Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:7554

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-10-2013
Datum publicatie
10-10-2013
Zaaknummer
200.130.816-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kort geding tot opheffing van het conservatoir beslag. Vraag of termijn voor nakoming bevel tot afgifte van art. 3: 28 BW verklaring te kort is en of dwangsom te hoog is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.130.816/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland C/17/127420 / KG ZA 13-173)

arrest van de tweede kamer van 8 oktober 2013

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. R.K.E. Buysrogge, kantoorhoudend te Zwolle,

tegen

1 [geïntimeerde 1],

wonende te [woonplaats],

2. [geïntimeerde 2],

wonende te [woonplaats],

3. [geïntimeerde 3],

wonende te [woonplaats],

4. [geïntimeerde 4],

wonende te [woonplaats],

5. [geïntimeerde 5],

wonende te [woonplaats],

6. [geïntimeerde 6],

wonende te [woonplaats],

7. [geïntimeerde 7],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerden,

in eerste aanleg: eisers,

hierna gezamenlijk te noemen: [geïntimeerden],

advocaat: mr. C.S. Huizinga, kantoorhoudend te Leeuwarden.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 21 juni 2013 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Leeuwarden.

2. Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 18 juli 2013 (inhoudende de grieven en met producties),

- de conclusie van eis,

- de memorie van antwoord (met producties),

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering in hoger beroep van [appellant] luidt:

"het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland locatie Leeuwarden op 21 juni 2013 tussen partijen gewezen onder nr. / C/17/127420 KG ZA 130173 te vernietigen en opnieuw rechtdoende te beslissen als hiervoor omschreven, met veroordeling van [geïntimeerden] in de kosten.”

3 De beoordeling

De feiten

3.1

De voorzieningenrechter is in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.13) uitgegaan van een aantal feiten. Hieromtrent bestaat tussen partijen geen geschil, zodat ook het hof van die feiten zal uitgaan, met dien verstande dat het hof onbekend is met de huidige stand van de bodemprocedure en daarom r.o. 2.13 van het vonnis niet zal overnemen. Het gaat, aangevuld met wat onweersproken is gesteld omtrent hetgeen na het vonnis van de voorzieningenrechter nog is voorgevallen, om het volgende.

3.1.1

Eiseressen sub 1 en 2 en [appellant] zijn de erfgenamen van [de erflater], die [in 2009] is overleden. Zij zijn ieder voor 1/3 deel gerechtigd in de nalatenschap van [de erflater]. .

3.1.2

Eiseressen sub 3 tot en met 7 zijn de erfgenamen van [de erflater 2], de broer van [de erflater], die op 16 juni 2011 is overleden. Zij zijn ieder voor 1/5 deel gerechtigd in de nalatenschap van [de erflater 2].

3.1.3

Tot zowel de nalatenschap van [de erflater] als de nalatenschap van [de erflater 2] behoort de onverdeelde helft van de eigendom van een aantal aan elkaar grenzende percelen weiland (hierna: de weilanden), die kadastraal bekend staan als gemeente [gemeente].

3.1.4

[bedrijf X] (hierna: [bedrijf X]) heeft zich begin 2012 bereid verklaard om de weilanden voor een bedrag van € 335.000,- te kopen van partijen. [appellant] is

- in tegenstelling tot de overige erfgenamen van [de erflater] en [de erflater 2] - niet akkoord gegaan met het bod van [bedrijf X].

3.1.5

De voorzieningenrechter van de (voormalige) rechtbank Leeuwarden heeft [appellant] - op vordering van [geïntimeerden] - bij kortgedingvonnis van 2 mei 2012 veroordeeld om binnen vier weken na betekening van dat vonnis zijn medewerking te verlenen aan de verkoop (onder bepaalde bedingen) en de levering van de weilanden aan [bedrijf X]. In dit vonnis is tevens beslist dat indien [appellant] in gebreke zou blijven aan voornoemde veroordeling te voldoen, dat vonnis in de plaats treedt van zijn medewerking.

3.1.6

[appellant] heeft op 7 augustus 2012 een verzoekschrift tot het verlenen van verlof voor (onder andere) het leggen van conservatoir verhaalsbeslag ingediend bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden. In punt 9 van dit verzoekschrift wordt onder meer vermeld:

"Verzoeker wil een bodemprocedure tegen gerekwestreerde aanhangig maken. Met die bodemprocedure wil hij bereiken dat de weilanden niet voor een bedrag van € 335.000,00 verkocht worden, maar voor een bedrag van € 42.500,00/ha, ofwel € 53.000,- méér dan de voorgenomen verkoophypotheek althans voor een door deskundigen te bepalen reële waarde.

