Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:7398

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
04-10-2013
Datum publicatie
02-12-2013
Zaaknummer
200.119.447
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verlenging termijn partneralimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.119.447

(zaaknummer rechtbank Arnhem 230473)

beschikking van de familiekamer van 3 oktober 2013

inzake

[verzoekster] ,

wonende te [woonplaats],
verzoekster in het hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. E.J.P.J.M. Kneepkens te ’s-Hertogenbosch,

en

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] (Portugal),

verweerder in het hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. H.L.J. Walhain te ’s-Gravenhage.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Arnhem van 6 december 2012, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 4 januari 2013;

- het verweerschrift, ingekomen op 3 april 2013;

- een journaalbericht van mr. Kneepkens van 16 juli 2013 met bijlagen, ingekomen op 17 juli 2013.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 1 augustus 2013 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het op [datum] 1970 gesloten huwelijk van partijen is op 13 november 2000 ontbonden door echtscheiding.

3.2

Partijen zijn de ouders van drie kinderen die ten tijde van de echtscheiding reeds meerderjarig waren.

3.3

Bij de echtscheidingsbeschikking van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 21 juli 2000 is de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie vastgesteld op fl. 6.225,- per maand met ingang van de datum van inschrijving van die beschikking in de registers van de burgerlijke stand. Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch en dit hof, na verwijzing door de Hoge Raad, hebben bij beschikking van 2 mei 2001 respectievelijk bij beschikking van 3 mei 2005 de door de man te betalen bijdrage vastgesteld op fl. 8.000,- (€ 3.630,24) per maand met ingang van 13 november 2000. Geïndexeerd naar 2012 beliep die bijdrage € 4.816,28 per maand.

3.4

Op 13 november 2012 is de in artikel 1:157 lid 4 Burgerlijk Wetboek (BW) bedoelde termijn van twaalf jaren verstreken.

3.5

De man is geboren op [geboortedatum] 1940.

3.6

De vrouw, geboren op [geboortedatum] 1945, is alleenstaand.

4 De omvang van het geschil

4.1

Tussen partijen is in geschil of grond bestaat voor toewijzing van het verzoek van de vrouw om de termijn gedurende welke de man verplicht is een bijdrage te leveren in de kosten van haar levensonderhoud, te verlengen tot 13 november 2032 dan wel tot een in goede justitie te bepalen datum.

4.2

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking het verzoek van de vrouw afgewezen.

4.3

De vrouw beoogt in haar beroepschrift het geschil in hoger beroep in volle omvang aan de orde te stellen.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Op grond van artikel 1:157 lid 4 BW eindigt de verplichting tot levensonderhoud van rechtswege na het verstrijken van een termijn van twaalf jaren, die aanvangt op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

5.2

Ingevolge artikel 1:157 lid 5, eerste volzin, BW kan de rechter, indien de beëindiging van de uitkering ten gevolge van het verstrijken van de in het vierde lid bedoelde termijn van zo ingrijpende aard is dat ongewijzigde handhaving van die termijn naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid van degene die tot uitkering gerechtigd is niet kan worden gevergd, op diens verzoek alsnog een termijn vaststellen. Het verzoek daartoe dient te worden ingediend voordat drie maanden sinds de beëindiging zijn verstreken.

5.3

Het verzoek van de vrouw tot verlenging van de alimentatieduur is bij de rechtbank ingekomen op 6 juni 2012 en daarmee binnen de in artikel 1:157 lid 5 BW bedoelde termijn, zodat de vrouw in haar verzoek ontvankelijk is.

