Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:7542

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
08-10-2013
Datum publicatie
10-10-2013
Zaaknummer
200.113.616-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzekeringszaak. Hagelschade aan uien. Vraag of het beroep van de verzekeraar op bindende hertaxatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RAV 2014/14

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.113.616/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 176405 / HZ ZA 10-1333)

arrest van de tweede kamer van 8 oktober 2013

in de zaak van

[appellante]

gevestigd te [woonplaats],

appellante,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: [appellante],

advocaat: mr. W.M. Bijloo, kantoorhoudend te Middelharnis,

tegen

[geïntimeerde]

gevestigd te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. M.F.H.M. van Haastert, kantoorhoudend te Zwolle.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 5 oktober 2011 en 25 april 2012 van de rechtbank Zwolle-Lelystad.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 23 juli 2012,

- de memorie van grieven, (met 3 producties,)

- de memorie van antwoord.

2.2

Vervolgens hebben beide partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellante] luidt:

"bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de vonnissen van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 5 oktober 2011 en 25 april 2012 onder zaak-/rolnummer 176405/HZ ZA 10-1333 gewezen tussen appellant als eiser en geïntimeerde als gedaagde te vernietigen en opnieuw rechtdoende bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, geïntimeerde te veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan appellant te betalen:

1. een bedrag van € 20.617,85, vermeerderd met de wettelijke rente over een bedrag van € 18.067,666 vanaf 26 januari 2010, dan wel een door uw Hof in goede justitie te bepalen datum, telkens na een jaar te vermeerderen met de over dat jaar verschuldigde rente, tot aan de dag der algehele voldoening;

2. de reeds aan [geïntimeerde] betaalde proceskosten van de procedure in eerste aanleg van € 2.481,50, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 15 mei 2012 tot de dag der algehele voldoening vermeerderd met de over dat jaar verschuldigde wettelijke rente;

3. de proceskosten van eerste en tweede aanleg aan de zijde van appellant, waaronder de nakosten ad € 131,-- indien zij aan de veroordeling voldoet zonder dat het arrest aan haar behoeft te worden betekend en ad € 199,-- indien het arrest aan haar betekend moet worden, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van het in deze te wijzen (het hof leest:) arrest en, voor het geval voldoening niet binnen deze termijn plaatsvindt, te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten vanaf bedoelde termijn voor voldoening."

2.4

De conclusie van de memorie van antwoord luidt:

“bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, de door appellante bestreden vonnissen van de rechtbank van 5 oktober 2011 en 25 april 2012 al dan niet met verbetering en/of aanvulling van de gronden, te bekrachtigen en appellante te veroordelen in de kosten van de procedure, te vermeerderen met de zogenaamde nakosten van € 131,00 – of – ingeval van betekening van het vonnis € 199,--, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van de door uw Rechtbank te wijzen vonnis, en –voor het geval betaling binnen deze termijn achterwege blijft – te vermeerderen met de wettelijke rente over deze (na)kosten, te rekenen vanaf 14 dagen na de datum van het door uw Rechtbank te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.”

3 De feiten

3.1.

De volgende feiten zijn tussen partijen niet in geschil.

3.2.

[appellante] is een uienteler. In het teeltseizoen 2009 heeft hij 6,25 ha rode zaaiuien van het ras Red Baron geteeld op een perceel landbouwgrond aan [adres]. [appellante] heeft de uien op basis van een ‘Gewassen te velde verzekering’ voor een bedrag van € 8.000,- per ha tegen hagelschade verzekerd bij [geïntimeerde].

3.3

Op deze verzekeringsovereenkomst zijn van toepassing de verzekeringsvoorwaarden voor gewassen te velde d.d. 01-01-1990. Die verzekeringsvoorwaarden bevatten onder meer de navolgende bepalingen:

‘Artikel 1: Begripsomschrijvingen.

(…)

11. Schade.

Het financiële verlies, dat verzekerde lijdt door een mindere opbrengst dan redelijkerwijs verwacht mag worden als gevolg van een gedekte schadegebeurtenis.

Artikel 2: Omschrijving van de dekking.

(…)

Gedekte gebeurtenissen.

De verzekering dekt de in de polis vermelde gewassen tegen materiele schade door een hierna vermelde gebeurtenis.

