Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:7574

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-10-2013
Datum publicatie
23-10-2013
Zaaknummer
CR 200.124.854-01 8-10-2013
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Grievend gedrag van de alimentatiegerechtigde. Lotsverbondenheid verbroken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2014/7
EB 2014/6
FJR 2014/49.1
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 8 oktober 2013

Zaaknummer 200.124.854/01

HET GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Locatie Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. B.E. Dijkstra, kantoorhoudende te Drachten,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. R.G. Riemersma, kantoorhoudende te Leeuwarden.

Het geding in eerste aanleg

Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaarde beschikking van 16 januari 2013 (zaaknummer C/17/120160 / FA RK 12-850) heeft de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden, bepaald dat de man met ingang van de dag van ontbinding van het huwelijk van partijen tot 1 januari 2013 € 1.747,- bruto per maand aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud dient te voldoen en met ingang van 1 januari 2013 een bedrag van € 1.931,- bruto per maand.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen bij de griffie op 9 april 2013, heeft de man verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud op nihil te stellen, dan wel indien het hof de man jegens de vrouw onderhoudsplichtig acht, de door de rechtbank vastgestelde onderhoudsbijdrage te verminderen waarbij de door hem ingebrachte draagkrachtberekeningen en onderliggende stukken worden betrokken en de bijdrage met ingang van 17 oktober 2012 te bepalen op € 1.522,- bruto per maand en vanaf 1 januari 2013 op € 1.379,- bruto per maand, dan wel de bijdrage te verlagen tot een bedrag dat het hof juist acht. De man heeft daarnaast verzocht de vrouw te veroordelen tot terugbetaling aan hem van het bedrag dat hij op grond van de bestreden beschikking als partneralimentatie (onverschuldigd) heeft betaald. Daarnaast heeft hij verzocht als provisionele voorziening de uitvoerbaar bij voorraadverklaring van de beschikking van de rechtbank te schorsen en te bepalen dat de vrouw het loonbeslag dat zij op het salaris van de man heeft doen leggen, op te heffen.

Bij verweerschrift, binnengekomen bij de griffie op 27 mei 2013, heeft de vrouw het verzoek bestreden en verzocht het beroep van de man ongegrond te verklaren en de beschikking te bekrachtigen, in die zin dat het over 2012 te betalen bedrag wordt gewijzigd in een bedrag van € 1.770,- per maand en het bedrag met ingang van 1 januari 2013 wordt gewijzigd in € 2.104,- per maand. Voorts heeft zij verzocht bij een deels gegrond beroep van de man een verlaging van het door de man te betalen bedrag niet eerder te doen ingaan dan per datum beschikking hof.

Bij seperaat verweerschrift heeft de vrouw de verzoeken van de man tot schorsing van de uitvoerbaar bij voorraad verklaring van de beschikking van de rechtbank te schorsen en het loonbeslag op te heffen, bestreden en verzocht deze verzoeken af te wijzen.

Het hof heeft tevens kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een journaalbericht van 11 april 2013 met bijlage en een journaalbericht met bijlagen van 20 augustus 2013 beiden van mr. Dijkstra.

De verzoeken van de man in het incident, zoals opgenomen in zijn beroepschrift zijn bij beschikking van dit hof van 14 mei 2013 afgewezen.

Het hoger beroep is behandeld ter zitting van 3 september 2013. Verschenen zijn de man, bijgestaan door mr. Dijkstra, en mr. Riemersma namens de vrouw. De vrouw is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen. Mr. Dijkstra heeft ter zitting haar pleitnotities overgelegd.

De beoordeling

De vaststaande feiten

1.

De man en de vrouw zijn [in 1977] met elkaar gehuwd. Uit dit huwelijk zijn twee thans meerderjarige kinderen geboren.

2.

De man heeft - voor zover hier van belang - de rechtbank verzocht de echtscheiding uit te spreken. Bij beschikking van de rechtbank [september 2012] is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, welke beschikking [in 2012] is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand van de gemeente 's-Gravenhage. De vrouw heeft de rechtbank in haar verweerschrift van 4 juli 2012 zelfstandig verzocht te bepalen dat de man met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift met een bedrag van € 2.000,- per maand, dan wel met een in goede justitie vast te stellen bijdrage, zal bijdragen in de kosten van haar levensonderhoud. De man heeft hiertegen verweer gevoerd en verzocht de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in haar zelfstandig verzoek, dan wel het verzoek van de vrouw tot het vaststellen van partneralimentatie af te wijzen.