5.4

Het hof overweegt dat blijkens de wetsgeschiedenis uitgangspunt van de wetgever is geweest dat de alimentatieverplichting na twaalf jaren in beginsel definitief eindigt. Naar volgt uit de parlementaire geschiedenis houdt de verantwoordelijkheid die echtgenoten door het huwelijk op zich hebben genomen weliswaar een verplichting van de alimentatieplichtige echtgenoot in om bij te dragen in het levensonderhoud van de alimentatiegerechtigde echtgenoot, maar deze verantwoordelijkheid rechtvaardigt niet dat deze verplichting na beëindiging van de huwelijksband ongelimiteerd blijft bestaan. De termijn van twaalf jaar stelt de alimentatiegerechtigde in staat de zorg voor eventuele kinderen op zich te nemen en na verloop van tijd, wanneer de kinderen naar zelfstandigheid toegroeien, zich erop voor te bereiden in eigen levensonderhoud te voorzien. De alimentatietoekenning geeft de mogelijkheid op een geleidelijke wijze een levensstijl te ontwikkelen die is aangepast aan het eigen inkomen. De gronden voor toekenning van alimentatie zijn na verloop van kortere of langere tijd uitgewerkt en rechtvaardigen niet een blijvend te betalen alimentatie. Ingeval wordt verzocht om verlenging van de termijn van twaalf jaren op grond van artikel 1:157 lid 5 BW, dient de alimentatiegerechtigde te stellen en aannemelijk te maken dat sprake is van een uitzonderlijke situatie. Bij de beoordeling van een dergelijk verzoek kan, naar volgt uit de parlementaire geschiedenis en de beschikking van de Hoge Raad van 19 december 2008 (LJN: BF3928), naast de financiële situatie waarin de alimentatiegerechtigde verkeert, onder meer worden gedacht aan de volgende factoren, die in onderlinge samenhang moeten worden bezien:

  • -

    in hoeverre heeft de alimentatiegerechtigde in twaalf jaar tijd alles gedaan wat redelijkerwijs mag worden verwacht om tot financiële zelfstandigheid te geraken, diens leeftijd, gezondheid, arbeidsverleden en achtergrond in aanmerking genomen;

  • -

    de mate waarin de behoefte van de alimentatiegerechtigde aan voortduring van een uitkering tot levensonderhoud nog verband houdt met het huwelijk;

  • -

    de verwachting van partijen toen zij huwden;

  • -

    de zorg voor de kinderen en de mogelijkheden die de zorg liet, het aantal en de leeftijd van de kinderen mede in aanmerking genomen, om zich een bestaan op te bouwen dat onafhankelijkheid van de gewezen echtgenoot zou verschaffen.


5.5 Allereerst dient het hof te beoordelen of beëindiging van de onderhoudsverplichting van de man ingrijpend is voor de vrouw. Indien dat niet het geval is kan het verzoek aanstonds worden afgewezen zonder nader onderzoek van de overige in 5.4 genoemde factoren. Uit de vergelijking van de situatie vóór de beëindiging van de onderhoudsverplichting met de situatie na de beëindiging daarvan volgt dat de inkomensachteruitgang ten gevolge van de beëindiging voor de vrouw ingrijpend is. Het alimentatiebedrag beliep – geïndexeerd – aan het einde van de twaalf-jaar-termijn € 4.816,28 bruto per maand. Met instemming van de vrouw heeft de man dit bedrag verlaagd met het bedrag aan AOW-uitkering dat de vrouw sedert augustus 2011 geniet. De AOW-uitkering (die vanwege langdurig verblijf in het buitenland is gekort met 32%) beloopt € 695,83 netto per maand. Na het eindigen van de onderhoudsverplichting op 13 november 2012 heeft de vrouw nog een inkomen op bijstandsniveau. De vrouw kan vanaf die datum aanspraak maken op aanvulling van haar AOW-uitkering op basis van de Wet werk en bijstand, waardoor zij in totaal € 1.026,66 netto per maand aan inkomen geniet. Daarmee is sprake van een ingrijpende inkomensterugval.

5.6

Dit betekent dat het hof dient te beoordelen of de vrouw bijzondere omstandigheden aan haar zijde heeft gesteld en voldoende aannemelijk heeft gemaakt, waardoor ongewijzigde handhaving van de termijn van twaalf jaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd.