1. Rubriek A – Hagelschade

Schade die verzekerde lijdt door beschadiging van zijn verzekerde gewassen veroorzaakt door hagel.

(…)

Artikel 4: Schade.

(…)

3. Schaderegeling: (…)

De definitieve taxatie bij hagel- en stormschaden vindt in ieder geval plaats voor de oogst. (…) Bij geen overeenstemming over de schade, waaronder ook te verstaan de schade-oorzaak, kan de verzekeringnemer binnen 3 werkdagen na de taxatie de maatschappij schriftelijk verzoeken een hertaxatie te laten uitvoeren. Deze wordt door twee deskundigen uitgevoerd. Een, als zodanig gekwalificeerd, taxateur kan door de verzekerde worden benoemd, de ander door de maatschappij. Deze deskundigen/taxateurs zullen, alvorens tot taxatie over te gaan, een derde deskundige/taxateur benoemen, die in geval van verschil, uitspraak zal doen binnen de grenzen van de twee taxaties. Deze uitspraak is bindend voor beide partijen, evenals de taxatie van de beide eerstgenoemde deskundigen/taxateurs, wanneer deze omtrent het bedrag van de schade tot overeenstemming zijn gekomen. (…)

4. Schadevaststelling: bij vaststelling van de schade wordt uitgegaan van en rekening gehouden met:

(…)

- de te verwachten bruto opbrengst van de gewassen indien de gedekte gebeurtenis niet had plaatsgevonden

- de mate van beschadiging van de gewassen

(…)

De schade wordt vastgesteld in een percentage financiële opbrengstvermindering, berekend over het beschadigde oppervlak van de gewassen.

3.4

Op 3 juli 2009 is het perceel uien van [appellante] getroffen door zware hagel, waardoor schade aan uien is opgetreden. [appellante] heeft de schade op 6 juli 2009 gemeld bij [geïntimeerde].

3.5

Op 9 juli 2009 hebben twee taxateurs van [geïntimeerde], [taxateur 1] en [taxateur 2], het perceel van [appellante] getaxeerd. Zij hebben 40% bladafslag geconstateerd. Besloten is om de taxatie aan te houden ‘om te kijken hoe het gewas reageert’. Op 25 juli 2009 hebben beide taxateurs de schade vastgesteld op 28%.

3.6

Op 27 juli 2009 heeft [taxateur van appellante] (hierna: [taxateur van appellante]) op verzoek van [appellante] het perceel bezichtigd.

3.7

[appellante] heeft tegen de taxatie door de beide taxateurs van [geïntimeerde] bezwaar gemaakt en heeft overeenkomstig de verzekeringsvoorwaarden om een hertaxatie gevraagd. Die hertaxatie heeft op 31 juli 2009 plaatsgevonden door de heer [taxateur van geïntimeerde] (hierna: [taxateur van geïntimeerde]) taxateur van [geïntimeerde] en [taxateur van appellante] als taxateur van [appellante]. Beide taxateurs hebben gezamenlijk een derde taxateur aangewezen, te weten [taxateur 3] (hierna: [taxateur 3]).

3.8

Op 17 augustus 2009 hebben [taxateur van geïntimeerde] en [taxateur van appellante] de uien opnieuw bezichtigd en bemonsterd.

3.9

In zijn taxatierapport van 17 augustus 2009 heeft [taxateur van appellante] het schadepercentage vastgesteld op 28%. Achter ‘Bijzonderheden’ heeft [taxateur van appellante] onder meer het volgende geschreven (voor zover voor het hof leesbaar):

‘10,5% aantal uien begin inwendige aantasting. Maatschappij geeft de zekerheid tot 15 Nov. Dat ten gevolge van hagel e.a. inwendige aantasting komt.’

