Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:7216

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
26-09-2013
Datum publicatie
28-02-2014
Zaaknummer
WAHV 200.110.573
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bestuursstrafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Sanctie ter zake van "de kentekenplaat voldoet niet aan de gestelde eisen" (feitcode K405). De auto

is voorzien van twee soorten kentekenplaten: een GAIK-kentekenplaat aan de achterzijde en aan de

voorzijde een zogenaamde Amerikaanse kentekenplaat (model 18.2). Op het kentekenbewijs staat

niet dat model 18.2 gevoerd mag worden. Uitleg artikel 5 van het Kentekenreglement in het licht van

artikel 40 van de Wegenverkeerswet. Sanctie terecht opgelegd. Klacht over motiveringsgebrek in de

beslissing van de officier van justitie verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2014/117
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

WAHV 200.110.573

26 september 2013

CJIB 149726795

Gerechtshof te Leeuwarden

Arrest

op het hoger beroep tegen de beslissing

van de kantonrechter van de rechtbank Arnhem

van 24 juli 2012

betreffende

[de betrokkene] (hierna te noemen: betrokkene),

wonende te [plaats],

voor wie als gemachtigde optreedt [de gemachtigde],

kantoorhoudende te [plaats].

De beslissing van de kantonrechter

De kantonrechter heeft het beroep van de betrokkene tegen de door de Centrale Verwerking Openbaar Ministerie namens de officier van justitie in het arrondissement Arnhem genomen beslissing ongegrond verklaard en het verzoek van betrokkene tot vergoeding van kosten afgewezen. De beslissing van de kantonrechter is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.

Het procesverloop

De gemachtigde van de betrokkene heeft tegen de beslissing van de kantonrechter hoger beroep ingesteld. Tevens is verzocht om vergoeding van kosten.

De advocaat-generaal heeft een verweerschrift ingediend.

De gemachtigde van de betrokkene heeft schriftelijk een nadere toelichting gegeven op het beroep.

De advocaat-generaal is in de gelegenheid gesteld een reactie te geven op de nadere toelichting op het beroep. Hiervan is geen gebruik gemaakt.

Beoordeling

1.

De gemachtigde van de betrokkene voert in hoger beroep aan dat de kantonrechter ten onrechte de motiveringsklacht over de beslissing van de officier heeft verworpen, nu de standaardbeslissing van de officier van justitie niets inzichtelijk maakt en niet in stand kan blijven gelet op de uitspraak van dit hof in de zaak WAHV 200.092.116. Verder stelt de gemachtigde van de betrokkene zich op het standpunt dat aan de betrokkene ten onrechte een sanctie is opgelegd voor de gedraging dat de kentekenplaat niet aan de gestelde eisen voldeed. Ten tijde van de gedraging beschikte de betrokkene over een originele goedgekeurde kentekenplaat, die echter niet aan de voorzijde van het voertuig was gemonteerd. De aan die zijde gemonteerde Amerikaanse kentekenplaat met gele achtergrond voldoet aan de eisen van artikel 5, lid 1 en 2, van het Kentekenreglement (het hof leest, gelet op de inhoud van het beroepschrift en de daarbij gevoegde bijlage: Regeling kenteken en kentekenplaten). Gelet op het voorgaande en op de inhoud van het aanvullend proces-verbaal d.d. 14 juni 2012 is er naar de mening van de gemachtigde geen wettelijke grondslag om aan de betrokkene een sanctie op te leggen en dient de inleidende beschikking te worden vernietigd. Vernietiging moet ook plaatsvinden omdat het aanvullend proces-verbaal d.d. 11 januari 2012 buiten de in de Aanwijzing administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften gestelde termijn van vier weken is ontvangen.

2.

Gelet op de inhoud van het dossier, waaruit verwarring blijkt met betrekking tot de vraag welke bepaling de betrokkene nu heeft overtreden, ziet het hof aanleiding om eerst in te gaan op de vraag of de betrokkene de gedraging heeft verricht.

3.

Aan de betrokkene is bij inleidende beschikking een administratieve sanctie van € 100,- opgelegd ter zake van “de kentekenplaat voldoet niet aan de gestelde eisen” (feitcode K405), welke gedraging zou zijn verricht op 3 februari 2011 om 10.35 uur op de

St. Annastraat te Nijmegen met het voertuig met het kenteken [kenteken].

4.

In WAHV-zaken biedt de verklaring van de verbalisant in beginsel een voldoende grondslag voor de vaststelling dat de gedraging is verricht. Dat is anders indien de betrokkene voor zijn zaak specifieke feiten en omstandigheden aanvoert, die aanleiding geven te twijfelen aan de juistheid van één of meer onderdelen van de ambtsedige verklaring dan wel indien uit het dossier zulke feiten en omstandigheden blijken.

