Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:7565

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-10-2013
Datum publicatie
23-10-2013
Zaaknummer
CR 200.132.330-01 8-10-2013
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Machtiging uithuisplaatsing. De minimale verzorgingsdoelen van de minderjarige zijn, zelfs met hulp, in de thuissituatie niet behaald.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.132.330/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/139248/JE RK 13-861)

beschikking van de familiekamer van 8 oktober 2013

inzake

[appellante] ,

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.A. Knobben, kantoorhoudend te Deventer,

tegen

Stichting William Schrikker Jeugdbescherming en Jeugdreclassering,

kantoorhoudend te Amsterdam,

verder te noemen: de stichting,

verweerster in hoger beroep.

Als overige belanghebbenden zijn aangemerkt:

1 [de vader],

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de vader,

2. [de pleegouders] ,

wonende te [woonplaats],

hierna te noemen: de pleegouders.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de kinderrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle, van 4 juli 2013, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 14 augustus 2013, is de moeder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking voor zover daarbij de termijn van de machtiging uithuisplaatsing is verlengd. De moeder verzoekt het hof die beschikking te vernietigen (zo begrijpt het hof:) in zoverre en opnieuw te beslissen dat de minderjarige [kind] (hierna: [kind]), geboren[in 2007], niet langer uithuis is geplaatst in een voorziening voor 24-uurs pleegzorg, althans de periode van de uithuisplaatsing vast te stellen op zes maanden na 14 juli 2013, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

2.2

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 10 september 2013, heeft de stichting het verzoek in hoger beroep van de moeder bestreden.

2.3

Ter griffie van het hof zijn binnengekomen:

- op 30 augustus 2013 een brief van 29 augustus 2013 van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de raad) met bijlage;

- op 4 september 2013 een brief van 3 september 2013 van de raad.

2.4

De mondelinge behandeling heeft op 13 september 2013 plaatsgevonden. Verschenen zijn de moeder, bijgestaan door haar advocaat en namens de stichting mevrouw [namens de stichting]. Voorts is de vader verschenen. Mr. Knobben en de stichting hebben ter zitting een pleitnota overgelegd.

3 De vaststaande feiten

3.1

Tegen de weergave van de vaststaande feiten, zoals neergelegd in de bestreden beschikking van de rechtbank, is geen grief ontwikkeld zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.

4 De motivering van de beslissing

Formeel

4.1

Gelet op het feit dat het indicatiebesluit zich in het dossier bevindt, zal het hof de grief van mr. Knobben op dit onderdeel buiten beschouwing laten.

4.2

Ten aanzien van het door mr. Knobben ter zitting naar voren gebrachte bezwaar dat het verweerschrift te laat is ingediend door de stichting, merkt het hof het volgende op. Het beroepschrift in de onderhavige zaak is op 24 augustus 2013 binnengekomen en het verweerschrift diende uiterlijk 9 september 2013 te zijn ontvangen. Mr. Knobben heeft aangegeven dat hij het verweer op 5 september 2013 per e-mail heeft ontvangen en later de ontbrekende stukken gemaild heeft gekregen. Gelet hierop, de geldende jurisprudentie en het feit dat mr. Knobben het verweerschrift heeft kunnen bespreken met zijn cliënt, acht het hof de late ontvangst van het verweerschrift niet in strijd met de goede procesorde en zal het daarom rekening houden met de inhoud van het verweerschrift.

Inhoudelijk

4.3

De moeder kan zich met de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [kind] niet verenigen. Zij heeft - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat zij op enig moment heeft ingestemd met een tijdelijke uithuisplaatsing van [kind], maar dat door de stichting onvoldoende is ondernomen om [kind] weer terug te plaatsen. Zij stelt dat de uithuisplaatsing niet in het belang van [kind] is en acht zich zelf in staat om hem, met de juiste hulp, een veilige thuissituatie te bieden.

4.4

De stichting heeft gesteld dat de uithuisplaatsing van [kind] in het belang van zijn verzorging en opvoeding noodzakelijk is. Er is sprake van zowel kind- als ouderproblematiek. [kind] heeft baat bij een langdurige stabiele leefomgeving met rust, duidelijkheid, structuur, voorspelbaarheid en een zeer consequente benaderingswijze. De moeder is onmachtig hem een dergelijk leefomgeving te bieden.

4.5

Ingevolge artikel 1:262 lid BW kan de kinderrechter op verzoek van de stichting of de raad de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing telkens met ten hoogste een jaar verlengen. Op grond van de stukken en hetgeen tijdens de mondelinge behandeling naar voren is gekomen, is het hof evenals de rechtbank van oordeel dat, anders dan de moeder heeft aangevoerd, de gronden voor uithuisplaatsing nog steeds aanwezig zijn.