3.10

Ook [taxateur van geïntimeerde] heeft in zijn taxatierapport van 17 augustus 2009 het schadepercentage vastgesteld op 28%. Achter ‘Bijzonderheden’ heeft [taxateur van geïntimeerde] het volgende geschreven:

‘Geen overeenstemming over kwaliteit. Bijlage zie taxatieverslag’

In het taxatieverslag van [taxateur van geïntimeerde] (productie 4 conclusie van antwoord) heeft hij onder meer het volgende geschreven:

‘Op 17 augustus hebben we 100 uien willekeurig uit het perceel gehaald en beoordeeld. 10,5% van het aantal uien heeft een vochtige nek met licht aangetaste uienrokken. Dit getal is niet één op één door te vertalen in kilogrammen tarra. Tevens is niet duidelijk wat de oorzaak is van deze aangetaste uienrokken, er zijn meerdere factoren die een aantasting kunnen veroorzaken. Mijn inziens kan een ondernemer dit kwaliteitsrisico reduceren door de juiste keus te maken. De keus om ze in de schuur te rijden is een ondernemerskeus. Het op 25 juli vastgestelde % is mijn inziens ruim voldoende om de kwaliteit en kwantiteitsschade te compenseren.’

3.11

De derde, door [taxateur van geïntimeerde] en [taxateur van appellante] aangewezen taxateur, [taxateur 3], heeft het schadepercentage op 25 augustus 2009 eveneens vastgesteld op 28%. In zijn taxatierapport van 25 augustus 2009 vermeldt hij achter ‘Bijzonderheden’:

‘Arbitrage – geen aanpassing noodzakelijk

Percentage blijft 28% en geen aansprakelijkheid in bewaring’

3.12

De schade is door [geïntimeerde] afgewikkeld op basis van het schadepercentage van 28%, waarbij rekening is gehouden met het overeengekomen eigen risico van 7%.

3.13

[appellante] heeft getracht de uien ‘af land’ te verkopen. Nadat de eerste twee beoogde kopers ([bedrijf 1] en [bedrijf 2]) de partij hebben afgekeurd, zijn de uien tegen een prijs van € 4,50 per 100 kg verkocht aan [bedrijf 3]

3.14

[taxateur van appellante] heeft in opdracht van [appellante] een ‘Expertiserapport’ opgesteld, gedateerd 11 januari 2010. Daarin schrijft hij onder meer het volgende:

‘Op 17 augustus jl. hebben de heer [taxateur van geïntimeerde] en ik de uien opnieuw bekeken en bemonsterd. Wij hebben op tien onwillekeurige plaatsen, verdeeld over het hele perceel, monsters genomen. Per monster tien naast elkaar staande uien, met een totaal van 100 stuks uien.

(…)

Gezamenlijk hebben we vastgesteld 10,5% ‘niet goed’

(…)

Op het moment van de verrichte hertaxatie kon niemand voorspellen of de aangetaste uienrokken opdrogen of de schimmel en/of bacterie aantasting zich doorontwikkelt of niet. Ik heb derhalve aangegeven dat het een risicopartij is en blijft. Het af land verkopen is dan een dure optie, want als bekend wordt bij de uienhandel, dat deze partij hagelbeschadiging heeft, heb je in zijn algemeenheid een forse prijsdaling, wat resulteert in een percentage kwaliteitsschade van 50 tot 70%.

Aangezien er vaak meerdere partijen zijn van dien aard en het bij een enkele partij fout gaat, is de beste optie voor de verzekeraar, om de uien de schuur in te rijden, goed te drogen en vervolgens het risico te nemen dat het fout kan gaan. Ik heb dan ook voorgesteld aan de taxateur van [geïntimeerde], om de uien de schuur in te rijden met de clausule, dat verzekerde tot 15 november dit jaar hierop terug mocht komen, als er ten gevolge van de hagelbeschadiging, door een inwendige aantasting de kwaliteit van de uien onder de toelaatbare grens van de AVZ en/of KCB-norm komt.

Aangezien de taxateur van de verzekeraar weigerde om met het kwaliteitsrisico tot 15 november a.s. mee te gaan, terwijl het in het verleden door de verzekeraar wel gedaan is, konden we geen overeenstemming bereiken (zie bijlage 4).

Op 25 augustus jl. heeft de arbiter de schade vastgesteld, waarbij hij de clausule ‘aansprakelijk in bewaring’, heeft uitgesloten (zie bijlage 5). Dit was voor mij een onbegrijpelijk standpunt, aangezien verzekerde een groot risico neemt, want als het in de bewaring fout gaat ten gevolge van hagel, wat op dat moment bij deze partij niemand definitief kan vaststellen, dan kan de schade oplopen tussen de 80 en 130%, terwijl de verzekeraar maximaal 100% uitbetaalt.

