Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:7033

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
19-09-2013
Datum publicatie
03-10-2013
Zaaknummer
CR 200.110.374-01 19-9-2013
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diverse alimentatieperikelen.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 157
Burgerlijk Wetboek Boek 1 392
Burgerlijk Wetboek Boek 1 404
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2014/7.11
JPF 2013/152
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 19 september 2013

Zaaknummer 200.110.374

HET GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Locatie Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

tevens optredende als gemachtigde van [kind 1],

advocaat mr. S.Y. Dijkstra, kantoorhoudende te Groningen,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellante in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M.R. Rauwerda, kantoorhoudende te Leeuwarden.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 25 april 2012 heeft de rechtbank Leeuwarden (zaaknummer 107664/ FA RK 10-1882) - voor zover hier van belang - de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de thans jong-meerderjarige [kind 1] (hierna: [kind 1]), geboren [in 1994] en de minderjarige [kind 2] (hierna: [kind 2]), geboren [in 1997], met ingang van de dag van ontbinding van het huwelijk van partijen bepaald op € 410,-- per kind per maand.

Voorts heeft de rechtbank bij deze beschikking de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van de dag van ontbinding van het huwelijk van partijen bepaald op € 3.212,-- per maand en met ingang van 1 januari 2014 op € 2.963,-- per maand.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 24 juli 2012, heeft de man verzocht de beschikking van 25 april 2012 te vernietigen en opnieuw beslissende, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] en [kind 2] met ingang van de dag van ontbinding van het huwelijk van partijen te bepalen op nihil;

II. de door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw met ingang van de dag van ontbinding van het huwelijk van partijen te bepalen op nihil;

III. te willen bepalen dat de vrouw gehouden is om hetgeen de man onverschuldigd aan partner- en kinderalimentatie heeft betaald aan de vrouw, aan de man terug te betalen, waarbij het hof de hoogte van het door de vrouw aan de man terug te betalen bedrag in goede justitie zal berekenen, althans op dit punt een beslissing zal nemen als het hof in goede justitie zal vermenen te behoren.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 11 september 2012, heeft de vrouw het verzoek bestreden en verzocht de man in zijn appel tegen de beschikking van de rechtbank Leeuwarden van 25 april 2012 niet ontvankelijk te verklaren, dan wel zijn grieven af te wijzen.

Tevens heeft de vrouw bij voormeld verweerschrift incidenteel beroep ingesteld en daarin verzocht de beschikking van 25 april 2012 te vernietigen en opnieuw beslissende de verzoeken van de vrouw alsnog toe te wijzen en te bepalen dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking met een bedrag van € 816,- per kind per maand dient bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, alsmede met een bedrag van € 4.000,-- per maand in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, alles bij vooruitbetaling te voldoen.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 12 november 2012, heeft de man het verzoek in het incidenteel beroep bestreden.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een brief van 24 juli 2012 van mr. Dijkstra met als bijlage het proces-verbaal d.d. 15 maart 2012 (productie 15), een brief van 17 september 2012 van [kind 1] en een brief van 24 januari 2013 van mr. Dijkstra met als bijlagen productie 28 tot en met 41.

Ter zitting van 4 februari 2013 is de zaak behandeld. Verschenen zijn de man bijgestaan door mr. Dijkstra en de vrouw, bijgestaan door mr. Rauwerda,

vergezeld van een stagiaire. Beide advocaten hebben ter zitting mede het woord gevoerd aan de hand van door hen overgelegde pleitnotities.

Ter zitting is vervolgens afgesproken dat partijen tot 20 maart 2013 de gelegenheid zal worden geboden om er zelf uit te komen. Daarbij hebben partijen vooralsnog afgezien van een tweede schriftelijke ronde, teneinde hun onderhandelingen meer kans van slagen te geven. Daarbij is bepaald dat partijen uiterlijk op voormelde datum moeten berichten of het hen is gelukt om tot overeenstemming te komen. Voorts is bepaald dat, zo dit niet het geval mocht zijn, er nog een schriftelijke ronde zal komen.