Als gerekwestreerden de weilanden tòch voor € 335.000,00 verkopen en levering aan [bedrijf X], terwijl zij weten dat verzoeker bezwaar tegen deze transactie heeft, handelen zij onrechtmatig en berokkenen zij schade. Die schade moet op € 50.000,- begroot worden. Tot zekerheid van verhaal van zijn schade wil verzoeker conservatoir beslag op de sub 4 genoemde onroerende zaken [de weilanden; toevoeging voorzieningenrechter] leggen."

3.1.7

De voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden heeft [appellant] bij beschikking van 7 augustus 2012 verlof verleend voor het leggen van conservatoir verhaalsbeslag op de weilanden. [appellant] heeft dit beslag vervolgens op 9 augustus 2012 op de weilanden laten leggen.

3.1.8

[appellant] heeft op 22 augustus 2012 een bodemprocedure aanhangig gemaakt bij de rechtbank Leeuwarden. Hij vordert in deze procedure primair dat een deel van het perceel [perceel] ter grootte van 1.48.30 ha, dat is gelegen tegen de boswalscheiding, met een recht van overpad aan hem wordt toebedeeld. Subsidiair vordert hij verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap, in die zin dat [geïntimeerden] worden veroordeeld tot betaling aan hem van een bedrag van € 20.000,- bovenop zijn aandeel in de gemeenschap, conform het aanbod dat [geïntimeerden] hem op 13 april 2012 heeft gedaan.

3.1.9

[appellant] is in hoger beroep gegaan tegen het vonnis van de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden d.d. 2 mei 2012. Het (voormalige) gerechtshof Leeuwarden heeft [appellant] bij arrest van 18 september 2012 niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.

3.1.10

[geïntimeerden] en [bedrijf X] hebben op 23 april 2013 een (definitieve) koopovereenkomst met betrekking tot de weilanden gesloten, overeenkomstig de voorwaarden die de voorzieningenrechter van de rechtbank Leeuwarden daaraan bij vonnis van 2 mei 2012 heeft gesteld. [geïntimeerden] heeft zich jegens [bedrijf X] verplicht om de weilanden vóór 30 juni 2013 vrij van beslagen te leveren, alsmede om te waarborgen dat [appellant] de opgeheven beslagen doorhaalt in de registers waarin zij staan vermeld. De koopovereenkomst tussen [geïntimeerden] en [bedrijf X] is op 24 april 2013 ingeschreven ten kantore van de Dienst voor het Kadaster en de Openbare Registers, in het register Onroerende Zaken Hyp4 in deel [nummer].

3.1.11

[geïntimeerden] heeft [appellant] bij brief van 8 mei 2013, voor zover nodig, gesommeerd om mee te werken aan de opheffing dan wel doorhaling van het verhaalsbeslag dat hij op 9 augustus 2012 op de weilanden heeft doen leggen. [appellant] heeft aan deze sommatie geen gehoor gegeven.

3.1.12

[appellant] heeft op 21 mei 2013 - na verkregen verlof daartoe van de voorzieningenrechter van deze rechtbank bij beschikking van 17 mei 2013 - deelgenotenbeslag laten leggen op het perceel weiland dat kadastraal - kort gezegd - is aangeduid als perceel [perceel]. Dit beslag heeft hij na de inleidende dagvaarding in het onderhavige kort geding opgeheven en doorgehaald.

3.1.13

[geïntimeerden] hebben het vonnis van de voorzieningenrechter van 21 juni 2013 in de namiddag van diezelfde dag aan [appellant] doen betekenen door achterlating van het exploot in de buitenbrievenbus van [appellant], die op toen niet thuis was. Op 26 juni 2013 heeft [appellant] het exploot aangetroffen. Op diezelfde dag heeft zijn advocaat de - hierna te bespreken - verklaring ex artikel 3:28 BW afgegeven.

Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

3.2

[geïntimeerden] hebben [appellant] in kort geding gedagvaard en - na eiswijziging - gevorderd (kort gezegd) dat, primair, de voorzieningenrechter het op 9 augustus 2012 gelegde conservatoir beslag op de weilanden opheft, subsidiair dat [appellant] wordt veroordeeld tot medewerking aan opheffing van bedoeld beslag tegen zekerheidsstelling conform een depotovereenkomst, met veroordeling van [appellant] om binnen 24 uur na betekening van het vonnis een onherroepelijke en volledige verklaring als bedoeld in artikel 3:28 BW af te geven aan de advocaat van [geïntimeerden], mede bevattende de volmacht om die verklaring in te laten schrijven, op straffe van verbeurte van een dwangsom groot € 15.000,- indien aan het gevorderde in zake de verklaring als bedoeld in art. 3:28 BW niet volledig wordt nagekomen, te verhogen met € 5.000,- voor iedere dag dat de niet nakoming voortduurt. Voorts hebben zij gevorderd dat [appellant] wordt verboden om, gedurende de tijd dat er geen uitvoerbaar vonnis is gewezen dat afwijkt van het op 2 mei 2012 tussen partijen gewezen vonnis, (rechts)maatregelen te treffen die een deugdelijke, volledige en tijdige uitvoering van de op 24 april 2013 ingeschreven koopovereenkomst, en de daarin voor alle betrokken partijen opgenomen verplichtingen, (feitelijk) frustreren, waaronder in ieder geval begrepen het (opnieuw) leggen van enig beslag, een en ander op straffe van een gelijke dwangsom als hiervoor omschreven. Ten slotte is veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure gevorderd.

3.3

De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat het conservatoir verhaalsbeslag op de weilanden ingevolge artikel 700 lid 3 Rv is vervallen, omdat [appellant] niet tijdig een eis in de hoofdzaak heeft ingesteld. Gelet daarop hebben [geïntimeerden] naar het oordeel van de voorzieningenrechter geen belang bij hun vordering tot opheffing van het beslag. Deze vordering heeft de voorzieningenrechter daarom afgewezen (zowel die tot opheffing als die tot medewerking aan opheffing). De vordering van [geïntimeerden], ertoe strekkende dat [appellant] zal worden veroordeeld om ten aanzien van het conservatoir verhaalsbeslag een onherroepelijke en volledige verklaring van waardeloosheid als bedoeld in artikel 3:28 BW af te geven aan de advocaat van [geïntimeerden], mede bevattende de volmacht om die verklaring in te laten schrijven, heeft de voorzieningenrechter toegewezen. Voorts heeft de voorzieningenrechter [appellant] verboden om tot aan het tijdstip van de levering van de weilanden aan [bedrijf X], (rechts)maatregelen te treffen die een deugdelijke, volledige en tijdige uitvoering van de op 24 april 2013 ingeschreven koopovereenkomst, en de daarin voor alle betrokken partijen opgenomen verplichtingen, (feitelijk) frustreren, waaronder in ieder geval begrepen het (opnieuw) leggen van enig beslag. De gevorderde dwangsomveroordeling ter zake van de afgifte van verklaring als bedoeld in artikel 3:28 BW en ter zake van het hiervoor bedoelde verbod is eveneens toegewezen, met een maximum tot € 100.000,-. [appellant] is veroordeeld in de proceskosten. Het meer of anders gevorderde is afgewezen.

De bespreking van de grieven

3.4

Het hof stelt voorop dat het de bij memorie van antwoord overgelegde producties vooralsnog buiten beschouwing zal laten, omdat [appellant] daarop nog niet heeft kunnen reageren.

3.5

Grief 1 houdt in dat de voorzieningenrechter ten onrechte heeft beslist dat nu het beslag van rechtswege is vervallen, [geïntimeerden] geen belang meer hebben bij de vordering tot opheffing van het beslag.

3.6

Het hof overweegt dat een appellant in hoger beroep niet kan opkomen tegen de afwijzing van een vordering van de geïntimeerde. Hierop strandt de grief. Daar komt bij dat niet valt in te zien hoe een vervallen en dus non-existent beslag zou kunnen worden opgeheven.

3.7

Grief 2 houdt in dat de voorzieningenrechter ten onrechte [appellant] heeft veroordeeld om binnen 24 uur na betekening een verklaring ex artikel 3:28 BW af te geven.

3.8

Voor zover met de grief is bedoeld dat een termijn van 24 uur na betekening onwerkbaar respectievelijk te kort is, overweegt het hof als volgt. Geen grief is aangevoerd tegen rechtsoverweging 2.10 van het vonnis van de voorzieningenrechter, luidende:

“[geïntimeerden] heeft zich jegens [bedrijf X] verplicht om de weilanden vóór 30 juni 2013 vrij van beslagen te leveren, alsmede om te waarborgen dat [appellant] de opgeheven beslagen doorhaalt in de registers waarin zij staan vermeld”.

