Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:7365

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
01-10-2013
Datum publicatie
04-10-2013
Zaaknummer
200.127.355-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schuldovername en schorsing ex artikel 225 Rv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.127.355/01

(zaaknummer rechtbank Groningen 124092/ HA ZA 11-72)

arrest van de tweede kamer van 1 oktober 2013

in het incident ex artikel 225 Rv in de zaak van

HIGA B.V., voorheen genaamd Holcim Betonproducten B.V.,

gevestigd te Capelle aan den IJssel,

appellante,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: HIGA,

advocaat: mr. C.J. de Tombe, kantoorhoudend te Utrecht,

tegen

[de curator] ,

in hoedanigheid van curator in het faillissement van

[B.V. X] ,

geïntimeerde,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: de curator,

advocaat: mr. P.J. Antons, kantoorhoudend te Groningen.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in het vonnis van 28 november 2012 van de rechtbank Groningen, sector civiel recht (hierna: de rechtbank).

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij exploot van 25 februari 2013 is door HIGA hoger beroep ingesteld van voormeld vonnis van 28 november 2012 met dagvaarding van de curator tegen de zitting van 4 juni 2013.

2.2

De conclusie van de appeldagvaarding luidt:

"bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Het vonnis van 28 november 2012 van de Rechtbank te Groningen (zaaknummer/rolnummer 124092/HA ZA 11-72) tussen partijen gewezen te vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

1. de vorderingen van geïntimeerde alsnog volledig af te wijzen, althans geïntimeerde niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen;

2. geïntimeerde te veroordelen in de kosten van de deskundige (in eerste aanleg aan de zijde van geïntimeerde begroot op EUR 149.999,50);

3. geïntimeerde te veroordelen om al hetgeen appellante ter uitvoering van het bestreden vonnis heeft voldaan aan appellante terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van betaling tot de dag van de terugbetaling;

4 geïntimeerde te veroordelen in de proceskosten van beide instanties, inclusief de nakosten, te voldoen binnen zeven dagen na dagtekening van het arrest, onder bepaling dat indien de gedingkosten niet binnen genoemde termijn zijn voldaan, hierover vanaf de achtste dag wettelijke rente aan appellante verschuldigd is."

2.3

HIGA heeft op 4 juni 2013 een akte tot schorsing rechtsgeding ex artikel 225 lid 2 Rv, met producties, genomen alsmede een incidentele conclusie houdende schorsing van de tenuitvoerlegging ex artikel 351 Rv, subsidiair incidentele conclusie tot zekerheidstelling ex artikel 235 Rv.

2.4

De curator heeft op 2 juli 2013 een antwoordakte schorsing rechtsgeding ex artikel 225 lid 2 Rv genomen.

2.5

Het hof heeft kennis genomen van de brief van mr. P.J. Antons van 12 juli 2013, de brief van 21 augustus 2013 van mr. C.J. de Tombe en het faxbericht van 22 augustus 2013 van mr. C.J. Tombe met als bijlage een kopie van het mailbericht van mr. P.J. Antons aan hem van 20 augustus 2013.

2.6

Vervolgens hebben partijen de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest in het incident en heeft het hof arrest bepaald.

3 Beoordeling

3.1

Holcim Betonproducten B.V., toen genaamd [Y] B.V., is bij vonnis van de rechtbank van 15 december 2000 in reconventie veroordeeld tot vergoeding van schade van [B.V. X] op te maken bij staat. Bij dit vonnis van 15 december 2000 is [B.V. X] in conventie veroordeeld tot betaling aan Holcim Betonproducten B.V. van een bedrag van € 379.400,64 (het equivalent in euro's van ƒ 836.089,-), vermeerderd met wettelijke rente.

3.2

Holcim Betonproducten B.V. heeft hoger beroep ingesteld van het vonnis. [B.V. X] heeft incidenteel geappelleerd.

3.3

[B.V. X] is bij beschikking van 19 juni 2002 van de rechtbank Groningen in staat van faillissement verklaard met aanstelling van de curator als zodanig. De appelprocedure in conventie is op grond van artikel 29 Faillissementswet van rechtswege geschorst. Het geding in reconventie is door de curator ex artikel 27 lid 3 Faillissementswet overgenomen.

