Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:7342

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-09-2013
Datum publicatie
02-10-2013
Zaaknummer
12/00693 en 694
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBUTR:2010:4603, Bekrachtiging/bevestiging
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:1209
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet WOZ.

Kantoorverzamelgebouw. Objectafbakening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/2184
Belastingblad 2013/464 met annotatie van W.G. van den Ban
FutD 2013-2465
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummers 12/00693 en 12/00694

uitspraakdatum: 24 september 2013

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 25 oktober 2012, nummers SBR 11/2955 en 11/2956, in het geding tussen belanghebbende en

de heffingsambtenaar van de gemeente Amersfoort (hierna: de heffingsambtenaar)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking met nummer [01] en dagtekening 31 maart 2011 op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [a-straat 1] (1 t/m 127) te[Z], per waardepeildatum 1 januari 2009, voor het jaar 2010 vastgesteld op € 6.825.000. Tegelijk met deze beschikking zijn aanslagen onroerendezaakbelasting (OZB) 2010 voor zover het betreft het eigenaarsgedeelte vastgesteld op € 13.677 en voor zover het betreft het gebruikersgedeelte vastgesteld op € 11.165.

1.2

De heffingsambtenaar heeft bij beschikking met nummer [02] en dagtekening 31 maart 2011 op grond van de Wet WOZ de waarde van de onroerende zaak [a-straat 1] (1 t/m 127) te [Z], per waardepeildatum 1 januari 2008, voor het jaar 2009 vastgesteld op € 6.825.000. Tegelijk met deze beschikking zijn aanslagen OZB 2009 voor zover het betreft het eigenaarsgedeelte vastgesteld op € 13.875 en voor zover het betreft het gebruikersgedeelte vastgesteld op € 11.329.

1.3

Op de bezwaarschriften van belanghebbende heeft de heffingsambtenaar bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de beschikkingen en de aanslagen gehandhaafd.

1.4

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Utrecht (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 25 oktober 2012, nummers SBR 11/2955 (belastingjaar 2010) en SBR 11/2956 (belastingjaar 2009) gegrond verklaard, de uitspraken van de heffingsambtenaar vernietigd, – naar het Hof begrijpt – de heffingsambtenaar gelast opnieuw uitspraken op bezwaar te doen en de heffingsambtenaar veroordeeld in de vergoeding van de door belanghebbende betaalde proceskosten alsmede het door haar betaalde griffierecht.

1.5

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.6

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, de van de Rechtbank ontvangen dossiers die op deze zaken betrekking hebben.

1.7

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 juni 2013 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord [...], als de gemachtigde van belanghebbende, alsmede[...] namens de heffingsambtenaar, bijgestaan door[...] (taxateur). Ter zitting is door de heffingsambtenaar, zonder bezwaar van belanghebbende, overgelegd een stuk “Maatwerk in kantoorruimte” (blz. 12).

1.8

De gemachtigde van belanghebbende heeft een pleitnota overgelegd.

1.9

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende is eigenares van een kantoorverzamelgebouw, gelegen aan de [a-straat 1] (1 tot en met 127) te [Z] (hierna: de onroerende zaak). Op het parkeerterrein bij de onroerende zaak staat een loods met daarin zeven opslagruimten. De in de onroerende zaak aanwezige bedrijfs-/kantoorruimten worden door belanghebbende aan derden verhuurd. Tevens verhuurt belanghebbende de opslagruimten aan derden.

Belastingjaar 2009

2.2

Bij beschikking van 31 december 2009 (nummer[03]) heeft de heffingsambtenaar met betrekking tot de onroerende zaak in één biljet verenigde aanslagen en waardebeschikkingen voor het belastingjaar 2009 afgegeven naar de waardepeildatum 1 januari 2008. Hierbij is de heffingsambtenaar uitgegaan van acht te onderscheiden objecten. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze beschikking.

2.3

Bij uitspraak op bezwaar van 25 mei 2010 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar gegrond verklaard omdat hem is gebleken dat er een onjuiste objectafbakening heeft plaatsgevonden. De heffingsambtenaar heeft daarbij aangekondigd dat belanghebbende voor de opnieuw af te bakenen objecten beschikkingen en aanslagen zal ontvangen.

2.4

Op 5 juli 2010 heeft de heffingsambtenaar de beschikkingen en de aanslagen van 31 december 2009 ambtshalve vernietigd.