(…)

SAMENVATTING

De aantasting van schimmels en bacteriën, welke via de kapotgeslagen pijpen via de pijp, bladschede, hals, de uirok zijn binnengetrokken, is op het veld door de droging niet gestopt. (…) Door de kopers, [bedrijf 1] en [bedrijf 2] zijn deze uien dan ook terecht afgekeurd. De inwendige aantasting, geconstateerd door de taxateur [taxateur van geïntimeerde] van [geïntimeerde] en mij, heeft zich doorontwikkeld. (…)’

4 Het geschil en de beslissing in eerste aanleg

4.1

[appellante] heeft zakelijk weergegeven gevorderd dat [geïntimeerde] wordt veroordeeld aan haar te betalen een bedrag van € 20.617,89 vermeerderd met wettelijke rente over een bedrag van € 18.067,66 vanaf 26 januari 2010. [appellante] heeft haar vordering daarop gebaseerd dat de schade aan de uien als gevolg van de hagelbui op 3 juli 2009, die aanvankelijk is vastgesteld op 28%, zich heeft doorontwikkeld tot 68%. [geïntimeerde] kan zich naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet op de hertaxatie [taxateur 3] beroepen en had daarom het dossier moeten heropenen en aan [appellante] alsnog op basis van het juiste schadepercentage moeten uitkeren. Volgens [geïntimeerde] daarentegen zijn partijen gebonden aan het conform de verzekeringsvoorwaarden door taxateur [taxateur 3] bij wijze van hertaxatie vastgestelde schadepercentage. [geïntimeerde] bestrijdt de opvatting van [appellante] dat gebondenheid aan die hertaxatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Daarnaast betwist [geïntimeerde] dat [appellante] als gevolg van de hagelbui op 3 juli 2009 meer onder de verzekeringsovereenkomst gedekte schade heeft geleden dan hem ingevolge die verzekeringsovereenkomst is uitgekeerd. De overige schade is volgens [geïntimeerde] ontstaan door andere factoren.

4.2

Na bij het tussenvonnis van 5 oktober 2011 een comparitie van partijen te hebben gelast, heeft de rechtbank bij het vonnis van 25 april 2012 de vorderingen van [appellante] afgewezen. Daartoe overwoog de rechtbank, kort samengevat weergegeven, dat de door [appellante] aangevoerde omstandigheden niet tot de conclusie kunnen leiden dat zij niet langer is gebonden aan de hertaxatie.

5 De beoordeling van het hoger beroep

5.1

Onder verwijzing naar het gestelde in de memorie van grieven sub 1-44 betoogt grief I dat de rechtbank de feiten in het tussenvonnis niet compleet en niet geheel juist heeft weergegeven. Nog daargelaten dat niet concreet wordt aangegeven welk(e) feit(en) de rechtbank dan ‘niet geheel juist’ en ‘niet compleet’ heeft vastgesteld, ontbreekt het belang bij de grief omdat het hof hiervoor, zoals hem ook vrijstaat, de feiten zelfstandig heeft vastgesteld.

5.2

Met grief II wordt erover geklaagd dat de rechtbank in rov. 2.5. van het tussenvonnis als feit heeft vastgesteld dat de taxateurs op 17 augustus 2009 het erover eens waren ‘dat het eerder vastgestelde schadepercentage van 28 gehandhaafd kon worden.’ Dat is volgens [appellante] onjuist omdat de taxateurs het erover eens waren dat de zichtbare schade op het moment van de hertaxatie op 17 augustus 2009 een percentage van 28% bedroeg, dat de mogelijkheid bestond dat de aantasting niet verder zou toeslaan, in welk geval het schadepercentage 28% bleef, en dat als de inwendige aantasting zou doorzetten het schadepercentage fors zou kunnen oplopen. De grief kan niet slagen, omdat juist is dat de beide taxateurs op 17 augustus 2009 het schadepercentage hebben vastgesteld op 28%. Dat zij daarnaast in het taxatierapport achter ‘Bijzonderheden’ de onder 3.9 en 3.10 weergegeven opmerkingen hebben vermeld, maakt dat niet anders.