3.

Bij voornoemde beschikking [september 2012] is de zaak is aangehouden voor wat betreft de partneralimentatie. Bij de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank ten aanzien van de partneralimentatie beslist als hiervoor vermeld onder "Het geding in eerste aanleg".

Het oordeel van het hof

4.

Het hof overweegt ten aanzien van de geschilpunten die partijen verdeeld houden het volgende.

Door de man zijn in zijn beroepschrift, tevens houdende incidentele verzoeken, de volgende geschilpunten aan de orde gesteld:

- de samenleving in de zin van artikel 1:160 BW;

- de lotsverbondenheid tussen partijen;

- de behoeftigheid van de vrouw;

- de draagkracht van man;

- de (mogelijke) terugbetalingsplicht van de vrouw.

De vrouw heeft naast een verweerschrift ten principale in het incident een separaat verweerschrift ingediend, waarbij zij ingaat op de door de man gestelde verbreking van de lotsverbondenheid tussen partijen en de samenwoning van de vrouw. In haar verweerschrift verzoekt zij om de inhoud van dit verweerschrift in het incident als volledig herhaald en ingelast te beschouwen. De door de man aangevoerde geschilpunten zijn door haar kennelijk als grieven beschouwd en daar heeft zij ook als zodanig op gereageerd.

Het hof zal gelet hierop eveneens uitgaan van de door de man aangevoerde geschilpunten, zoals deze blijken uit zijn hoger beroepschrift, tevens houdende incidentele verzoeken.

De samenleving van de vrouw met een nieuwe partner

5.

De man stelt dat de vrouw sinds de zomer van 2012 een relatie heeft met de heer [nieuwe partner] en verwijst daarvoor naar een pagina op de sociale netwerksite 'Facebook'. De man vermoedt dat zij duurzaam samenleeft met de heer [nieuwe partner] en dat daarbij sprake is van wederzijdse zorg en een gemeenschappelijke huishouding. Op grond van art. 1:160 BW is er daarom volgens hem aanleiding om de partneralimentatie te beëindigen. De vrouw bestrijdt dat. Voorts geeft zij aan de man niet aannemelijk heeft gemaakt dat er sprake is van samenwonen.

6.

Het hof gaat voorbij aan de stelling van de man dat hij niet onderhoudsplichtig is, omdat de vrouw- in de zin van het bepaalde in artikel 1:160 BW - samenleeft met een ander als waren zij gehuwd, aangezien deze stelling tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw niet met voldoende feiten en stukken is onderbouwd. Een enkele uitdraai van voornoemde pagina op ‘Facebook’ waarop staat dat zij een relatie heeft met [nieuwe partner], acht het hof ontoereikend om de stelling van de man aannemelijk te kunnen achten.

De lotsverbondenheid tussen partijen

7.

De man stelt dat de vrouw gedurende het huwelijk en daarna zich zodanig grievend jegens met name hem, de kinderen en zijn (schoon)familie heeft gedragen dat de lotsverbondenheid, die grond is voor de partneralimentatie, verloren is gegaan. Hij heeft haar gedrag als zeer schokkend en ingrijpend ervaren. Zij heeft de meest afschuwelijke verhalen over hem verteld aan haar en zijn (schoon)familie. De verplichting tot het betalen van partneralimentatie dient daarom te vervallen dan wel te worden gematigd, aldus de man. Ter ondersteuning van zijn stelling heeft de man verwezen naar de producties die hij dienaangaande in het schorsingsverzoek, alsmede bij zijn journaalbericht van 20 augustus 2013 heeft overgelegd waaronder diverse afschriften van Facebook-pagina’s en brieven van de vrouw aan de man en de kinderen.

8.