2.5

Vervolgens heeft de heffingsambtenaar verenigd in één biljet van 31 augustus 2010 (nummer [04]) met betrekking tot de onroerende zaak nieuwe waardebeschikkingen voor het belastingjaar 2009 en naar de waardepeildatum 1 januari 2008 afgegeven en aanslagen opgelegd waarbij de heffingsambtenaar is uitgegaan van honderdzevenentwintig te onderscheiden objecten.

2.6

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt en daarbij aangevoerd dat geen tweede aanslag mag worden opgelegd. Immers bij het vaststellen van de onder 2.2 bedoelde beschikking is uitgegaan van een afgebakend object dat te groot is. Herstel had door middel van aanpassing van de objectafbakening in bezwaar moeten plaatsvinden en had niet tot vernietiging van de beschikking c.q. aanslag mogen leiden (HR 27 september 2002, nrs. 34927 en 34928, ECLI:NL:HR:2002:AE8146 en ECLI:NL:HR:2002:AD5341, BNB 2002/375 en BNB 2002/376, de zogenoemde ‘Raffinaderijarresten’). Voorts is belanghebbende van mening dat de nieuwe objectafbakening onjuist is.

2.7

Bij uitspraak op bezwaar van 2 februari 2011 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar gegrond verklaard, de in het biljet van 31 augustus 2010 verenigde beschikkingen en aanslagen vernietigd. De heffingsambtenaar heeft daarbij aangegeven dat, de onroerende zaak ten onrechte is gesplitst in afzonderlijke objecten en heeft aangekondigd dat belanghebbende één nieuwe beschikking en aanslag zal ontvangen, waarbij de onroerende zaak zal zijn aangemerkt als één object. Belanghebbende wordt hierbij aangemerkt als eigenares en als gebruikster.

2.8

De heffingsambtenaar heeft in één biljet, nummer[02], gedagtekend 31 maart 2011 de waarde van de onroerende zaak, per waardepeildatum 1 januari 2008, voor het jaar 2009 bij beschikking vastgesteld op € 6.825.000 en aanslagen OZB 2009 vastgesteld, voor zover het betreft het eigenaarsgedeelte op € 13.875 en voor zover het betreft het gebruikersgedeelte op € 11.329. Hierbij is de heffingsambtenaar uitgegaan van één object.

Belastingjaar 2010

2.9

In het aanslagbiljet van 28 februari 2010 heeft de heffingsambtenaar met betrekking tot de onroerende zaak in één biljet verenigde aanslagen en waardebeschikkingen voor het belastingjaar 2010, bekendgemaakt naar de waardepeildatum 1 januari 2009 (nummer[04]). Hierbij is de heffingsambtenaar uitgegaan van acht te onderscheiden objecten. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen deze beschikking.

2.10

Bij uitspraak op bezwaar van 5 juli 2010 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar gegrond verklaard omdat gebleken is dat er een onjuiste objectafbakening heeft plaatsgevonden. De heffingsambtenaar heeft de beschikkingen en de aanslagen vernietigd, met uitzondering van die welke zijn opgelegd voor object [b-straat 1] (€ 232 en € 62) en aangekondigd dat belanghebbende voor het opnieuw af te bakenen object beschikkingen en aanslagen zal ontvangen.

2.11

Vervolgens heeft de heffingsambtenaar in één biljet van 31 augustus 2010, nummer [05], verenigd met betrekking tot de onroerende zaak nieuwe waardebeschikkingen afgegeven en aanslagen opgelegd waarbij de heffingsambtenaar is uitgegaan van honderdzevenentwintig te onderscheiden objecten.

2.12

Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt en daarbij aangevoerd dat geen tweede aanslag mag worden opgelegd. Immers bij het vaststellen van de onder 2.9 bedoelde beschikking is uitgegaan van een afgebakend object dat te groot is. Herstel had door middel van aanpassing van de objectafbakening in bezwaar moeten plaatsvinden en had niet tot vernietiging van de aanslag hoeven leiden (HR 27 september 2002, nrs. 34.927 en 34.928, ECLI:NL:HR:2002:AE8146 en ECLI:NL:HR:2002:AD5341, BNB 2002/375 en BNB 2002/376, de zogenoemde ‘Raffinaderijarresten’). Voorts is belanghebbende van mening dat de nieuwe objectafbakening onjuist is.