4.6

Er bestaan langdurig (grote) zorgen over de opvoedingsomgeving bij de moeder. Vanaf de geboorte van [kind] zijn er diverse vormen van hulpverlening ingezet. Vanaf 2010 is er sprake van thuisbegeleiding door Carinova gericht op ondersteuning van moeder en opvoedingsondersteuning. Ook wordt moeder al jaren begeleid door Tactus Verslavingszorg. Uit observatie van [kind] tijdens dagbehandeling en uit psychologisch onderzoek bij Lindenhout te [woonplaats] is naar voren gekomen dat [kind] op moeilijk lerend tot benedengemiddeld niveau functioneert.

4.7

In december 2011 is [kind] door Accare onderzocht. Accare heeft toen geconcludeerd dat [kind] ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De vele hulpverlening die is ingezet, blijkt niet toereikend. Ondanks deze hulpverlening gaat [kind] achteruit in zijn ontwikkeling. Gelet op de ernst van de situatie achtte Accare 24-uurs zorg noodzakelijk. Kort nadien is [kind] voor een korte periode uit huis geplaatst geweest. Op 20 december 2011 ([kind] woonde toen weer thuis) is moeder aangemeld bij Carint voor intensieve thuisbegeleiding. Sinds 9 maart 2012 is er sprake van een vrijwillige uithuisplaatsing van [kind] omdat moeder de opvoeding en verzorging van [kind] niet meer aankon en sinds juli 2012 verblijft hij in het huidige perspectiefbiedende pleeggezin. In juni 2013 is [kind] wederom door Accare onderzocht. Geconstateerd is dat [kind] bezig is met een goede inhaalslag; hij begint zich te hechten aan het pleeggezin, komt over angsten heen en krijgt structuur en begrenzing.

4.8

Voor het hof staat vast dat [kind]’s problematiek een langdurig stabiele leefomgeving vereist met rust, duidelijkheid, structuur en voorspelbaarheid. De zeer consequente benadering van de pleegouders lijkt inmiddels zijn vruchten af te werpen. [kind] ontwikkelt zich positief in het huidige perspectiefbiedende pleeggezin en begint zich te hechten aan de pleegouders. Ook de ouders hebben deze positieve ontwikkeling geconstateerd, echter zij zien [kind] toch het liefst weer thuis komen wonen.

4.9

Het hof is er van overtuigd dat de ouders zich naar vermogen inzetten en betrokken zijn bij [kind], maar dat zij door persoonlijkheidsproblematiek en/of financiële problemen in de afgelopen jaren niet in staat zijn om [kind] voornoemd pedagogisch klimaat te bieden. Het hof heeft daarbij voorts betrokken dat na de thuisplaatsing van [kind] in december 2011 vanaf januari 2012 aan moeder door Carint hulp is geboden bij de opvoeding en verzorging waarbij is gestart met minimale doelen ten aanzien van het geven van de juiste voeding en drinken aan [kind] en het één keer per week douchen (en haren wassen), maar dat moeder deze doelen niet kon halen. De stapjes die moeder in deze zette waren te minimaal om voor [kind] een veilige omgeving te creëren. De moeder bleek al snel overvraagd terwijl [kind] steeds meer in zijn ontwikkeling werd bedreigd.

4.10

Concluderend is het hof van oordeel dat het met intensieve hulpverlening in de thuissituatie niet is gelukt om de ernstige ontwikkelingsbedreiging van [kind] weg te nemen, zodat het hof verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing ook thans nog noodzakelijk acht. Een beperking van de duur van de machtiging tot uithuisplaatsing is gelet op het voorgaande dan ook niet aan de orde.

4.11

Het betoog van de moeder dat sprake is van een ongerechtvaardigde inbreuk op het recht op gezinsleven, als bedoeld in artikel 8 EVRM, treft, gelet op het bepaalde in lid 2 van dat artikel en hetgeen hiervoor is overwogen, geen doel. Tevens maakt het feit dat er gestart is met een vrijwillige uithuisplaatsing die later is opgevolgd door een gedwongen uithuisplaatsing het oordeel van het hof niet anders.

4.12

Uit het voorgaande volgt dat het hof de beschikking, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, zal bekrachtigen.

5 De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, voor zover bestreden.

Deze beschikking is gegeven door mrs. A.H. Garos, M.P. den Hollander en H. van Lokven-van der Meer, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 8 oktober 2013 in bijzijn van de griffier.