Mr. Dijkstra heeft het hof bij faxbericht van 19 februari 2013 bericht dat partijen geen vertrouwen hebben in voortzetting van het overleg en de uitkomst daarvan.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van een faxbericht van 6 maart 2013 van mr. Dijkstra en een faxbericht van mr. Rauwerda van 26 maart 2013, waarin partijen in het kader van een tweede schriftelijke ronde hun standpunten nader uiteenzetten.

De beoordeling

De processuele positie van [kind 1]

1.

is op [datum] jong-meerderjarig geworden. Vanaf die datum is de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage ter zake van de verzorging en opvoeding van [kind 1] op grond van artikel 1:395b BW van rechtswege omgezet in een bijdrage ter zake van haar levensonderhoud en studie.

2.

De vrouw is rechthebbende op de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] tot de dag waarop [kind 1] meerderjarig is geworden. De vrouw is bevoegd en blijft ook na het meerderjarig worden van [kind 1] bevoegd om over de tot bedoelde dag verschuldigde onderhoudsbijdrage te procederen.

3.

Vanaf de datum dat [kind 1] meerderjarig is geworden, is echter alleen zijzelf rechthebbende ten aanzien van de onderhoudsbijdrage (hier: de bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie) en dient zij zelf als jong-meerderjarige als procespartij op te treden. [kind 1] mag er in een procedure betreffende alimentatie voor kiezen om in hoger beroep niet op eigen naam op te treden maar één van de ouders daartoe te machtigen. Een dergelijke machtiging mag ook nog in de loop van de procedure worden verstrekt.

4.

Bij brief van 17 augustus 2012 heeft het hof [kind 1] als belanghebbende aangemerkt en haar in de gelegenheid gesteld om zich te stellen als procespartij dan wel aan één van de ouders een machtiging te verstrekken namens haar op te treden.

5.

Van [kind 1] is vervolgens geen verweerschrift ontvangen.

[kind 1] heeft bij brief van 17 september 2012, ter griffie van het hof binnengekomen op 21 september 2012, de man gemachtigd om namens haar in de onderhavige procedure te procederen. De vrouw heeft het bestaan van deze volmacht niet bestreden. Het hof gaat ervan uit dat [kind 1] geen verweer wenst te voeren tegen het door de man ingestelde hoger beroep tegen de beschikking van 25 april 2012. Hetgeen hierna als standpunt van de man wordt weergegeven geldt tevens als standpunt van [kind 1].

6.

Het hof zal voor wat betreft de periode tot 11 juni 2012 een beslissing geven omtrent de door de man aan de vrouw te betalen onderhoudsbijdrage ten behoeve van [kind 1] en met ingang van 11 juni 2012 een beslissing geven omtrent de door de man aan [kind 1] te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie.

De ingangsdatum

7.

De rechtbank heeft bij beschikking van 25 april 2012 de ingangsdatum van de door de man aan de vrouw te betalen kinder- en partneralimentatie bepaald op de dag van ontbinding van het huwelijk van partijen.

8.

Het huwelijk van partijen is ontbonden op 29 november 2011 door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking van 22 juni 2011 in de registers van de burgerlijke stand.

9.

Nu geen van partijen een grief heeft gericht tegen de door de rechtbank vastgestelde ingangsdatum, van 29 november 2011, zal ook het hof die ingangsdatum hanteren.

De geschilpunten

10.

De geschilpunten tussen partijen betreffen:

- de behoefte van de kinderen en van de vrouw;

- de draagkracht van de man en wel op de volgende punten:

- het inkomen;

- de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering;

- de aflossing en rente op de rekening-courant schuld;

- de ziektekosten;

- de bijdrage voor de meerderjarige [kind 3] van € 100,-- per maand.