De vrouw voert aan dat de door de man in het geding gebrachte regels van haar ‘Facebook-pagina’ niet openbaar gemaakt zijn. Dat geldt ook voor de brief aan haar dochter. Ze dateren bovendien van begin 2012. Partijen zijn in april/mei 2012 uit elkaar gegaan. De vrouw beaamt dat er onmiskenbaar sprake is geweest van een redelijk heftige strijd tussen partijen maar dat deze strijd wederzijds gevoerd is. Er is volgens de vrouw bij lange na geen grens overschreden op grond waarvan in redelijkheid betaling van de partneralimentatie niet langer van de man gevergd kan worden. Ter zitting is namens de vrouw nog naar voren gebracht dat de vrouw niet is verschenen omdat zij het niet aankan. Zij is niet in staat om met de man in één ruimte te verkeren.

9.

Bij de beantwoording van de vraag of aan één der gewezen echtgenoten ten laste van de ander een uitkering tot levensonderhoud moet worden toegekend, kunnen ook niet financiële factoren, zoals grievend gedrag, een rol spelen. In uitzonderlijke gevallen kan grievend gedrag van één der gewezen echtgenoten ten opzichte van de ander tot de conclusie leiden dat aan iedere lotsverbondenheid tussen de gewezen echtgenoten, welke lotsverbondenheid de grondslag vormt van een onderhoudsverplichting als bedoeld in artikel 1:157 BW, een einde is gekomen. In een zodanig geval kan geoordeeld worden dat betaling van een uitkering tot levensonderhoud in redelijkheid niet kan worden gevergd. Ook kan grievend gedrag van één der gewezen echtgenoten tegenover de ander aanleiding zijn om de onderhoudsverplichting te matigen.

10.

In het algemeen geldt dat bij de beoordeling in een concreet geval of een zodanige situatie zich voordoet, terughoudendheid dient te worden betracht, mede gelet op het onherroepelijke karakter van zo 'n beëindiging dan wel matiging. Voorts dient bedacht te worden dat het op zichzelf niet ongebruikelijk is dat een relatiebreuk dan wel echtscheiding gepaard gaat met de nodige emoties. Niet iedere vorm van wangedrag dan wel grievend gedrag is daarom aanleiding om de onderhoudsverplichting te matigen of te beëindigen.

11.

Het hof is van oordeel dat uit de stukken, die door de man zijn overgelegd, zonder meer blijkt dat de vrouw de man in een zeer kwaad daglicht heeft gesteld. Zij heeft met haar handelingen ook derden, onder meer de kinderen van partijen, op ontoelaatbare en stuitende wijze in de strijd tussen partijen betrokken. In de door de man in het geding gebrachte brieven van de vrouw aan hem, aan de dochter en/of de zoon van partijen blijkt dat de vrouw zich zeer grievend over zowel de kinderen als de man heeft uitgelaten. Een van de voorbeelden daarvan is de brief aan de man waarin ze onder meer heeft geschreven dat het een vermakelijk feit is dat hij aan het profiel van een kankerpatiënt voldoet, dat hij niets anders doet dan kankeren, dat het pijnlijk zal zijn en dat hij als dood zal zijn in de hel zal branden zoals alle leugenaars. Daarnaast heeft het hof kennis genomen van talloze stukken van de vrouw waarin zij de man uitscheldt met termen als “Lying Asshole” en “A sad sack with cancer” dan wel brieven aan haar kinderen waarin zij zich jegens de man - hun vader - buitengewoon kwetsend en respectloos uitlaat.

12.

Voorts is ter zitting gebleken dat de vrouw op 14 augustus 2013, op het moment dat de man in het gemeentehuis de bruiloft van de dochter van partijen bij woonde, zonder zijn toestemming zijn woning heeft betreden, spullen uit de woning heeft weggenomen en de spiegel van de man heeft beschreven met de woorden: "[appellant] is an asshole.". De man heeft daarbij aangegeven dat de vrouw in een brief heeft toegegeven de woning te zijn binnengedrongen. De man heeft inmiddels hiervan aangifte gedaan bij de politie. Daarnaast is de vrouw enkele dagen voor de zitting zijn ‘Skype-profiel’ binnengedrongen en heeft daarop de tekst geplaatst: "I, [appellant], have lied to everyone about [geïntimeerde], since I am a psycho en get off on hurting people and drama." De man heeft laten weten dat de vrouw ook zijn zwager heeft aangeschreven en zich grievend jegens hem over de man heeft uitgelaten.