5.

De ambtsedige verklaring van de verbalisant zoals opgenomen in de aankondiging van de beschikking houdt - naast de in de beschikking vermelde datum, tijd en plaats van de gedraging - onder meer het volgende in:

“Kentekenplaat voorzijde voldoet niet aan gestelde eisen. Voorzijde kentekenplaats zgn 'Amerikaans model' (klein plaatje, geen GAIK).

In de kofferbak lag de 2e GAIK-plaat.

Verklaring betrokkene: "Ik wist het niet, de auto hebben we al heel lang."

6.

Het op verzoek van de officier van justitie opgemaakte aanvullend proces-verbaal van de verbalisant d.d. 11 januari 2012 houdt het volgende in, voor zover hier van belang:

"Ik (…) zag dat deze Mazda aan de voorzijde was voorzien van een klein zogenaamd Amerikaans model kentekenplaat. Dit is een mij (…) ambtshalve bekend klein model gele kentekenplaat, welke niet is voorzien van het blauwe EU-symbool met daarop de landaanduiding NL in witte letters. (…) Toen ik daarna de auto voorbij zag rijden zag ik dat de Mazda aan de achterzijde wel was voorzien van de groter model gele kentekenplaat, de zogenaamde GAIK-kentekenplaat met daarop het bekende blauwe EU-symbool en NL landcode. Het is mij tevens ambtshalve bekend dat deze GAIK-kentekenplaten altijd per twee stuks voor een personenauto worden afgegeven en dat het verplicht is deze beide kentekenplaten op het voertuig te monteren. (…). Vervolgens heb ik de bestuurster van deze Mazda een stopteken gegeven en inzage gevraagd van onder andere de bij het voertuig behorende kentekenbewijzen. Ik (…) hoorde bij het opvragen van dit kenteken bij de politiemeldkamer dat er op het kentekenbewijs geen bijzonderheid vermeld stond, waaruit zou blijken dat voor deze auto een kentekenplaat model 18.2 (de zogenaamde kleine Amerikaanse plaat) was toegestaan. Omdat er geen sprake was van deze hierboven genoemde overeenstemming van de gegevens met het afgegeven kentekenbewijs, het kentekenregister en het voertuig, heb ik de destijds betrokken bestuurster (…) een proces-verbaal aangezegd. (…) Betrokkene DIERX heeft toen op mijn verzoek de tweede GAIK kentekenplaat voorzien van dezelfde letter en cijfercombinatie[kenteken] aan mij verbalisant laten zien. Deze GAIK kentekenplaat lag in de kofferbak van de Mazda."

7.

Uit de hiervoor onder 5 en 6 weergegeven verklaringen van de verbalisant blijkt dat hij heeft vastgesteld dat de Mazda waarin de betrokkene reed twee verschillende modellen kentekenplaten voerde. Aan de voorzijde was de Mazda voorzien van een kentekenplaat model 18.2, de zogenaamde kleine Amerikaanse kentekenplaat, terwijl uit het kentekenbewijs niet bleek dat daarvoor toestemming was verleend. Hij heeft de betrokkene bij staandehouding meegedeeld dat haar daarvoor een sanctie zou worden opgelegd.

8.

Artikel 40 van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994) bepaalt:

"1. Het kenteken dient behoorlijk zichtbaar op of aan het motorrijtuig of de aanhangwagen aanwezig te zijn.

2.

Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels vastgesteld omtrent de inrichting, het aanbrengen en de verlichting van het kenteken en worden regels vastgesteld omtrent de kentekenplaat en de onderdelen daarvan, alsmede de daarop aan te brengen merken.

3.

Bij ministeriële regeling worden nadere regels vastgesteld ter uitvoering van het bepaalde krachtens het tweede lid.

9.

De bij feitcode K405 behorende gedraging is een overtreding van het eerste lid in samenhang met het derde lid van artikel 5 van het Kentekenreglement. Dit reglement is gebaseerd op de Wegenverkeerswet 1994 (WVW 1994). Van belang hierbij is dat het Kentekenreglement geen specifieke artikelen uit de WVW 1994 als basis vermeldt.

Artikel 5 van het Kentekenreglement luidt als volgt:

"1. Het kenteken wordt aangebracht op een plaat die behoort tot een door de Dienst Wegverkeer goedgekeurde soort.

2.

Het eerste lid geldt niet in bij ministeriële regeling vast te stellen gevallen.

3.

