15 juni 2012 aangifte gedaan tegen de man bij de politie van mishandeling van de vrouw gepleegd op 14 mei 2011. Het betreffende incident op 14 mei 2011 is volgens de vrouw voor haar de directe aanleiding geweest om de relatie met de man te verbreken.

3.7

Bij inleidend verzoekschrift, ingekomen bij de rechtbank op 22 augustus 2012, heeft de man de rechtbank verzocht om bij beschikking, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- hem vervangende toestemming te verlenen voor de erkenning van [minderjarige] als zijn kind;
- een omgangsregeling tussen de man en [minderjarige] vast te stellen inhoudende één weekend
per veertien dagen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur, alsmede de helft van
de gebruikelijke schoolvakanties.

3.8

De vrouw heeft verweer gevoerd.

3.9

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank - uitvoerbaar bij voorraad - de man vervangende toestemming verleend voor de erkenning van [minderjarige] en voorts onder aanhouding van iedere verdere beslissing de raad opgedragen een onderzoek in te stellen en advies uit te brengen omtrent de verzochte omgangsregeling.

De standpunten, kort samengevat

3.12

De grieven van de vrouw tegen de bestreden beschikking strekken tot betoog dat de belangen van [minderjarige] zullen worden geschaad door de erkenning van [minderjarige] door de man. De vrouw stelt dat zij sinds het uiteengaan van partijen in grote angst leeft voor de man en zij vreest dat het bergafwaarts zal gaan met de (recente) rust in het gezin, de relatie tussen haar en [minderjarige] en de ontwikkeling van [minderjarige], wanneer de man een rol gaat spelen in het leven van [minderjarige]. De vrouw is voorts van mening dat de rechtbank ten onrechte de omgang heeft losgekoppeld van de erkenning.

3.13

De man heeft de grieven van de vrouw gemotiveerd betwist. Hij is van mening dat er geen zwaarwegende omstandigheden zijn die aan de erkenning in de weg staan. De man betwist de beschuldigingen die de vrouw aan zijn adres heeft geuit van overmatig drankgebruik en huiselijk geweld en vindt dat hij te negatief wordt afgeschilderd door de vrouw. De man merkt op dat hij gepaste afstand bewaart tot het gezin van [minderjarige] en de vrouw en juridische wegen bewandelt. Het is hem niet duidelijk waar de angst bij de vrouw vandaan komt. Als de rechtbank in de toekomst zou beslissen dat geen omgangsregeling dient te worden vastgesteld tussen hem en [minderjarige], dan zal de man dat respecteren. Dat neemt volgens de man niet weg dat [minderjarige] er recht op heeft te weten wie haar vader is en dat er een juridische band tussen hem en [minderjarige] dient te komen.

3.14

De bijzondere curator heeft ter zitting van het hof het standpunt ingenomen dat de erkenning van [minderjarige] door de man, en daarmee het verlenen van de vervangende toestemming voor die erkenning, in het belang van [minderjarige] is. Hij heeft daartoe opgemerkt dat de man waarschijnlijk vader op afstand zal blijven, gelet op het advies dat de raad inmiddels inzake de omgang heeft uitgebracht en de toelichting van de man ter zitting van het hof. Daardoor heeft de erkenning geen directe gevolgen voor het dagelijks leven in het gezin van [minderjarige]. Wel zal er een juridische band tot stand komen tussen de man en [minderjarige], zodat zij op den duur zelf contact met hem kan opnemen als zij dat wil. [minderjarige] heeft er recht op te weten wie haar vader is. De bijzondere curator vreest dat de vrouw anders, gelet op haar houding [minderjarige] lang in het ongewisse zal laten over de man als haar vader. Dat acht hij niet in haar belang.

3.15

Blijkens de stukken is de raad de mening toegedaan dat er geen beletsel voor erkenning van [minderjarige] door de man bestaat.

4 De motivering van de beslissing

4.1

Op grond van artikel 1:204 lid 1 aanhef en onder c van het Burgerlijk Wetboek (BW), kan de man [minderjarige] slechts erkennen met voorafgaande schriftelijke toestemming van de vrouw (de vrouw).

4.2

Op grond van artikel 1:204 lid 3 BW, voor zover hier van belang, kan de toestemming van de vrouw, op verzoek van de man die het kind wil erkennen, door toestemming van de rechtbank worden vervangen indien de erkenning de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met het kind of de belangen van het kind niet zou schaden, en de man de verwekker is van het kind.

4.3

Nu tussen partijen vast staat dat de man de verwekker is van [minderjarige], komt het aan op een belangenafweging. In het bijzonder dient het hof het belang en de aanspraak van de man op erkenning van [minderjarige] af te wegen tegen het belang van een ongestoorde verhouding tussen de vrouw en het kind en een eventueel belang van het kind bij niet-erkenning, bijvoorbeeld omdat die erkenning al dan niet rechtstreeks de ontwikkeling van het kind schaadt.