De behoefte van de kinderen en van de vrouw

11.

Tussen partijen is niet in geschil dat bij het vaststellen van de behoefte van [kind 2] en [kind 1] voor de periode dat zij nog minderjarig was, de zogenaamde CBS-Nibud tabel betreffende "eigen kosten van kinderen" tot uitgangspunt moet worden genomen en dat de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw op basis van de zogenaamde 60% regel dient te worden bepaald. Volgens de man is de rechtbank echter bij het toepassen van deze tabel en de 60% regel uitgegaan van een te hoog netto gezinsinkomen en derhalve van een te hoge behoefte, terwijl de vrouw stelt dat de rechtbank is uitgegaan van een te laag netto gezinsinkomen en derhalve van een te lage behoefte.

* het gezinsinkomen

12.

Bij het vaststellen van het gezinsinkomen kan -als niet in geschil- worden uitgegaan van de volgende omstandigheden:

- de man is enig aandeelhouder van [bedrijf], welke vennootschap aan het hoofd staat van de [groep];

- in 2004 en in 2007 is respectievelijk € 50.159,-- en € 54.487,-- aan dividend uitgekeerd;

- partijen zijn in januari 2009 uit elkaar gegaan;

- het netto inkomen van de man ten tijde van het samenwonen van partijen bedroeg € 3.340,-- per maand;

- het netto inkomen van de vrouw ten tijde van het samenwonen van partijen bedroeg € 1.234,-- per maand;

- de huurinkomsten uit verhuur van kantoorruimte aan huis bedroeg € 260,-- per maand.

13.

De man stelt - kort gezegd - dat het netto gezinsinkomen gedurende de laatste jaren van het samenwonen van partijen maximaal bepaald kan worden op een bedrag van € 4.834,-- per maand, opgebouwd uit:

- inkomen uit arbeid man € 3.340,--;

- inkomen uit arbeid vrouw € 1.234,--;

- huurinkomsten € 260,--.

14.

De vrouw stelt - kort gezegd - dat bedoeld netto gezinsinkomen € 12.040,58 per maand bedroeg, Dit inkomen was volgens de vrouw als volgt opgebouwd.

- inkomen uit arbeid man € 3.340,--;

- inkomen uit arbeid vrouw € 1.234,--;

- huurinkomsten € 260,--;

- dividenduitkering € 4.540,58 (€ 54,487,-- netto uitkering : 12);

- voordelen in privé € 1.000,--;

- zwarte inkomsten uit India € 1.666,--.

Ten aanzien van de dividenduitkering

15.

De eerste vraag is of bij de vaststelling van het netto besteedbaar inkomen van het gezin rekening dient te worden gehouden met het uitgekeerde dividend van -in 2007- netto € 54.487,-- .

16.

De rechtbank heeft, nu de dividenduitkering eens per drie jaar heeft plaatsgevonden, het redelijk geacht om een derde deel van de netto dividenduitkering van 2007 toe te rekenen aan het netto besteedbaar inkomen van partijen ten tijde van hun uiteengaan.

17.

De man is het niet eens met de rechtbank op dit punt. Hij stelt daartoe dat gedurende de afgelopen 16 jaar slechts tweemaal een dividenduitkering heeft plaatsgevonden en dat beide dividenduitkeringen zijn aangewend voor verbouwingen van de woningen van partijen. Deze verbouwingen hebben geleid tot een waardevermeerdering van het betrokken onroerende goed, in welke waardevermeerdering de vrouw reeds mee deelt in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden van partijen. De man wijst erop dat de dividenduitkeringen nimmer van invloed zijn geweest op het dagelijkse bestedingspatroon van partijen. Voorts is er sinds 2007 ten gevolge van de economische crisis volgens de man geen enkele ruimte meer aanwezig of aanwezig geweest voor een dividenduitkering.

Subsidiair stelt de man zich op het standpunt dat de dividenduitkeringen moeten worden uitgestreken over de periode 1996 -toen de onderneming werd opgericht- tot en met 2012.