De in het eerste lid bedoelde plaat en de onderdelen daarvan zijn in bij ministeriële regeling vast te stellen gevallen voorzien van bij die regeling vast te stellen merken."

10.

Op grond van hetgeen in artikel 40 van de WVW 1994 is bepaald ten aanzien van het kenteken van een voertuig, moet in artikel 5 van het Kentekenreglement onder de plaat waarop het kenteken wordt aangebracht, worden verstaan de op of aan het voertuig bevestigde plaat, in casu de op grond van de op artikel 40 van de WVW 1994 gebaseerde nadere regelgeving aan de voorzijde van het voertuig benodigde kentekenplaat. In dit geval betekent dat voor het voertuig van de betrokkene dat daarop de in de kofferbak aanwezige kentekenplaat moet zijn aangebracht.

11.

Die nadere regelgeving kent geen uitzondering die maakt dat de kentekenplaat zonder meer kan worden vervangen door een kleine Amerikaanse kentekenplaat, ook niet wanneer - zoals in dit geval - een kentekenplaat die wel aan de eisen voldoet in het voertuig aanwezig is. De mede op artikel 40, derde lid, van de WW 1994 gebaseerde Regeling kentekens en kentekenplaten bepaalt in artikel 8 dat kentekenplaten volgens model 18.2 slechts gebruikt mogen worden voor zover uit het kentekenbewijs blijkt dat toestemming is verleend voor het voeren van deze kentekenplaten. Nu die toestemming niet was verleend, is naar het oordeel van het hof komen vast te staan dat de onder 3 vermelde gedraging is verricht.

12.

Gelet op het voorgaande kan naar het oordeel van het hof, anders dan de gemachtigde van de betrokkene aanvoert, in het midden blijven of de gevoerde kentekenplaat van het model 18.2 aan andere nog aan platen van dat model te stellen eisen voldeed. Voor de vraag of de gedraging is verricht, is dat immers niet van belang.

13.

Met betrekking tot de klacht over het motiveringsgebrek in de beslissing van de officier van justitie, overweegt het hof het volgende.

14.

Namens de betrokkene is in beroep bij de officier van justitie verzocht aan te geven hoe de verbalisant de gedraging heeft vastgesteld en daartoe de rapportage van de verbalisant met betrekking tot de verrichte meting over te leggen. Indien de plaat niet is opgemeten, kan niet worden vastgesteld dat de plaat niet de juiste meting had en staat niet vast dat de gedraging is verricht, aldus de gemachtigde van de betrokkene.

15.

De motivering van de beslissing van de officier van justitie d.d. 3 (of 4) augustus 2011 vermeldt onder andere:

"U stelt, dat u graag informatie wilt omtrent de meting van de verbalisant. Indien de nummerplaat niet is opgemeten, staat niet vast dat de kentekenplaat niet de juiste afmeting had. (…)

Uit de beschikbare informatie blijkt dat de gegevens vermeld in de beschikking juist zijn. (…) Omtrent de bewijsvoering verwijst de officier van justitie naar de bijlage(n)."

16.

Op basis van de inhoud van het dossier neemt het hof aan dat als bijlage bij de beslissing van de officier van justitie een kopie van het zaakoverzicht was gevoegd. De gemachtigde van de betrokkene betwist niet deze bijlage te hebben ontvangen. Mede gelet op de inhoud van het zaakoverzicht, waarvan de inhoud hiervoor onder 5 is weergegeven, moet de beslissing van de officier van justitie aldus worden begrepen dat hij het aangevoerde argument verwerpt op grond van de omstandigheid dat de verbalisant heeft geconstateerd dat de aan de voorzijde van de auto gemonteerde kentekenplaat een Amerikaans model betrof, een klein plaatje en niet de GAIK-kentekenplaat, die voor dit voertuig wel was afgegeven en in de kofferbak lag. Nu het zaakoverzicht in geen enkel opzicht aanleiding geeft te veronderstellen dat het in de beschikking opgenomen verwijt te maken had met de precieze afmetingen van de aan de voorzijde van het voertuig bevestigde plaat is het hof van oordeel dat de beslissing van de officier van justitie voldoende inzichtelijk maakt waarom de aangevoerde gronden geen doel treffen en derhalve deugdelijk is gemotiveerd. Derhalve hoefde de kantonrechter de beslissing van de officier van justitie niet te vernietigen wegens een motiveringsgebrek.

17.