3.4

Bij arrest van 6 november 2002 heeft dit hof het vonnis van 15 december 2000, voor zover in reconventie gewezen, bekrachtigd. Het door Holcim Betonproducten B.V. ingestelde cassatieberoep heeft de Hoge Raad bij arrest van 9 juli 2004 verworpen.

3.5

De curator heeft bij dagvaarding van 7 december 2010 gevorderd om Holcim Betonproducten B.V. te veroordelen om aan de curator, althans de failliete boedel van [B.V. X] te voldoen een bedrag van € 4.478.876,-, te vermeerderen met wettelijke rente (de schadestaatprocedure uit hoofde van het onder 3.1 genoemde vonnis).

3.6

Bij vonnis van 28 november 2012 heeft de rechtbank Holcim Betonproducten B.V. veroordeeld het gevorderde bedrag met rente aan de curator te voldoen, waarop in mindering dient te worden gebracht hetgeen waartoe [B.V. X] bij vonnis van 15 december 2000 is veroordeeld aan Holcim Betonproducten B.V. te betalen. Daarnaast is Holcim Betonproducten B.V. veroordeeld in de proceskosten en in de kosten van de deskundige.

3.7

HIGA (voorheen genaamd Holcim Betonproducten B.V.) is van voormeld vonnis van 28 november 2012 in hoger beroep gekomen.

3.8

HIGA heeft in het incident tot schorsing ex artikel 225 lid 2 Rv aangevoerd dat Holcim Nederland B.V. bij overeenkomst van schuldoverneming van 26 juli 2011 alle verplichtingen van Holcim Betonproducten B.V. (thans genaamd HIGA) uit hoofde van deze vordering van de curator, met toestemming van de curator, heeft overgenomen. Door deze schuldoverneming is Holcim Nederland B.V. de werkelijk belanghebbende partij bij het onderhavige hoger beroep.

3.9

De curator heeft in zijn antwoordakte verklaard dit als juist te erkennen en geen bezwaar ertegen te hebben dat de procedure door Holcim Nederland B.V. wordt hervat.

3.10

Het hof overweegt als volgt.

3.11

Op grond van artikel 225 lid 1 sub c Rv kan het geding worden geschorst bij het ophouden van de betrekkingen waarin een partij het geding voerde, hetzij ten gevolge van rechtsopvolging onder algemene titel, hetzij door een andere oorzaak. Holcim Nederland B.V. heeft van HIGA de in dit geding aan de orde zijnde schuld aan de curator overgenomen (artikel 6:155 BW). Dit heeft als een dergelijke andere oorzaak te gelden.

3.12

Holcim Nederland B.V. heeft deze schuld voor de aanvang van de procedure in hoger beroep van HIGA overgenomen, zodat hier feitelijk geen sprake is van een grond voor schorsing van de procedure ex artikel 225 Rv. Holcim Nederland B.V. had van aanvang af het appel kunnen instellen. In de omstandigheid dat de curator ermee heeft ingestemd dat Holcim Nederland B.V. langs de weg van artikel 225 Rv partij wordt in dit hoger beroep ziet het hof desalniettemin aanleiding om te verstaan dat het geding aan de zijde van appellante zal worden voortgezet op naam van Holcim Nederland B.V.

3.13

Uit de hiervoor in r.o. 2.5 weergegeven correspondentie maakt het hof op dat partijen de incidentele conclusie houdende schorsing van de tenuitvoerlegging ex artikel 351 Rv, subsidiair incidentele conclusie tot zekerheidstelling ex artikel 235 Rv aanmerken als een geldige proceshandeling. Het hof heeft mede gelet daarop geen reden om hierover anders te oordelen. Het hof zal thans de curator in de gelegenheid stellen een antwoordconclusie in het incident te nemen.

3.14

Gelet op de aard van het onderhavige incident zijn er geen termen voor het uitspreken van een kostenveroordeling ten laste van één van partijen, zodat iedere partij de eigen kosten dient te dragen.

4 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

in het incident tot schorsing ex artikel 225 Rv

verstaat dat de zaak zal worden voortgezet door Holcim Nederland B.V. als procespartij in plaats van HIGA;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

in het incident tot schorsing ex artikel 351 Rv subsidiair zekerheidstelling ex artikel 235 Rv

verwijst de zaak naar de rol van dinsdag 29 oktober 2013 voor antwoordconclusie van de zijde van de curator.

Dit arrest is gewezen door mrs. L. Janse, W. Breemhaar en K.M. Makkinga en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag

1 oktober 2013.