Het vonnis van de voorzieningenrechter dateert van vrijdag 21 juni 2013. Gelet op de korte tijdspanne waarbinnen na die datum tot levering aan [bedrijf X] diende te worden overgegaan en de betrekkelijke eenvoud van de uit te voeren veroordeling, acht het hof een termijn van 24 uur na betekening niet onredelijk kort of onwerkbaar.

3.9

[appellant] beklaagt zich er voorts over dat betekening onaangekondigd heeft plaatsgevonden op vrijdagmiddag (21 juni 2013 om 16.10 uur) terwijl [appellant] niet thuis was. Deze klacht raakt echter niet de termijn zelf, maar snijdt de vraag aan of en in hoeverre [geïntimeerden] gegeven het tijdstip waarop en de omstandigheden waaronder de betekening heeft plaatsgevonden [appellant] tot betaling van verbeurde dwangsommen kunnen aanspreken. Door [geïntimeerden] is in dit verband aangevoerd dat beide partijen wisten dat op 21 juni 2013 vonnis zou worden gewezen, dat dit vonnis op die dag per fax aan de advocaten is verzonden en dat [appellant] en zijn advocaat vooruitlopend op de betekening alvast een verklaring hadden kunnen opstellen. Wat daar van zij, de hiervoor bedoelde vraag ligt buiten de grenzen van het onderhavige appel en zal zo nodig eerst in eerste aanleg door de voorzieningenrechter moeten worden beantwoord.

3.10

De stelling van [appellant] dat de afgifte van de verklaring als bedoeld in artikel 3:28 BW geen enkel doel had “nu opdracht tot opheffing en doorhaling was gegeven” acht het hof zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk.

3.11

De stelling van [appellant] dat op maandag 15 juli 2013 uit het kadaster niet bleek dat de percelen zijn geleverd aan [bedrijf X], doet aan het voorgaande niet af, omdat dit onverlet laat dat [bedrijf X] recht had op levering voor 30 juni 2013. Door [geïntimeerden] is overigens nog aangevoerd dat [bedrijf X] in verband met vakantie zelf gevraagd heeft om latere levering, dat levering op 11 juli 2013 heeft plaatsgevonden en dat dit blijkbaar op 15 juli 2013 nog niet in het kadaster was verwerkt.

3.12

De grief faalt.

3.13

Met grief 3 klaagt [appellant] over de hoogte van de opgelegde dwangsom.

Het hof ziet echter in het door [appellant] gestelde, bezien tegen de achtergrond van het doel van de veroordeling (het mogelijk maken van een transactie met een waarde van € 335.000,-) en gelet op de omstandigheden van het geval, geen aanknopingspunten om de beslissing van de voorzieningenrechter op dit punt te vernietigen. De grief faalt.

3.14

Met grief 4 komt [appellant] op tegen zijn veroordeling in de proceskosten. Hij wijst erop dat in familiezaken en erfrechtelijke zaken een kostenveroordeling niet gebruikelijk is. Het feit dat hij een bodemprocedure is gestart en hangende die procedure getracht heeft de levering ingevolge het kortgedingvonnis van 2 mei 2012 te voorkomen, kan naar zijn mening niet als onwil worden uitgelegd. Het hof ziet in het gestelde geen aanleiding de proceskosten in eerste aanleg alsnog te compenseren. De voorzieningenrechter heeft toegelicht waaruit de onwil van [appellant] zoal blijkt (r.o. 4.6 vanaf “Deze onwil blijkt onder meer”). Tegen die overweging komt de grief niet op. Daar komt bij dat [appellant] ook het deelgenootbeslag pas heeft opgeheven nadat hij was gedagvaard. De grief faalt.

De slotsom.

3.15

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd met veroordeling van [appellant] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van het geding in hoger beroep (wat betreft het aan de zijde van [geïntimeerden] te liquideren salaris van de advocaat te begroten op 1 punt in tarief II), vermeerderd met de gevorderde nakosten.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Noord-Nederland waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep en begroot die aan de zijde van [geïntimeerden] tot aan deze uitspraak op € 299,- aan verschotten en € 894,- aan geliquideerd salaris voor de advocaat, te vermeerderen met € 131,00 voor nasalaris van de advocaat en € 68,00 voor nasalaris van de advocaat indien niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak is voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;

verklaart dit uitvoerbaar bij voorraad ten aanzien van de proceskostenveroordeling;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. L. Janse, mr. M.W. Zandbergen en R.A.van der Pol en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag

8 oktober 2013.