Gelet op de gespecificeerdheid van deze stellingen van de man in samenhang met de door de man ingebrachte stukken waarin de vrouw zich ook zeer grievend heeft uitgelaten, gaat het hof ook uit van deze door de man genoemde gedragingen van de vrouw. De enkele reactie ter zitting dat de raadsman van de vrouw daarvan geen wetenschap heeft, levert in dat licht naar het oordeel van het hof onvoldoende een (gemotiveerde) betwisting op en passeert het hof daarom.

13.

Het hof acht aannemelijk dat de gedragingen van de vrouw voor de man zeer grievend en kwetsend zijn geweest. Anders dan de vrouw meent, is niet van doorslaggevend belang of de uitlatingen van de vrouw al dan niet richting derden kenbaar zijn gemaakt maar of het gedrag grievend is jegens de onderhoudsplichtige oftewel de man. Ook kunnen gedragingen van de onderhoudsgerechtigde die zich niet rechtstreeks richten tot de onderhoudsplichtige, zoals in casu de uitlatingen en het gedrag van de vrouw richting de kinderen en de zwager van de man, overigens meewegen bij de beoordeling of er sprake is van zodanig grievend gedrag dat een uitkering tot levensonderhoud ten laste van de man, ten gunste van de vrouw, in redelijkheid niet langer (ten volle) van hem kan worden gevergd.

14.

Het hof is op grond van het voorgaande van oordeel dat de vrouw de grenzen van toelaatbaar gedrag heeft overschreden. Dat zij door de echtscheiding heftig geëmotioneerd is (geweest), vormt daarvoor geen rechtvaardiging en betekent niet dat de gedragingen daardoor minder ernstig moeten worden geacht. Het hof betrekt daarbij dat het grievend gedrag van de vrouw zich niet slechts heeft beperkt tot de echtscheidingsprocedure maar ook daarna in volle hevigheid is doorgegaan.

15.

Het hof acht het derhalve aannemelijk dat de hiervoor genoemde gedragingen van de vrouw in onderlinge samenhang een onherroepelijk einde hebben gemaakt aan het gevoel van lotsverbondenheid van de man jegens de vrouw. Dit terwijl juist die verbondenheid, ontstaan door het huwelijk, één van de voornaamste gronden is voor de alimentatieplicht. Ook het feit dat de advocaat namens de vrouw ter zitting heeft aangegeven, dat de vrouw het niet kan verdragen om samen met de man in de zittingzaal aanwezig te zijn, beschouwt het hof als een signaal dat ook bij de vrouw kennelijk geen sprake meer is van enige lotsverbondenheid jegens de man. Alle omstandigheden in aanmerking nemend, is het hof van oordeel dat van de man in redelijkheid niet gevergd kan worden dat hij een bijdrage levert aan de kosten van levensonderhoud van de vrouw omdat door haar kwetsende en grievende gedrag van lotsverbondenheid geen sprake meer is. Het hof zal daarom aan de man geen alimentatieverplichting jegens de vrouw opleggen.

16.

Nu er geen bijdrage van de man in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw vastgesteld wordt, behoeven de stellingen van partijen over de behoeftigheid van de vrouw, de draagkracht van de man en de ingangsdatum van de eventuele verlaging van de partneralimentatie geen bespreking meer.

17.

Uit het voorgaande vloeit voor de vrouw de verplichting voort om, voor zover de man de door de rechtbank vastgestelde partneralimentatie heeft voldaan, die als onverschuldigd aan hem terug te betalen.

Slotsom

18.

Op grond van het voorgaande dient de beschikking waarvan beroep te worden vernietigd. Er zal opnieuw worden beslist als na te melden.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep;

en opnieuw beslissende:

wijst af het verzoek van de vrouw om vaststelling van een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud;

bepaalt dat de vrouw de door de man onverschuldigd betaalde partneralimentatie aan hem dient terug te betalen;

wijst af het in hoger beroep meer of anders verzochte.

De beschikking is gegeven door mrs. A.H. Garos, A.W. Beversluis en M.P. den Hollander en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van
8 oktober 2013 in bijzijn van de griffier.