5.3

Met de grieven III tot en met VIII wordt naar de kern genomen door [appellante] betoogd dat, gelet op de door haar aangevoerde argumenten, het beroep van [geïntimeerde] op de bindendheid van het bindend advies – dat wil zeggen de hertaxatie van [taxateur 3] van 25 augustus 2009 – naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Deze grieven lenen zich derhalve voor een gezamenlijke behandeling. [appellante] beroept zich in dat verband op de volgende, in de memorie van grieven sub 53. samengevat weergegeven, hoofdargumenten, in onderling verband en samenhang te bezien:

i) de schade is na het bindend advies doorontwikkeld; [taxateur van appellante] heeft er bij de hertaxatie al op gewezen dat het onduidelijk was of de schade zich door zou ontwikkelen; [taxateur van appellante] zag de eerste aanwijzing voor doorontwikkeling;

ii) hagelverzekeraars plegen dossiers te heropenen als de schade zich anders doorontwikkelt dan verwacht; dit is gebruikelijk in de hagelverzekeringsbranche; [geïntimeerde] heeft in het verleden ook bij anderen de werkelijke schade uitgekeerd na heropening van het dossier bij schade die zich heeft doorontwikkeld;

iii) een andere verzekeraar dan [geïntimeerde] heeft de schade van collega teler, [naam collega teler], op een naburig perceel, veroorzaakt door dezelfde hagelbui, volledig vergoed, waartoe het dossier heropend is;

iv) de uiteindelijke door [appellante] geleden schade bedraagt ruim het dubbele, te weten 68% in plaats van 28% zoals door [taxateur 3] is vastgesteld.

In de context van deze argumenten doet [appellante] een beroep op de arresten van het hof Arnhem van 15 november 2005 (tussenarrest) en 5 september 2006 (eindarrest) LJN: AY9335. In die procedure oordeelde het hof dat het beroep van [geïntimeerde] op de gebondenheid van de hertaxatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was. Gelet op de vaststelling dat het gebruik in de branche was om in het geval de schade zich doorontwikkelt nadat deze is vastgesteld het dossier te heropenen, en tegen de achtergrond van de omstandigheid dat de taxateur heeft aangenomen dat [geïntimeerde] indien de erwten alsnog worden afgekeurd het dossier zal heropenen, is het hof tot het oordeel gekomen dat het beroep van [geïntimeerde] op de gebondenheid aan de hertaxatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het cassatieberoep tegen beide arresten is bij arrest van de Hoge Raad van 18 april 2008, LJN: BC5688 verworpen.

5.4

Bij de beoordeling van de grieven stelt het hof het volgende voorop. Uit artikel 4 lid 3 van de op de onderhavige hagelverzekering toepasselijke verzekeringsvoorwaarden volgt dat hertaxatie door ingevolge die verzekeringsvoorwaarden aangewezen taxateurs bindend is voor beide partijen. Deze hertaxatie – die in dit geval uiteindelijk op 25 augustus 2009 door [taxateur 3] heeft plaatsgevonden – is te beschouwen als een tot vaststelling strekkende beslissing van een derde als bedoeld in artikel 7:900, lid 2 Burgerlijk Wetboek (BW). Artikel 7:904, lid 1 BW bepaalt dat indien gebondenheid aan een beslissing van een partij of een derde in verband met inhoud of wijze van totstandkoming daarvan in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn, die beslissing vernietigbaar is. Blijkens HR 12 september 1997, LJN: ZC2427 kunnen alleen ernstige gebreken in de beslissing gebondenheid eraan naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar maken. De omstandigheid dat de Hoge Raad met zijn arrest van 18 april 2008 ‘het arrest van het Hof Arnhem in stand heeft gelaten’ (memorie van grieven sub 49/50) doet niet af aan de juistheid van deze, tot terughoudendheid nopende, maatstaf.