4.4

Als uitgangspunt geldt daarbij dat de man en [minderjarige] er aanspraak op hebben dat hun relatie rechtens wordt erkend als een familierechtelijke betrekking. Een zekere emotionele weerstand bij de vrouw is onvoldoende om de hier bedoelde vervangende toestemming te weigeren. De vrouw zal aannemelijk moeten maken dat de erkenning leidt tot negatieve gevolgen voor de minderjarige.

4.5

Het hof is in dit verband van oordeel dat de vrouw in die bewijslast niet is geslaagd. Naar het oordeel van het hof is onvoldoende gebleken dat erkenning van [minderjarige] door de man de belangen van de vrouw bij een ongestoorde verhouding met [minderjarige] en/of de belangen van [minderjarige] zal schaden. Dat bij de vrouw angst bestaat voor de man maakt dat niet anders. De erkenning als zodanig leidt niet tot contacten tussen de vrouw en de man of tussen [minderjarige] en de man. Over de door de man verzochte omgangsregeling dient in dit verband nog te worden belist door de rechtbank (behandeling ter zitting van de rechtbank op 12 september 2013), waarbij de man bovendien ter zitting van het hof heeft aangegeven dat hij een eventuele 'ontzegging' van omgang door de rechtbank zal respecteren. Daarnaast heeft de vrouw niet onderbouwd dat professionele hulpverlening geen soelaas kan bieden om sterker te worden ten opzichte van de man en om haar angst en eventuele trauma's een plaats te geven.

4.6

Naar het oordeel van het hof kan hier in het midden blijven of de beschuldigingen die de vrouw aan het adres van de man heeft geuit op waarheid berusten. Wel stelt het hof vast dat de man die beschuldigingen heeft betwist en namens de vrouw ter zitting is aangegeven dat het gaat om één fysiek incident ten opzichte van de vrouw op 14 mei 2011 en verder alleen emotionele mishandeling. Wat daar van zij, zelfs al zouden de beschuldigingen volledig op waarheid berusten dan nog acht het hof de vaststelling van het juridisch vaderschap van de man ten opzichte van [minderjarige] in haar belang. Het hof is gebleken dat de vrouw er veel aan is gelegen om de man uit haar leven te houden, maar ook uit het leven van [minderjarige]. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is zelfs gebleken dat de vrouw voornemens is om [minderjarige] in ieder geval niet vóór haar achttiende verjaardag te vertellen wie haar vader is. Het hof kan de man en de bijzondere curator daarom volgen in hun standpunt dat de erkenning nodig is om het voor [minderjarige] mogelijk te maken te achterhalen wie haar vader is wanneer zij daar aan toe is of in het geval er onverhoopt iets met de vrouw mocht gebeuren.

4.7

Voor zover de weerstand van de vrouw tegen de erkenning verband houdt met de verzochte omgangsregeling (of een mogelijk toekomstig verzoek van de man om gezamenlijk ouderlijk gezag over [minderjarige]), overweegt het hof dat de omgang en het gezag over [minderjarige] thans niet aan het hof ter beoordeling voor liggen. Naar het oordeel van het hof heeft de rechtbank terecht die zaken 'losgekoppeld' van de hier bedoelde erkenning. Het hof ziet in hetgeen de vrouw heeft aangevoerd geen aanleiding een raadsonderzoek te gelasten op het punt van de erkenning.

4.8

Voor zover de vrouw heeft betoogd dat geen sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de man en [minderjarige], daargelaten of dat van belang is voor de erkenning nu de man de verwekker is van [minderjarige], verwerpt het hof dat betoog nu uit de stukken blijkt dat de man na de geboorte van [minderjarige] op 1 december 2010 nog een paar maanden mede de zorg voor haar heeft gedragen, alvorens omstreeks mei 2011 de samenwoning van partijen en de contacten werden verbroken.

4.9

Op grond van het voorgaande komt het hof tot de conclusie dat het belang van de vrouw om de man niet te laten erkennen, niet opweegt tegen het belang van [minderjarige] om de man als juridische vader te hebben en het belang van de man om haar te erkennen. Er is aldus onvoldoende reden om de vervangende toestemming tot erkenning aan de man te onthouden.

5 De slotsom

5.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen dient het hof de bestreden beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, te bekrachtigen.

6 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen, van
22 januari 2013, voor zover aan dit hoger beroep onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door G.M. van der Meer, A.H. Garos en D.J. Buijs en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 1 oktober 2013 in bijzijn van de griffier.