Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:7188

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
24-09-2013
Datum publicatie
03-10-2013
Zaaknummer
CR 200.118.952-01 24-9-2013
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alimentatieberekening met ingang van 1 november 2013 op basis van de nieuwe alimentatienormen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2014/7.4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.118.952/01

(zaaknummer rechtbank Leeuwarden 118789 FARK 12-467)

beschikking van de familiekamer van 24 september 2013

inzake

[appellante],

wonende te [woonplaats],

appellante in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. R.R.J.A. Olie-Hallmans, kantoorhoudend te Meppel,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

verder te noemen: de man,

advocaat: mr. A.H. Horstman, kantoorhoudend te Sneek.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Leeuwarden van 17 oktober 2012, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in het principaal en het incidenteel hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift, ingekomen op 21 december 2012;

- het verweerschrift tevens incidenteel hoger beroep, ingekomen op 27 februari 2013;

- het aanvullend beroepschrift tevens verweerschrift in het incidenteel hoger beroep, ingekomen op 24 april 2013;

- een brief van mr. Olie-Hallmans van 24 januari 2013 met als bijlagen de stukken uit de eerste aanleg (producties 2 tot en met 4), ingekomen op 25 januari 2013;

- een brief van mr. Horstman van 29 april 2013, ingekomen op 1 mei 2013, met als bijlage de beschikking van dit hof van 5 maart 2013 betreffende hoofdverblijfplaats en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken over het minderjarige kind van partijen;

- een brief van mr. Horstman van 20 juni 2013, ingekomen op 20 juni 2013, met bijlagen 7 tot en met 11, met onder andere een akte wijziging petitum verweerschrift tevens incidenteel appel.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 2 juli 2013 plaatsgevonden. Verschenen zijn de vrouw, bijgestaan door mr. Olie-Hallmans, en de man, bijgestaan door mr. G.L. van der Heide-Brink (kantoorgenote van mr. Horstman). Mr. Olie-Hallmans heeft ter zitting mede het woord gevoerd aan de hand van een door haar overgelegde pleitnotitie.

2.3

Gelet op artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) wordt in deze voor 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.

3 De vaststaande feiten

3.1

De man en de vrouw zijn de ouders van [kind], geboren [in 2009] (hierna: [kind]), over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen.

3.2

De hoofdverblijfplaats van [kind] is bij beschikking van 1 augustus 2012 (zaaknummer 118789 / FA RK 12-467) door de rechtbank Leeuwarden bepaald bij de man. Deze beslissing betreffende onder meer de hoofdverblijfplaats van [kind] is door dit hof op 5 maart 2013 (zaaknummer 200.114.672) bekrachtigd. Voorts heeft het hof bij deze beschikking - voor zover hier van belang - bepaald dat de co-ouderschapsregeling (inhoudende dat [kind] de ene week bij de vader verblijft en de andere week bij de moeder) wordt voortgezet totdat [kind] vier jaar is en naar school gaat en de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken ten aanzien van [kind] tussen de vrouw en de man voor de periode vanaf het moment dat [kind] vier jaar is en naar school gaat bepaald als volgt:

- [kind] verblijft twee weekenden per drie weken bij de moeder van vrijdagmiddag na school tot zondagmiddag 17.00 uur. Over het halen en brengen dienen de ouders in onderling overleg duidelijke afspraken te maken;

- de vakanties en feestdagen worden bij helfte gedeeld, tenzij de ouders in onderling overleg tot een andere regeling komen.

4 De omvang van het geschil

4.1

In geschil is de door de vrouw met ingang van 1 november 2013, de datum waarop [kind] vier jaar wordt en naar school gaat, aan de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind]. Tussen partijen is thans niet meer in geschil dat partijen gedurende de periode van co-ouderschap, te weten tot en met 31 oktober 2013, moeten worden geacht ieder hun eigen aandeel te hebben geleverd, dan wel te leveren in de kosten van [kind]. Ook is niet in geschil dat (gelet op de gewenste ingangsdatum) de uitgangspunten, zoals deze zijn neergelegd in de richtlijn van de Werkgroep Alimentatienormen zoals deze vanaf 1 april 2013 (versie juli 2013) luidt, dienen te gelden, waarbij partijen het er voorts over eens zijn dat:

- het netto besteedbaar gezinsinkomen van partijen tijdens de samenleving vastgesteld kan worden op een bedrag van € 4.000,--;

- de man met ingang van 1 november 2013 niet in aanmerking komt voor een kindgeboden budget;

- de behoefte van [kind], rekening houdend met twee kinderbijslagpunten, € 610,-- per maand bedraagt.

5 De motivering van de beslissing

5.1

Het hof dient te beoordelen in welke verhouding partijen dienen bij te dragen in de kosten van [kind]. Het hof volgt ook in dit opzicht - gelet op de ingangsdatum van de vaststellen bijdrage, zijnde 1 november 2013 - voormelde richtlijn van de Werkgroep Alimentatienormen, inhoudende dat het eigen aandeel kosten van kinderen tussen de ouders moet worden verdeeld naar rato van hun beider draagkracht. Het bedrag aan draagkracht wordt vastgesteld aan de hand van een draagkrachttabel, waarbij op forfaitaire wijze rekening is gehouden met de kosten van levensonderhoud van de onderhoudsplichtige.