5.5

[appellante] heeft zich op het standpunt gesteld dat gebondenheid aan de hertaxatie door [taxateur 3] onaanvaardbaar zou zijn in verband met zowel de inhoud van die hertaxatie als de wijze van totstandkoming daarvan. Wat betreft de wijze van totstandkoming heeft zij erop gewezen (memorie van grieven sub 67) dat een redelijk handelend taxateur (het hof begrijpt: op 25 augustus 2009) nog geen definitieve schadevaststelling kon doen, dat [taxateur van appellante] expliciet heeft aangegeven dat de uien nog niet konden worden afgetaxeerd en dat definitieve schadevaststelling had moeten worden aangehouden.

5.6

Het hof is van oordeel dat de verzekeringsvoorwaarden geen aanknopingspunten bieden voor de opvatting dat de taxatie op een te vroegtijdig moment heeft plaatsgevonden. Deze geven slechts aan dat de definitieve taxatie bij hagel- en stormschade in ieder geval dient plaats te vinden voor de oogst. Zij bepalen niet dat de schadevaststelling moet worden uitgesteld ingeval van een risico op doorontwikkeling. Gelet op de door het hof veronderstelde deskundigheid van de taxateur [taxateur 3], welke deskundigheid door [appellante] ook niet in twijfel is getrokken, staat het hem binnen de verzekeringsvoorwaarden vrij het moment van taxatie, na de hertaxatie door [taxateur van geïntimeerde] en [taxateur van appellante], te kiezen. Het stond hem, nu [taxateur van geïntimeerde] en [taxateur van appellante] het niet eens waren wat betreft het advies van [taxateur van appellante] ‘om met het kwaliteitsrisico tot 15 november a.s. mee te gaan’ ook vrij om een andere opvatting te hanteren dan die van [taxateur van appellante]. Gelet daarop heeft [appellante] onvoldoende zwaarwegende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit voortvloeit dat hertaxatie niet op 25 augustus 2009 had mogen plaatsvinden dan wel dat de taxateur zijn taxatie had moeten aanhouden. Evenmin zijn argumenten aangedragen waaruit blijkt dat de taxatie door [taxateur 3] niet op deugdelijk onderzoek zou berusten wat betreft de op 25 augustus 2009 door hem vastgestelde schade. Gelet daarop is gebondenheid van partijen aan de hertaxatie van [taxateur 3] in verband met de wijze van totstandkoming niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

5.7

Wat betreft de inhoud van de hertaxatie van [taxateur 3] geldt het volgende. Nu [geïntimeerde] gemotiveerd heeft betwist dat de schade als gevolg van de hagelbui op 3 juli 2009 na de hertaxatie door [taxateur 3] is doorontwikkeld, zal het hof er bij de bespreking van onder 5.3 (ii) en (iii) genoemde argumenten veronderstellenderwijs van uit gaan dat wel het geval is geweest. Het standpunt van [appellante] is immers dat die doorontwikkeling van de schade een omstandigheid is die in de hagelverzekeringbranche reden vormt om het dossier te heropenen. Overigens kan de omstandigheid dat de schade zich na de (her)taxatie heeft doorontwikkeld op zichzelf in beginsel niet afdoen aan de gebondenheid van partijen aan de schadevaststelling. Zoals de rechtbank terecht en in appel niet bestreden heeft geoordeeld (vonnis van 25 april 2012, rov. 2.5.) strekt deze beslissing tot schadevaststelling als bedoeld in artikel 7:900 lid 2 BW er immers juist toe partijen ter beëindiging of ter voorkoming van onzekerheid of geschil over de hoogte van de schade te binden aan de vaststelling door (een) taxateur(s).

5.8

In deze zaak heeft [appellante] gesteld dat zijn schade als gevolg van de hagelbui op 3 juli 2009 zich heeft doorontwikkeld tot 68%, hetgeen belangrijk minder is dan aan de orde was in het door het hof Arnhem berechte geval. In die zaak had de (erwten)teler aangevoerd dat de schade na de hertaxatie en voor de oogst was doorontwikkeld van 40% naar 100%. Een ander belangrijk verschil met deze zaak is gelegen in het feit dat het hof Arnhem zijn oordeel (eindarrest 5 september 2006, rov. 2.17.) onder meer baseerde op de omstandigheid dat ook de taxateur ([taxateur 4]) had aangenomen dat [geïntimeerde], indien de erwten alsnog zouden worden afgekeurd, het dossier zal heropenen. Dat heeft de (bindend) taxateur, [taxateur 3], in de onderhavige zaak niet aangenomen, integendeel:

5.9

[appellante] heeft bezwaar gemaakt tegen de op 25 juli 2009 door taxateurs van [geïntimeerde] vastgestelde schade van 28%. Vervolgens heeft overeenkomstig de polisvoorwaarden op 31 juli 2009 een hertaxatie plaatsgevonden door [taxateur van geïntimeerde] en [taxateur van appellante]. Zij hebben gezamenlijk [taxateur 3] als derde taxateur aangewezen die – overeenkomstig artikel 4 lid 3 van de polisvoorwaarden – ‘in geval van verschil, uitspraak zal doen binnen de grenzen van de twee taxaties.’ Beide taxateurs, [taxateur van geïntimeerde] en [taxateur van appellante], hebben op 17 augustus 2009 het schadepercentage eveneens vastgesteld op 28%, maar uit hun respectievelijke taxatieverslagen en het onder 3.14 vermelde expertiserapport van [taxateur van appellante] blijkt dat geen overeenstemming tussen beide taxateurs bestond over de vraag of er doorontwikkeling zou gaan plaatsvinden van de op dat moment aan de uien van [appellante] vastgestelde schade als gevolg van de hagelbui. Waar [taxateur van appellante] het dossier in verband met het risico van doorontwikkeling kennelijk wilde aanhouden tot 15 november 2009 – hetgeen [geïntimeerde] in het verleden vaker had gedaan, zo schreef hij – wilde [taxateur van geïntimeerde] daar niet aan. In zijn opvatting was het vastgestelde percentage voldoende om de kwaliteit en kwantiteitsschade te compenseren. Om die reden diende vervolgens [taxateur 3] als derde taxateur een bindende uitspraak te doen. Hij heeft met zijn taxatierapport van 25 augustus 2009 op de in 3.11 vermelde wijze beslist aldus, zo begrijpt het hof zijn aantekening ‘geen aansprakelijkheid in bewaring’, dat in zijn opvatting het dossier niet behoefde te worden aangehouden in verband met eventuele doorontwikkeling van de schade, zoals [taxateur van appellante] had voorgesteld. Daaruit volgt dat de mogelijkheid om het dossier van [appellante] aan te houden ‘tot 25 november’ 2009 in verband met de mogelijkheid van doorontwikkeling van de schade aan de uien als gevolg van de hagelbui op 3 juli 2009, uitdrukkelijk door zowel [taxateur van geïntimeerde] en [taxateur van appellante] als door de bindend taxateur [taxateur 3] onder ogen is gezien. [taxateur 3] heeft vervolgens overeenkomstig de polisvoorwaarden de ‘knoop doorgehakt’, enerzijds door de schade vast te stellen op een percentage van 28% en anderzijds door te beslissen op het tussen [taxateur van geïntimeerde] en [taxateur van appellante] bestaande verschil van opvatting over al dan niet aanhouden van het dossier in verband met eventuele doorontwikkeling van de schade.

5.10

Onder de hiervoor onder 5.8 en 5.9 geschetste omstandigheden kunnen de onder 5.3 (ii) en (iii) genoemde argumenten in het midden blijven omdat deze, ook als ze juist zijn, niet tot de conclusie kunnen leiden dat in deze zaak gebondenheid aan de beslissing van taxateur [taxateur 3] in het kader van de hertaxatie op 25 augustus 2009 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Om diezelfde reden kan het beroep dat [appellante] doet op het geval van zijn collega teler [collega teler 2] en op het als productie 12 bij conclusie van repliek overgelegde taxatierapport van 30 juli 2008, waarin taxateurs achter ‘Bijzonderheden’ hebben geschreven: ‘Verzekerde kan vanwege eventuele koprot, veroorzaakt door hagel voor 1 december 2008 contact opnemen met het [geïntimeerde] kantoor’, niet slagen. Dat voorbeeld kan [appellante] bovendien niet baten, omdat in die kwestie geen sprake was van een afgesloten dossier dat is heropend na een doorontwikkelde schade, maar van de situatie dat kennelijk tijdens de taxatie voormelde afspraak is gemaakt. Dat is hier niet het geval.

