Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:7367

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-10-2013
Datum publicatie
04-10-2013
Zaaknummer
200.130.901-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Vervangende toestemming verhuizing met minderjarigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.130.901/01

(zaaknummer rechtbank Overijssel C/08/139669/ KG ZA 13-186)

arrest in kort geding van de eerste kamer van 1 oktober 2013

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats 1],

appellant,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: de man,

advocaat: mr. B.H. Bongers, kantoorhoudend te Zwolle,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats 2],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiseres,

hierna: de vrouw,

advocaat: mr. T.H.I.M. Pierik, kantoorhoudend te Zwolle.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 1 juli 2013 van de voorzieningenrechter in de rechtbank Overijssel, locatie Zwolle (hierna: de voorzieningenrechter).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 26 juli 2013 (met grieven en producties),

- de memorie van antwoord.

2.2

Vervolgens heeft de vrouw de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd heeft het hof op één dossier arrest bepaald.

2.3

De vordering van de man luidt:

"(…) het vonnis van de voorzieningenrechter (…) te vernietigen en opnieuw rechtdoende:
De vordering van moeder om vervangende toestemming voor verhuizing van de kinderen naar [woonplaats 2] af te wijzen.
Subsidiair: de door de voorzieningenrechter vastgestelde voorlopige omgangsregeling te wijzigen in die zin dat de daarbij gestelde voorwaarde dat de ouders van vader bij de omgangsregeling aanwezig dienen te zijn, komt te vervalen.
Kosten rechtens."

3 De feiten

3.1

De tussen partijen vaststaande feiten, zoals deze door de voorzieningenrechter in het bestreden vonnis onder rechtsoverweging 2.1 zijn vastgesteld, zijn niet in geschil. Aldus gaat het hof van dezelfde feiten uit. Deze feiten komen, aangevuld met hetgeen in hoger beroep is komen vast te staan, op het volgende neer.

3.2

De man en de vrouw zijn op 10 september 2007 met elkaar gehuwd. Uit de voorhuwelijkse relatie van partijen is geboren de minderjarige [kind 1] (hierna: [kind 1]), geboren op [geboortedatum 1] in de gemeente [X]. De man heeft [kind 1] erkend. Uit het huwelijk van partijen zijn geboren de minderjarige [kind 2] (hierna: [kind 2]), geboren op [geboortedatum 2] in de gemeente [X], en [kind 3] (hierna: [kind 3]), geboren op [geboortedatum 3] in de gemeente [X].

3.3

De vrouw heeft op 19 februari 2013 een verzoekschrift tot echtscheiding met nevenvoorzieningen bij de rechtbank Overijssel, zittingsplaats Zwolle, ingediend. De mondelinge behandeling van dit verzoek is gepland op donderdag 5 september 2013.

3.4

De vrouw is met ingang van 6 juli 2013 met de minderjarigen naar [woonplaats 2] verhuisd.

4 De vordering en de beslissing daarop in eerste aanleg

4.1

De vrouw heeft - samengevat weergegeven - gevorderd dat de voorzieningenrechter bij vonnis in kort geding, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, haar vervangende toestemming zal verlenen om met de minderjarigen te verhuizen naar [woonplaats 2] met ingang van maandag 8 juli 2013, althans met ingang van de datum welke de voorzieningenrechter in goede justitie vermeent te behoren.
Ter zitting van de voorzieningenrechter heeft de vrouw haar eis vermeerderd, in die zin dat zij eveneens vordert dat een omgangsregeling in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wordt vastgesteld tussen de man en de minderjarigen van eenmaal per veertien dagen, telkens van vrijdag 17:00 tot zondag 17:00, alsmede gedurende de helft van de schoolvakanties en de feestdagen.

4.2

De man heeft verweer gevoerd.