De gemachtigde van de betrokkene voert ook aan dat de inleidende beschikking moet worden vernietigd omdat op het verzoek van de CVOM d.d. 16 november 2011 om aanvullende informatie eerst op 11 januari 2012 en in strijd met de Aanwijzing administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Aanwijzing) een aanvullend proces-verbaal is opgesteld. De politie is een professionele organisatie waarbij de afwezigheid van een persoon wegens ziekte geen reden kan zijn om een zaak goed en gepast voortvarend te behandelen. Ziekte van een burger maakt termijnoverschrijding ook niet verschoonbaar. Zelfs een geringe overschrijding van de termijn kan daarom niet worden aanvaard. Anders dan de advocaat-generaal stelt, is er geen sprake van een tardief argument, aldus de gemachtigde van de betrokkene. Dit argument kon niet eerder dan in hoger beroep worden aangevoerd omdat de gemachtigde eerst uit het proces-verbaal van de verbalisant van 14 juni 2012 bleek dat er nog een ander aanvullend proces-verbaal was.

18.

Volgens vaste jurisprudentie van het hof is de Aanwijzing slechts van toepassing indien de officier van justitie in de fase van het beroep tegen de inleidende beschikking informatie opvraagt. In dit geval heeft de officier van justitie om informatie gevraagd nadat beroep bij de kantonrechter was ingesteld. Overigens is de Aanwijzing niet zo strikt dat in zijn algemeenheid moet worden aangenomen dat ziekte van de verbalisant die de sanctie heeft opgelegd geen argument kan zijn om bij overschrijding van de vier-weken termijn de sanctie in stand te laten. Het verweer faalt derhalve.

19.

Het hof stelt vast, dat het zaakoverzicht, naast hetgeen in de aankondiging van de beschikking is opgenomen eveneens vermeldt: "De kentekenplaat was niet voorzien van een rijkskeurmerk." Nu op grond van de Regeling kentekens en kentekenplaten slechts op kentekenplaten met witte letters op een blauwe achtergrond een Rijkskeurmerk aanwezig dient te zijn (artikel 5, lid 1 oud) is er sprake van een kennelijke vergissing. Niet onmogelijk is, dat de uit het beroepschrift tegen de beslissing van de officier blijkende verwarring van de gemachtigde betreffende artikel 5 van het Kentekenreglement en artikel 5 van de Regeling kenteken en kentekenplaten, hierdoor (althans mede hierdoor) is veroorzaakt.

20.

De kantonrechter heeft bij de motivering van zijn beslissing dat het beroep ongegrond moet worden verklaard (eveneens) het bepaalde in artikel 5 van de Regeling kenteken en kentekenplaten tot uitgangspunt genomen en geoordeeld dat de kentekenplaat aan de voorzijde van het voertuig niet aan de in dat artikel gestelde eisen voldeed, omdat de betrokkene niet aannemelijk had gemaakt dat daarop een merk was aangebracht.

Nu de verbalisant omtrent het wel dan niet aanwezig zijn van een merk op de kentekenplaat niets heeft vastgesteld, kan de beslissing - wat er voor het overige zij van de motivering - daarop niet rusten.

21.

Gelet op het voorgaande zal het hof de beslissing van de kantonrechter vernietigen en opnieuw recht doen.

22.

Op grond van het hiervoor in de overwegingen 5 tot en met 11 overwogene is het hof van oordeel dat het beroep van de betrokkene tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond moet worden verklaard.

23.

Nu de beslissing van de kantonrechter wordt vernietigd zal het hof bepalen dat aan de betrokkene een proceskostenvergoeding wordt toegekend. De proceskostenvergoeding betreft de kosten van door de gemachtigde in de fase van het hoger beroep beroepsmatig verleende rechtsbijstand, een en ander overeenkomstig hetgeen in het Besluit proceskosten bestuursrecht en de daarbij behorende bijlage is bepaald. De gemachtigde heeft de volgende proceshandelingen verricht: het indienen van een hoger beroepschrift en het indienen van een nadere toelichting op het hoger beroep. Aan het indienen van een beroepschrift moet een punt worden toegekend en aan het indienen van een nadere toelichting een halve punt. De waarde per punt bedraagt € 472,-. Gelet op de aard van de zaak past het hof wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak is licht) toe. Dit leidt tot de volgende berekening: 0,5 x € 472,- + 0,25 x € 472,- = € 354,-.

Beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beslissing van de kantonrechter;

verklaart het beroep tegen de beslissing van de officier van justitie ongegrond;

veroordeelt de advocaat-generaal tot het vergoeden van de proceskosten van de betrokkene, ter hoogte van € 354,-.

Dit arrest is gewezen door mr. Dijkstra, in tegenwoordigheid van mr. Smeitink als griffier, en uitgesproken ter openbare zitting.