5.7

Vast staat dat tijdens het bijna 30 jaar durende huwelijk van partijen sprake is geweest van een traditioneel rollenpatroon. De vrouw heeft gedurende het huwelijk nooit gewerkt en de zorg voor de drie kinderen op zich genomen. De vrouw was bij huwelijkssluiting 25 jaar oud, was ten tijde van de echtscheiding inmiddels 55 jaar oud en heeft behoudens één jaar huishoudschool nimmer enige opleiding genoten. Het gemis aan opleiding en werkervaring heeft de kansen van de vrouw op de arbeidsmarkt, toen het huwelijk eenmaal was geëindigd toen zij 55 jaar oud was, onmiskenbaar verkleind. Geconstateerd kan dan ook worden dat het tijdens huwelijk door partijen aangehouden rollenpatroon de verdiencapaciteit van de vrouw negatief heeft beïnvloed.

5.8

Daar staat echter tegenover dat de vrouw vanaf de echtscheiding in 2000 tot november 2012 een zeer ruime alimentatie heeft ontvangen en dat zij bij echtscheiding wist, althans had behoren te weten, dat de onderhoudsverplichting na twaalf jaar zou eindigen en zich op de dan ontstane situatie zoveel mogelijk had moeten en kunnen instellen. Geïndexeerd beliep de alimentatie in november 2012 een bedrag van € 4.816,28 bruto per maand. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw, in het licht van het gemotiveerde betoog van de man, onvoldoende onderbouwd waarom zij gedurende die twaalf jaren haar levensstijl niet geleidelijk heeft kunnen aanpassen en niet een deel van de zeer ruime alimentatie middels sparen heeft kunnen reserveren teneinde daarmee een relevante aanvulling op de AOW-uitkering voor de periode na ommekomst van de twaalf jaren te realiseren. De vrouw berekent dat haar inkomen gedurende de alimentatieperiode gemiddeld € 2.006,- netto per maand heeft bedragen, welke berekening de man gemotiveerd heeft betwist. In haar eigen berekening heeft de vrouw op de ontvangen alimentatie in mindering gebracht ruim € 52.000,- aan advocaatkosten en € 134.000,- aan inkomstenbelasting. Het door de vrouw gestelde en door de man betwiste bedrag aan inkomstenbelasting heeft de vrouw niet met stukken onderbouwd. Zelfs als het al juist zou zijn dat de vrouw maandelijks slechts gemiddeld € 2.006,- te besteden heeft gehad, zoals zij stelt, dan past daarbij wel de kanttekening dat de vrouw in die twaalf jaren goeddeels geen woonlasten heeft betaald. In de berekening van de vrouw is immers reeds verdisconteerd dat de man altijd de volledige hypotheekrente voor de door de vrouw bewoonde woning heeft betaald en deze rente op de alimentatie in mindering heeft gebracht. Voorts heeft de vrouw het betoog van de man dat zij pas de laatste twee à drie jaar de (overige) eigenaarslasten volledig zelf betaalt, onweersproken gelaten.

5.9

Het hof acht voorts van belang dat de vrouw nog recht heeft op uitkering van haar aandeel in het huis in [woonplaats] (50%) en haar aandeel in de Portugese onderneming Jayblue Ltd. (30%). De waarde van het huis in [woonplaats] is in de WOZ-beschikking 2012 getaxeerd op € 393.000,- terwijl de daarop rustende hypotheekschuld circa € 250.000,- bedraagt. Tot het vermogen van de Portugese onderneming behoort in elk geval een in Portugal gelegen villa, waarop geen hypotheek rust. De vrouw heeft niet kunnen toelichten waarom zij haar aandeel in het huis in [woonplaats] en in de Portugese onderneming, van welk huis en welke onderneming de man de mede-eigenaar is, niet op korte termijn zou kunnen vrijmaken. Dat de vrouw meent geen belang te hebben bij de afwikkeling van dit gemeenschappelijke vermogen, ontslaat haar niet van de verplichting voor zichzelf voldoende liquide middelen uit haar aandeel in deze vermogensbestanddelen vrij te maken om in eigen levensonderhoud te kunnen voorzien. De vrouw heeft onvoldoende toegelicht dat zij alles eraan heeft gedaan om haar aandeel in deze – sedert de echtscheiding in 2000 onverdeeld gebleven – vermogensbestanddelen te gelde te maken.