4.3

De voorzieningenrechter heeft in het vonnis waarvan beroep de vrouw vervangende toestemming verleend om met de minderjarigen naar [woonplaats 2] te verhuizen met ingang van 8 juli 2013. Daarbij heeft de voorzieningenrechter met ingang van 1 juli 2013 een omgangsregeling tussen de man en de minderjarigen vastgesteld waarbij [kind 1], [kind 2] en [kind 3] eenmaal per veertien dagen van vrijdag 17:00 uur tot zondag 17:00 uur bij de man verblijven, alsmede gedurende de helft van de schoolvakanties en feestdagen, één en ander onder de voorwaarde dat de ouders van de man bij de omgang aanwezig zijn. De voorzieningenrechter heeft het vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad verklaard, de proceskosten tussen partijen gecompenseerd en het meer of anders gevorderde afgewezen.

5 De motivering van de beslissing in hoger beroep

5.1

De man heeft in hoger beroep één grief opgeworpen welke in de kern ten betoge strekt dat de voorzieningenrechter de vrouw ten onrechte vervangende toestemming heeft verleend om met [kind 1], [kind 2] en [kind 3] te verhuizen naar [woonplaats 2]. Subsidiair heeft de man bezwaar gemaakt tegen de door de voorzieningenrechter gestelde voorwaarde met betrekking tot de voorlopige omgangsregeling, inhoudende dat zijn ouders bij de omgang aanwezig dienen te zijn.

5.2

Het hof stelt voorop dat in het kader van een kort geding als het onderhavige slechts een voorlopig oordeel kan worden gegeven waarbij het erop aankomt dat het oordeel van de rechter in de bodemprocedure niet wordt doorkruist. Deze heeft de mogelijkheid om nader onderzoek te laten doen teneinde de belangen van het kind ten volle te kunnen wegen. Aangezien de zitting in de bodemprocedure tussen partijen reeds op 5 september 2013 heeft plaatsgevonden, zal de bodemrechter zich op relatief korte termijn een oordeel kunnen vormen over de vraag of een verhuizing van [kind 1], [kind 2] en [kind 3] naar [woonplaats 2] in het belang van deze minderjarigen moet worden geacht en of de omgang tussen de man en de kinderen begeleid plaats dient te vinden.

5.3

Uit de in hoger beroep overgelegde stukken leidt het hof het volgende af. Binnen het huwelijk van partijen heeft met regelmaat huiselijk geweld plaatsgevonden gepleegd door de man jegens de vrouw. Naar aanleiding van een incident begin 2013 is Bureau Jeugdzorg Overijssel (hierna: BJZ) bij het gezin betrokken geraakt. De man is bij zijn ouders ingetrokken en heeft vervolgens hulpverlening bij Trajectum gezocht voor zijn agressieproblematiek. In maart 2013 heeft een 'eigen kracht-conferentie' onder leiding van BJZ plaatsgevonden. Blijkens de informatie van BJZ naar aanleiding van deze conferentie was er ondanks het feit dat partijen niet meer in dezelfde woning verbleven nog altijd sprake van spanningen op partnerniveau waar de kinderen in ernstige mate onder lijden en hebben zich incidenten voorgedaan bij het ophalen en wegbrengen van de kinderen waarvan zij getuige zijn geweest. Vanuit de spoedzorg is gemeld dat de vader op dat moment niet in staat was zelfstandig voor de kinderen te zorgen en dat hierbij toezicht wenselijk is vanwege zijn agressieproblematiek.

De vervangende toestemming voor de verhuizing naar [woonplaats 2]

5.6

De man heeft zich op het standpunt gesteld dat de verhuizing van de kinderen naar [woonplaats 2] niet in hun belang is. Met name [kind 1] ondervindt volgens de man ernstige problemen door de verhuizing; zij kan haar danslessen in [X] niet meer volgen en mist haar vriendinnetjes. Daarbij verblijft de vrouw in [woonplaats 2] bij haar zus en betwijfelt de man of zij binnen afzienbare termijn een eigen woning zal kunnen krijgen. De man is van mening dat er eerst een onderzoek door de Raad voor de Kinderbescherming moet worden verricht alvorens definitief beslist kan worden of het al dan niet in het belang van de kinderen is dat er een verhuizing naar [woonplaats 2] plaatsvindt.