2.13

Bij uitspraak op het bezwaar van 2 februari 2011 heeft de heffingsambtenaar het bezwaar gegrond verklaard en de in één biljet van 31 augustus 2010 verenigde beschikkingen en aanslagen vernietigd. De heffingsambtenaar heeft daarbij vermeld dat de onroerende zaak ten onrechte is gesplitst in afzonderlijke objecten en aangekondigd dat belanghebbende op korte termijn opnieuw een beschikking en een aanslag zal ontvangen waarbij de onroerende zaak wordt aangemerkt als één object. Belanghebbende wordt hierbij aangemerkt als eigenares en als gebruikster.

2.14

De heffingsambtenaar heeft in één biljet met dagtekening 31 maart 2011, nummer [01], bij beschikking de waarde van de onroerende zaak, per waardepeildatum 1 januari 2009, voor het jaar 2010 vastgesteld op € 6.825.000 en aanslagen OZB 2010 vastgesteld, voor zover het betreft het eigenaarsgedeelte op € 13.677 en voor zover het betreft het gebruikersgedeelte op € 11.165. Hierbij is de heffingsambtenaar uitgegaan van één object.

2.15

Op de bezwaarschriften van belanghebbende gericht tegen de in onderdelen 2.8 en 2.14 genoemde beschikkingen heeft de heffingsambtenaar bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de beschikkingen en de aanslagen gehandhaafd.

2.16

De Rechtbank heeft het hiertegen ingestelde beroep van belanghebbende gegrond verklaard, omdat de heffingsambtenaar bij het geven van de primaire waardebeschikkingen van 31 maart 2011 het object gelet op artikel 16 van de Wet WOZ onjuist heeft afgebakend. De Rechtbank heeft vervolgens de uitspraken van de heffingsambtenaar vernietigd en – naar het Hof begrijpt – de heffingsambtenaar opgedragen opnieuw uitspraken op bezwaar te doen.

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de heffingsambtenaar bevoegd is de beschikkingen en aanslagen te geven respectievelijk op te leggen. Indien die vraag bevestigend moet worden beantwoord, is tussen partijen in geschil of de heffingsambtenaar tijdig de beschikkingen als bedoeld in onderdeel 2.5 en 2.10 heeft gegeven. Tevens is tussen partijen in geschil of de heffingsambtenaar terecht geen rekening heeft gehouden met leegstand.

3.2

Beide partijen hebben voor hun standpunten aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het proces-verbaal van de zitting.

3.3

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar, primair tot vernietiging van de beschikkingen en de aanslagen, subsidiair tot verlaging van de bij beschikkingen vastgestelde waarden tot een waarde van € 5.906.524 en tot dienovereenkomstige vermindering van de aanslagen.

3.4

De heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Beoordeling van het geschil

Herstel onjuiste objectafbakening beschikkingen van 31 december 2009 en 28 februari 2010

4.1

Belanghebbende herhaalt haar betoog zoals weergegeven in de onderdelen 2.6 en 2.12 van deze uitspraak. Zij betoogt dat de heffingsambtenaar om deze reden zijn bevoegdheid om met betrekking tot de onroerende zaak nieuwe WOZ-beschikkingen voor de belastingjaren 2009 en 2010 af te geven heeft verspeeld.

Het Hof constateert dat – gelet op de hier in geschil zijnde ‘vervangende’ beschikkingen – in de in eerste instantie afgegeven beschikkingen uiteindelijk niet is uitgegaan van een afgebakend object dat te groot is, maar juist van afgebakend object dat te klein is. Aan die constatering doet niet af dat zulks niet het geval was in de beschikkingen genoemd in de onderdelen 2.5 en 2.11 van de uitspraak, aangezien deze beschikkingen uiteindelijk ook wegens een onjuiste (te kleine) objectafbakening door de heffingsambtenaar zijn vernietigd. Het stond de heffingsambtenaar in dit geval dan ook vrij om met betrekking tot de onroerende zaak nieuwe beschikkingen vast te stellen en nieuwe aanslagen op te leggen.