18.

In reactie op hetgeen de vrouw ter zake in haar incidenteel appel heeft aangevoerd (zie hierna) wijst de man erop dat er in 2002 geen dividenduitkering heeft plaatsgevonden maar dat toen € 30.000,-- is geleend van de B.V. Ter onderbouwing heeft hij de betreffende overeenkomst van geldlening overgelegd.

De dividenduitkering in 2004 is vervolgens aangewend voor de aflossing van de schuld in rekening-courant door omzetting van de schuld naar een vordering in rekening-courant. De dividenduitkering van 2004 heeft aldus nimmer onderdeel uitgemaakt van het besteedbaar inkomen, terwijl, zo stelt de man, het positieve saldo in rekening-courant is besteed aan de aankoop van de vakantiewoning in [plaats] in 2006. Ook de dividenduitkering van 2007 vormde geen besteedbaar inkomen voor partijen. Alle extra inkomsten werden volgens de man aangewend voor verbetering van de woning van partijen aan [adres] en de vakantiewoning te [plaats].

19.

De vrouw is daartegen van mening dat de gehele dividenduitkering van 2007 moet worden toegerekend aan 2008, het laatste jaar dat partijen hebben samengeleefd. Zij wijst er daarbij op dat de dividenduitkering op 27 december 2007 naar de privé rekening van de man is overgemaakt, terwijl er begin 2009 niets meer van dat geld over was, zodat het evident is dat de uitkering in 2008 is uitgegeven aan de kosten van de huishouding.

De vrouw betwist dat dividend is aangewend voor de aankoop of verbouwing van de woning in [plaats] en wijst erop dat zij deze woning op 19 mei 2006 in eigendom heeft verkregen. Verder wijst zij erop dat de verbouwing van de woning te [woonplaats] heeft plaatsgevonden in 2002 en is betaald vanuit de verhoging van de hypothecaire geldlening.

Er is, aldus de vrouw, geen aanleiding om de dividenduitkeringen over 2004 en 2007 uit te strijken over de periode vanaf oprichting, nu de man pas op 27 juli 2005 alle aandelen van de Holding Lunter Beheer B.V. heeft verkregen.

20.

De vrouw stelt zich voorts op het standpunt dat, ook indien het hof zou menen dat er dividend aangewend is voor de verbouwingen van de woningen, met de dividenduitkeringen rekening moet worden gehouden bij het bepalen van de behoefte, aangezien deze verbouwingen hebben geleid tot verhoging van het woongenot en aldus van invloed zijn geweest op de welstand van partijen.

Daarnaast betwist de vrouw dat er geen andere dividenduitkeringen zijn gedaan. Zij verwijst daarbij naar het jaar 2002 en verzoekt de man de jaarrekeningen van 1996 tot heden te overleggen.

21.

Als uitgangspunt geldt dat de behoefte van de gewezen echtgenote wordt gesteld op het bedrag dat nodig is om een staat te voeren die de onderhoudsgerechtigde in redelijkheid past, daarbij mede gelet op de welstand van partijen gedurende het huwelijk.

22.

Voor de bepaling van de hoogte van de behoefte van de vrouw dient het hof rekening te houden met alle relevante omstandigheden, waaronder zowel de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk als het uitgaven- en bestedingspatroon in diezelfde periode. De hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven geven immers een aanwijzing voor het niveau waarop de onderhoudsgerechtigde na de beëindiging van het huwelijk wat de kosten van levensonderhoud betreft in redelijkheid aanspraak kan maken. Ook (de mogelijkheid van) vermogensvorming dient in beginsel - afhankelijk van de omstandigheden - te worden betrokken bij de beoordeling van het welstandsniveau dat echtelieden hebben gehad. Daarbij gaat het dus niet alleen om consumptieve bestedingen. De welstand van partijen tijdens het huwelijk wordt mede bepaald door het gedeelte van het inkomen dat is gespaard, belegd of in duurzame goederen is geïnvesteerd.