5.7

De vrouw is van mening dat de verhuizing naar [woonplaats 2] in het belang van de kinderen is. Zij krijgen nu rust en hebben al kennis kunnen maken op hun nieuwe school. Vanzelfsprekend moeten de kinderen wennen aan hun nieuwe omgeving, maar dit betekent niet dat de verhuizing in strijd is met hun belangen. De vrouw acht het van belang dat de kinderen goed contact hebben met hun vader; de verhuizing staat dit volgens de vrouw niet in de weg. Voorts is het naar de mening van de vrouw niet in het belang van de kinderen te achten om voordat de uitspraak in de bodemprocedure is gedaan weer terug naar [X] te verhuizen.

5.8

Het hof zal zich bij zijn beslissing of aan de vrouw terecht vervangende toestemming is verleend om met de minderjarigen naar [woonplaats 2] te verhuizen met name hebben te richten naar de belangen van [kind 1], [kind 2] en [kind 3]. Gelet op de hiervoor beschreven feitelijke constellatie, waarin sprake is van een verstoorde verhouding tussen partijen en waarbij zij elkaar over en weer verwijten hebben gemaakt ten aanzien van hun optreden als ouder, terwijl tevens kan worden vastgesteld dat [kind 1], [kind 2] en [kind 3] kwetsbare kinderen zijn die klem en verloren dreigen te raken in de (echtscheidings)strijd tussen hun ouders, zal het dan met name gaan om de vraag welke maatregel naar verwachting het minst schadelijk voor deze kinderen zal zijn.

5.9

Het hof overweegt het volgende. De vrouw is begin juli 2013 met de kinderen naar [woonplaats 2] verhuisd. De vrouw heeft in eerste aanleg aangevoerd dat haar familie in (de omgeving van) [woonplaats 2] woonachtig is en dat de kinderen in deze omgeving tot rust kunnen komen. Ook BJZ heeft aangegeven het in het belang van de kinderen te achten met de vrouw naar [woonplaats 2] te verhuizen zodat er rust in hun leven zal kunnen komen. Gelet op deze omstandigheden is het naar het oordeel van het hof bepaald niet uit te sluiten dat in de thans aanhangige bodemprocedure aan de vrouw (definitieve) vervangende toestemming zal worden verleend met de kinderen naar [woonplaats 2] te mogen verhuizen.

5.10

Tegen die achtergrond zou een beslissing om nu te bepalen dat de voorlopige toestemming niet aan de vrouw wordt verleend het risico meebrengen dat [kind 1], [kind 2] en [kind 3] binnen korte tijd tot twee keer toe van verblijfplaats (en daarmee van school, sociale omgeving en wat dies meer zij) zouden moeten wisselen. Naar het oordeel van het hof is zulks niet in het belang van de kinderen te achten. Het hof neemt daarbij in aanmerking dat hoewel een verhuizing voor kinderen - met name van de leeftijd van [kind 1] - ingrijpend is, vooralsnog niet gebleken is dat deze in dit geval zodanig nadelige gevolgen voor de kinderen heeft dat de belangen van de vrouw om haar leven in [woonplaats 2] op te bouwen hiervoor moeten wijken. Het hof is dan ook van oordeel dat, mede gelet op het feit dat de kinderen recentelijk op hun nieuwe school in [woonplaats 2] zijn begonnen, het op dit moment het meest in het belang van [kind 1], [kind 2] en [kind 3] is te achten om, totdat in de bodemprocedure een uitspraak is gedaan, in [woonplaats 2] te blijven.

5.11

De hiervoor weergegeven omstandigheden leiden het hof tot het oordeel dat de beslissing van de voorzieningenrechter om de vrouw hangende de bodemprocedure vervangende toestemming te verlenen met de minderjarigen naar [woonplaats 2] te verhuizen, in stand moet blijven.