Het bedrag aan draagkracht van partijen wordt in deze vastgesteld aan de hand van de formule 70% x [NBI – (0,3 NBI + 850)]. Daarbij houdt het hof rekening met het huidige NBI (netto besteedbaar inkomen) van partijen. Indien recht bestaat op fiscaal voordeel in verband met de persoonsgebonden aftrekpost levensonderhoud kinderen, dient de draagkracht met dit bedrag te worden verhoogd.

5.2

Het NBI is de som van het bruto-inkomen, inclusief vakantietoeslag en de werkelijke inkomsten uit vermogen, verminderd met de belastingen en premies die daarover verschuldigd zijn, waarbij tevens de relevante heffingskortingen in aanmerking zijn genomen. Geen rekening wordt gehouden met de fiscale gevolgen van het zijn van eigenaar van een woning.

Het NBI van de vrouw

5.3

Vaststaat dat de vrouw een arbeidsduur heeft van 38 uur, en dat zij sedert 1 augustus 2012 een deeltijdverlof/ouderschapsverlof geniet van 6 uur per week. De man is in zijn berekening uitgegaan van een bedrag aan inkomsten uit arbeid van de vrouw van € 29.571,-- per jaar. De vrouw heeft naar voren gebracht dat dit bedrag betrekking heeft op haar bruto-inkomsten en dat op dit bedrag nog in mindering moet worden gebracht de ingehouden pensioenpremie ad € 1.020,-- alsmede VUT/FPU-premie ad € 348,--. Daarmee rekening houdend komt zij uit op een bedrag aan inkomsten uit arbeid van € 28.203,--. Zij heeft daarbij aangegeven dat de door haar overgelegde salarisspecificatie van 12 maart 2013 een onjuist beeld geeft van het door haar genoten inkomen uit arbeid omdat in die specificatie het door haar opgenomen deeltijdverlof/ouderschapsverlof niet goed is verwerkt. Ter onderbouwing van haar stelling heeft zij een werkgeversverklaring d.d. 8 april 2013 overgelegd en verzocht het daarin genoemde inkomen tot uitgangspunt te nemen bij het bepalen van haar draagkracht. Blijkens die verklaring bedraagt haar inkomen € 29.570,31 bruto per jaar. Dit is het bruto jaarsalaris van € 23.943,60, vermeerderd met een vakantietoeslag van € 1.915,44, de vaste jaaruitkering van € 1.484,52 en een vaste vergoeding van € 2.226,75.

5.4

Het hof is van oordeel dat de vrouw haar stelling voldoende heeft onderbouwd en zal haar dan ook volgen in de berekening van haar NBI en, anders dan de man, op het totale inkomen van € 29.570,31 bruto per jaar in mindering brengen de door haar opgevoerde pensioenpremie van € 1.020,-- per jaar en Vut/FPU-premie van € 348,-- per jaar. Immers uit de werkgeversverklaring blijkt dat het vakantiegeld van € 1.915,44 exact de 8% is van het genoemde jaarsalaris en vormt daarmee een aanwijzing dat het daarin genoemde totaal bedrag van € 29.570,31 het bruto salaris is, waarvan -zoals de vrouw betoogt- de premies nog af moeten en niet het bruto loon zoals dat wordt vermeld op een jaaropgave. Een aanwijzing daarvoor is ook dat het in genoemd bedrag van € 29.570,31 opgenomen bruto jaarsalaris (naast vakantietoeslag, eindejaarsuitkering en vaste vergoeding) van € 23.943,60 aansluit bij de door de vrouw in het geding gebrachte loonstrook over de maand maart 2013, in die zin dat de daaruit blijkende bezoldiging ad € 2.369,42 per maand minus de daarin opgenomen correctie (zoals het hof begrijpt: in verband met het deeltijdverlof), ad € 374,12, omgerekend neerkomt op een bezoldiging van € 23.943, 60 bruto per jaar.

5.5

De vrouw heeft recht op de volgende heffingskortingen:

- de algemene heffingskorting;

- de arbeidskorting.

Anders dan de man en de vrouw houdt het hof geen rekening met de heffingskortingen inkomensafhankelijke combinatiekorting en de (aanvullende) alleenstaande ouderkorting nu [kind] zijn hoofdverblijf bij de man heeft en de vrouw geen aanspraak (meer) heeft op deze kortingen.

5.6

Op grond van het vorenstaande stelt het hof het NBI van de vrouw op een bedrag van € 1.755,-- per maand.

Het NBI van de man

5.7

Bij het berekenen van het NBI van de man zal het hof, net als partijen, uitgaan van het jaarinkomen van de man zoals dit blijkt uit de jaaropgave 2012, verminderd met de in dat jaar alsnog belaste vergoeding van de inkomensafhankelijke bijdrage ZVW, te weten van een jaarinkomen van (€ 39.180,-- minus € 2.598,-- ) € 36.582,--.