Tijdigheid beschikkingen 31 augustus 2010

4.2

Voor zover belanghebbende heeft willen betogen dat uit het ‘Schipholarrest’ (HR 9 mei 2003, nr. 35 987, ECLI:NL:HR:2003:AD6058, BNB 2003/270c) volgt dat de overschrijding van de redelijke behandeltermijn gesteld in artikel 4:13 van de Algemene wet bestuursrecht als rechtsgevolg heeft dat de beschikkingen van 31 augustus 2010 (vermeld in de onderdelen 2.5 en 2.11) en de daarin begrepen aanslagen moeten worden vernietigd, aangezien zij niet binnen acht weken na vernietiging van de beschikkingen (op 5 juli 2010, zie onderdelen 2.4 en 2.10) en de daarin begrepen aanslagen, bekend zijn gemaakt, overweegt het Hof als volgt. Uit rechtsoverweging 3.7.2 van het ‘Schipholarrest’ volgt, voor zover hier van belang:

De ambtenaar van de gemeente kan evenwel voor het juist afgebakende object een nieuwe waardebeschikking geven. Aanslagen in de onroerendezaakbelastingen die zijn vastgesteld op basis van dergelijke onjuiste waardebeschikkingen - zodat ook daarbij van een onjuiste objectafbakening is uitgegaan -, gelden als ten onrechte vastgestelde aanslagen in de zin van artikel 18a, lid 1, van de AWR, en zullen door de ambtenaar van de gemeente binnen acht weken na de vernietiging van de desbetreffende waardebeschikkingen eveneens moeten worden vernietigd. Binnen de termijn van artikel 11, lid 3, van de AWR kunnen - eventueel tot behoud van rechten, indien tegen de aanvankelijk gegeven beschikkingen een rechtsmiddel is aangewend - ter zake van het juist afgebakende object nieuwe aanslagen in de onroerendezaakbelastingen worden opgelegd (vgl. rechtsoverweging 3.4 van HR 8 juli 1992, nr. 28 262, BNB 1992/311), hetzij naar de bij een - eventueel al tot behoud van rechten gegeven - nieuwe waardebeschikking vastgestelde waarde, hetzij naar de met toepassing van artikel 220d, lid 4, van de Gemeentewet vastgestelde waarde. Indien de termijn van artikel 11, lid 3, van de AWR is verstreken, kan naar aanleiding van een voor het juist afgebakende object gegeven nieuwe waardebeschikking op de voet van het bepaalde in artikel 18a, lid 3, van de AWR de te weinig geheven belasting worden nagevorderd. Daarbij is nog het volgende van belang. Uit artikel 18a, lid 2, van de AWR volgt dat de desbetreffende navorderingsaanslag moet worden opgelegd binnen acht weken nadat de nieuwe waardebeschikking onherroepelijk is geworden. In de wet is evenwel geen termijn opgenomen waarbinnen, op straffe van nietigheid van de nieuwe beschikking, van de bevoegdheid tot het geven van een nieuwe waardebeschikking gebruik moet worden gemaakt. Het rechtszekerheidsbeginsel brengt echter mee dat de nieuwe beschikking moet worden gegeven binnen een redelijke termijn na de (onherroepelijke) vernietiging van de aanvankelijk gegeven waardebeschikkingen. Het bepaalde in de artikelen 4:13, lid 2, en 4:14 van de Algemene wet bestuursrecht is hierbij van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat onder aanvrager de belanghebbende is te verstaan en onder de ontvangst van de aanvraag de vernietiging van de aanvankelijk gegeven waardebeschikkingen.”

Uit bovenstaand arrest volgt dat de heffingsambtenaar slechts dan verplicht is nieuwe vervangende beschikkingen te nemen binnen de door de Hoge Raad hiervoor gestelde termijn van acht weken indien aan de heffingsambtenaar slechts de mogelijkheid van navordering zou openstaan omdat de (reguliere) termijn van artikel 11 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen inmiddels is verstreken. Zulks is in casu echter niet het geval, nu de beschikkingen 2009 en 2010 en de op deze biljetten verenigd opgelegde aanslagen zijn vastgesteld met dagtekening 31 augustus 2010, derhalve binnen de respectievelijke driejaarstermijnen.

Leegstand

4.3

Partijen hebben niet bestreden het oordeel van de Rechtbank dat het object onjuist is afgebakend en dat de heffingsambtenaar een nieuwe uitspraak moet doen. Het Hof zal, nu geen van de grieven van belanghebbende doel treft, de uitspraak van de Rechtbank bevestigen. De klacht dat in de bestreden beschikking bij het bepalen van de waarde geen rekening is gehouden met leegstand behoeft thans geen behandeling. Die klacht kan zo nodig worden opgebracht indien de nieuwe beschikking naar het oordeel van belanghebbende aan hetzelfde euvel mocht lijden.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Lamens, voorzitter, mr. J. van de Merwe en mr. R.A.V. Boxem, in tegenwoordigheid van mr. C.E. te Brake als griffier.

De beslissing is op 24 september 2013 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(C.E. te Brake)

(J. Lamens)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.