De zorgregeling

5.12

De man heeft subsidiair gegriefd tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat de ouders van de man bij de omgang aanwezig dienen te zijn. De ouders van de man hebben te kennen gegeven hieraan niet mee te willen werken en zulks kan naar de mening van de man ook niet van hen verwacht worden. Daarbij bestaat er volgens de man geen enkele reden voor toezicht. De man heeft in het verleden full time voor de kinderen gezorgd en is ook thans in staat zelfstandig de zorg voor hen op zich te nemen. Dat toezicht wenselijk zou zijn, zoals door de spoedhulp werd aangegeven, is (in ieder geval) op dit moment dan ook niet meer aan de orde. Ten tijde van de spoedhulp had de man de echtscheiding nog niet verwerkt zodat er destijds sprake was van een momentopname. De man ontvangt nu hulpverlening en staat open voor begeleiding vanuit BJZ.

5.13

De vrouw is van mening dat de omgang tussen de man en de kinderen begeleid moet plaatsvinden vanwege de problematiek van de man, nu BJZ onvoldoende inzicht heeft kunnen krijgen op welke wijze de agressie- en psychische problematiek van de man van invloed is op de opvoeding van de kinderen. Begeleiding van de omgang dient dan ook plaats te vinden totdat middels een onderzoek van de Raad voor de Kinderbescherming meer duidelijkheid is verkregen over de opvoedingsvaardigheden van de man en de invloed van zijn problemen op de kinderen.

5.14

Het hof is van oordeel dat niet van de ouders van de man gevergd kan worden dat zij telkens bij de omgang tussen de man en [kind 1], [kind 2] en [kind 3] aanwezig zullen zijn. Zij staan buiten deze procedure en geven bovendien aan de begeleiding niet te willen verlenen. Dit klemt temeer nu de man recentelijk weer in de voormalige echtelijke woning is getrokken en derhalve niet langer bij zijn ouders verblijft.
Het hof neemt voorts in aanmerking dat de problematiek van partijen zich met name op partnerniveau lijkt af te spelen terwijl geen aanwijzingen bestaan dat de man de kinderen agressief bejegent. Wel heeft BJZ begin 2013 aangegeven dat de man de kinderen in ernstige mate belast met de echtscheidingsproblematiek. Onduidelijk is echter of ook thans nog het risico bestaat dat de man de kinderen in de strijd tussen partijen betrekt. De man ontvangt sinds begin 2013 hulpverlening en uit de voorlopige bevindingen d.d. 10 mei 2013 van de Gz-psycholoog van Trajectum blijkt dat de man zijn problemen erkent, daaraan wil werken en daarbij een lovenswaardige inzet vertoont. Gelet op het vorenstaande bestaat er voor het hof op dit moment onvoldoende aanleiding te bepalen dat de omgang tussen de man en de kinderen enkel onder begeleiding plaats dient te vinden. Mocht vast komen te staan dat begeleiding vanuit BJZ of een andere hulpverlenende instantie wel noodzakelijk is, dan zal alsnog op verzoek van de vrouw of BJZ een (spoed)maatregel getroffen kunnen worden.

De slotsom

5.15

Gelet op het vorenstaande zal het hof het vonnis waarvan beroep vernietigen voor zover daarin is bepaald dat de zorgregeling tussen de man en de minderjarigen dient plaats te vinden onder de voorwaarde dat de ouders van de man bij de omgang aanwezig zijn.

5.16

Het hof ziet in de relatie tussen partijen en de omstandigheid dat de onderhavige procedure hun minderjarig kinderen betreft, reden om ook in hoger beroep de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij haar eigen kosten draagt.

6 de beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover daarin is bepaald dat de omgangsregeling tussen de man en de minderjarigen plaats dient te vinden onder de voorwaarde dat de ouders van de man bij de omgang aanwezig zijn;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

compenseert de kosten van het geding in hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.H. Kuiper, voorzitter, L. Groefsema en A.M. Koene, en uitgesproken door de rolraadsheer ter openbare terechtzitting van dit hof van dinsdag 1 oktober 2013 in bijzijn van de griffier.