5.11

Voorts heeft [appellante] als productie 20 bij akte na comparitie een e-mail overgelegd van [geïntimeerde] aan een andere teler. Volgens hem zou uit die e-mail blijken dat [geïntimeerde] doorontwikkelde ziektes na hagelschade als hagelschade vergoedt en (dus) ook dossiers heropent als de schade doorontwikkelt. [geïntimeerde] heeft daarover opgemerkt (antwoordakte na comparitie sub 7) dat het in die e-mail gaat om een kwestie waarin, anders dan bij [appellante], van enige taxatie nog geen sprake was en een voorstel bevatte teneinde in een dreigend debat een praktische oplossing voor te stellen. Bij memorie van grieven (sub 40.) is [appellante] op dat verweer niet ingegaan. Daaraan verbindt het hof de conclusie dat [appellante] aldus zijn stelling dat deze kwestie met zijn zaak vergelijkbaar zou zijn passeert.

5.12

Ten slotte is er het beroep op de hagelschade van collega teler [naam collega teler] ([naam verzekeraar]), alsmede het als productie 13 bij de conclusie van repliek overgelegde overzicht van de hageltaxatie van collega telers met bijbehorende kaart. Daaruit blijkt volgens [appellante] dat deze collega’s uien bij hem in de buurt hebben geteeld en dat deze uien zijn getroffen door dezelfde hagelbui als de uien van [appellante]. De schade van die telers leek aanvankelijk laag, maar heeft zich doorontwikkeld tot meer dan het dubbele, waarna Interpolis deze doorontwikkelde schade heeft uitgekeerd.

5.13

Het hof is van oordeel dat de enkele omstandigheid dat andere verzekeraars dan [geïntimeerde] andere schadegevallen die het gevolg waren van dezelfde hagelbui anders hebben afgewikkeld dan [geïntimeerde] op zichzelf geenszins meebrengt dat het houden van [appellante] aan de bindende hertaxatie naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

5.14

Ten slotte kan naar ’s-hofs oordeel, gelet op het voorgaande en in aanmerking genomen de tot terughoudendheid nopende maatstaf, uit de enkele omstandigheid dat de schade uiteindelijk groter zou zijn dan de schade zoals deze op de taxatiedatum is vastgesteld, niet worden afgeleid dat gebondenheid aan de schadevaststelling door [taxateur 3] op 25 augustus 2009 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn.

5.15

Uit het voorgaande volgt dat de stelling van [appellante] dat het beroep van [geïntimeerde] op de gebondenheid aan de schadevaststelling in de (her)taxatie van 25 augustus 2009 naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is, niet slagen. Van ‘ernstige gebreken’ aan de schadevaststelling in de (her)taxatie door [taxateur 3] is geen sprake. Aan een beoordeling van de hiervoor onder 5.3 (i) genoemde vraag of de schade bij [appellante] als gevolg van de hagelbui op 3 juli 2009 zich daadwerkelijk heeft doorontwikkeld – zoals [appellante] stelt en [geïntimeerde] heeft betwist - en zo ja, in welke mate, komt het hof dan niet toe. De grieven III tot en met VIII falen derhalve. Grief IX deelt hetzelfde lot.

5.16

De grieven kunnen niet slagen. De bestreden vonnissen dienen te worden bekrachtigd en [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten. Aan het bewijsaanbod wordt voorbij gegaan, omdat onvoldoende concrete feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die aan het voorgaande kunnen afdoen. Als de in het ongelijk gestelde partij dient [appellante] te worden veroordeeld in de kosten van het geding in hoger beroep (2 punten tarief I à € 894,00)

De beslissing

Het gerechtshof, recht doende in hoger beroep,

bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 5 oktober 2011 en 25 april 2012,

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op € 894,00 voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief en op € 666,- voor verschotten, vermeerdert met de zogenaamde nakosten van € 131,00 – of – ingeval van betekening van het vonnis € 199,--, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit arrest en –voor het geval betaling binnen deze termijn achterwege blijft – vermeerderd met de wettelijke rente over deze (na)kosten, te rekenen vanaf 14 dagen na de datum van dit arrest tot aan de dag der algehele voldoening,

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. M.W. Zandbergen, mr. K.M. Makkinga en

mr. R.A. van der Pol en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 8 oktober 2013.