5.8

Het hof heeft geen reden om aan te nemen dat dit inkomen binnen afzienbare tijd zal wijzigen. De vrouw heeft weliswaar gesteld dat de door de man in het geding gebrachte salarisstroken over januari tot en met mei 2013 omgerekend een hoger inkomen laten zien dan in 2012, maar het hof is van oordeel dat, nu de man onregelmatig werk heeft, waarbij zijn maandsalaris door "meeruren" aanzienlijk fluctueert, een jaaropgave een beter beeld geeft van de door de man te genereren inkomsten.

5.9

De man heeft recht op de volgende heffingskortingen:

  • -

    de algemene heffingskorting;

  • -

    de arbeidskorting.

Anders dan de man en de vrouw houdt het hof geen rekening met de heffingskortingen inkomensafhankelijke combinatiekorting en de (aanvullende) alleenstaande ouderkorting nu de man geen aanspraak (meer) heeft op deze kortingen omdat hij samenwonend is.

5.10

Op grond van het vorenstaande stelt het hof het NBI van de man op een bedrag van

€ 2.160,-- per maand.

5.11

Het hof ziet geen aanleiding om aan te nemen dat de man naast voormeld inkomen andere inkomsten in de vorm van neveninkomsten/zwart geld tot zijn beschikking heeft, zoals de vrouw heeft gesteld. Daarbij overweegt het hof dat de vrouw haar stellingen op dit punt niet heeft onderbouwd.

De draagkracht

5.12

De draagkracht van de vrouw bedraagt volgens de formule ( 70% x (€ 1.755,-- - (0,3 x € 1.755,-- + € 850,-- )) afgerond € 265,-- per maand, nog te verhogen met het fiscaal voordeel ad € 41,-- per maand, derhalve in totaal € 306,-- per maand.

5.13

De draagkracht van de man is volgens de formule (70% x (€ 2.160,-- - (0,3 x € 2.160,-- + € 850,- )) afgerond € 463,- per maand.

5.14

Gelet op de nieuwe richtlijn van de Expertgroep Alimentatienormen komt het hof aan de beoordeling van de stellingen van de vrouw ten aanzien van haar woonlasten en die van de man niet toe. Ingevolge deze nieuw richtlijn is immers bij de berekening van de draagkracht reeds forfaitair rekening gehouden met de woonlast van de vrouw en de man. Het feit dat de vrouw in verhouding tot de man veel hogere woonlasten draagt, alsmede het feit dat de man een bedrag overhoudt nu zijn werkelijke woonlast lager is dan het forfaitaire bedrag, geeft geen aanleiding tot een correctie.

Het aandeel van partijen in de kosten van [kind]

5.15

In rechtsoverweging 5.1 heeft het hof reeds overwogen dat onderhoudsplichtigen in beginsel naar rato van hun draagkracht dienen te voorzien in de kosten van de kinderen. Aangezien de totale draagkracht van de man en de vrouw groter is dan de totale behoefte van [kind], zal het hof het aandeel van de vrouw in de kosten van [kind] bepalen aan de hand van een draagkrachtvergelijking.

5.16

De verdeling van de kosten over beide ouders wordt dan berekend volgens de formule: ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte, oftewel:

het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: € 306 / € 769 x € 610 = € 243,--

het eigen aandeel van de man bedraagt: € 463 / € 769 x € 610 = € 367,--

samen € 610,--

5.17

Derhalve komt van de totale behoefte van [kind] € 367,-- per maand voor rekening van de man en € 243,-- per maand voor rekening van de vrouw.

De zorgkorting

5.18

De vrouw maakt aanspraak op toepassing van een zorgkorting op de door haar eventueel verschuldigde kinderbijdrage.

Tussen partijen is niet in geschil dat de vrouw met ingang van 1 november 2013 gemiddeld twee dagen per week de zorg heeft voor [kind], zodat op basis van de richtlijn van de Werkgroep Alimentatienormen ten aanzien van de zorgkorting een percentage geldt van 25%. Nu het eigen aandeel van de ouders in de kosten € 610,-- per maand bedraagt, beloopt de zorgkorting een bedrag van € 152,50 per maand.

5.19

De eerder afgeleide bijdrage wordt verminderd met dit bedrag, zodat de vrouw als kinderbijdrage aan de man dient te betalen (€ 243,-- - € 152,50 =) € 90,50 per maand. Het hof zal dienovereenkomstig beslissen.

6 Aanhechten draagkrachtberekeningen

Het hof heeft berekeningen van NBI van de partijen gemaakt. Een gewaarmerkt exemplaar van deze berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

7. De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Leeuwarden van 17 oktober 2012, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de vrouw aan de man met ingang van 1 november 2013 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [kind], geboren [in 2009], € 90,50 per maand zal betalen, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G. Jonkman, M.P. den Hollander en H. van Lokven-van der Meer en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof op 24 september 2013 in bijzijn van de griffier.