5.10

Daarnaast betrekt het hof in zijn oordeel de omstandigheid dat de vrouw zich na de echtscheiding geen verifieerbare inspanningen heeft getroost om werk te vinden, hoewel er toen geen zorg voor de kinderen meer was. De vrouw miste weliswaar werkervaring en een vooropleiding en zij was toen inmiddels 55 jaar oud, maar zij heeft onvoldoende duidelijk gemaakt waarom zij bijvoorbeeld niet als telefoniste of receptioniste aan de slag had kunnen komen, zoals de man betoogt. Weliswaar zou de vrouw daarmee slechts een bescheiden inkomen hebben kunnen genereren waarmee nauwelijks pensioen zou zijn opgebouwd, maar daarmee had zij wel meer kunnen sparen voor later. De stelling van de vrouw dat de man de alimentatie met het door haar te verwerven inkomen zou hebben gekort, is door de man betwist en overigens speculatief. De door de vrouw overgelegde verklaring van haar vroegere psychotherapeut, waaruit zou moeten worden afgeleid dat de vrouw tot aan het einde van haar vier à vijf jaar durende behandeling in 2003 wegens haar psychische gesteldheid niet in staat is geweest op enige baan te solliciteren, overtuigt het hof niet. Het hof neemt daarbij mede in aanmerking dat deze verklaring eerst tien jaar na afloop van de behandeling is verstrekt.

5.11

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen komt het hof tot het oordeel dat de vrouw niet alles eraan heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar mocht worden verwacht om tot financiële zelfstandigheid te komen.

5.12

De vrouw heeft nog als bijzondere omstandigheid aangevoerd dat zij geen pensioenrechten heeft omdat het door de man in Zuid-Afrika opgebouwde pensioen is afgekocht, alsmede dat haar AOW-uitkering met 32% is gekort omdat zij (wegens het werk van de man) zestien jaar in het buitenland heeft gewoond. Het hof kent aan deze omstandigheden niet het gewicht toe dat de vrouw daaraan toekent. Vast staat immers dat partijen destijds gezamenlijk hebben besloten het pensioen van de man af te kopen om daarmee de kostbare verhuizing van Zuid-Afrika naar hun nieuwe woonplaats in Zwitserland te bekostigen. Deze beslissing kan aldus mede aan de vrouw worden toegerekend. Voorts had het de vrouw van meet af aan duidelijk moeten zijn geweest dat zij te zijner tijd geen aanspraak zou kunnen maken op een volledige AOW-uitkering vanwege haar langdurig verblijf in het buitenland.

5.13

Gelet op het voorgaande heeft de vrouw onvoldoende bijzondere omstandigheden aan haar zijde gesteld en aannemelijk gemaakt op grond waarvan zou moeten worden geoordeeld dat ongewijzigde handhaving van de termijn van twaalf jaar naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet van haar kan worden gevergd.

6 De slotsom

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, falen de grieven. Het hof zal de bestreden beschikking dan ook bekrachtigen.

6.2

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw betreft.

7 De beslissing

Het hof, beschikkende in hoger beroep:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Arnhem van 6 december 2012;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af hetgeen in hoger beroep meer of anders is verzocht.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.M.M. Mostermans, C.J. Laurentius-Kooter en

B.F. Keulen en is op 3 oktober 2013 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.