23.

In deze zaak ziet het hof dan ook in het gegeven dat de dividenduitkeringen (zouden) zijn aangewend voor woningverbetering geen aanleiding te oordelen dat die uitkeringen bij de beoordeling van de welstand van partijen ten tijde van hun samenwonen buiten beschouwing dienen te worden gelaten.

24.

Gelet hierop en nu er, voor zover bekend, dividenduitkeringen waren in 2004 en 2007 ziet het hof reden om evenals de rechtbank een derde deel van de netto dividenduitkering van 2007 toe te rekenen aan het netto besteedbaar inkomen van partijen ten tijde van het uiteengaan. Daarbij betrekt het hof dat er ook gelet op de historie geen aanleiding is ervan uit te gaan dat vaker dan eens per drie jaar dividenduitkeringen hebben plaatsgevonden.

Ten aanzien van de voordelen uit onderneming

25.

Het tweede geschilpunt ten aanzien van het vast te stellen gezinsinkomen betreft de vraag in hoeverre partijen gedurende hun huwelijk op geld waardeerbare voordelen uit de onderneming van de man hebben genoten.

26.

De door de vrouw genoemde voordelen op dit punt betreffen:

- de kledingmonsters voor het gezin;

- de voordelige aanschaf auto voor de vrouw;

- apparatuur voor de vakantiewoning in [plaats];

- geen telefoonkosten en internetkosten;

- aanleg tuin en laminaatvloer in [plaats];

- witte werkster via de zaak;

- zakelijk betaalde vakanties, meestal gekoppeld aan een zakelijk bezoek in het buitenland.

27.

De man ontkent niet dat het gezin wel eens voordelen heeft genoten vanuit de onderneming, maar betwist dat deze incidentele voordelen kunnen worden gewaardeerd op een bedrag van € 1.000,-- per maand.

Hij wijst erop dat het gezin eens per jaar profiteerde van 10 tot 15 kledingmonsters met een waarde van circa € 265,94. Verder zijn in 2007 tegelijkertijd een privé auto en een zakelijke auto aangeschaft en is daarbij de prijs van de zakelijke auto verhoogd met € 3.000,--, teneinde in privé voordeel te hebben.

28.

De man betwist dat er via de zaak apparatuur voor de woning in [plaats] werd aangekocht. Er is alleen, zo stelt hij, ooit een televisie die gekocht was voor de zaak in verband met beurzen in de vakantiewoning terechtgekomen. Deze had een waarde van hoogstens € 300,-- en was meerdere malen gebruikt.

Deze voordelen uit de onderneming kunnen volgens de man niet op een structureel bedrag worden bepaald.

29.

De vrouw stelt dat alleen al het voordeel met betrekking tot de kinderkleding op

€ 500,-- per maand kan worden gesteld en dat het totale voordeel uit de onderneming veel hoger is geweest dan € 1.000,-- per maand. Het voordeel in verband met de aanschaf van de auto was volgens de vrouw hoger dan door de man wordt gesteld.

30.

Niet in geschil is dat er op geld waardeerbare voordelen uit de onderneming van de man zijn geweest, in ieder geval wat betreft de kleding. Verder heeft de man erkend dat er kleine incidentele uitgaven zakelijk zijn geboekt ten behoeve van privé. Gelet hierop en op het feit dat het een bedrijf aan huis was, heeft de rechtbank in goede justitie de voordelen uit de onderneming van de man geschat op € 1.000,-- per maand. Het hof ziet geen aanleiding daar anders over te denken nu dit bedrag niet onredelijk voorkomt. Daarbij neemt het hof mede in aanmerking dat onvoldoende duidelijkheid is gegeven over de hoogte van de privé bestedingen.

Ten aanzien van de door de vrouw gestelde zwarte inkomsten

31.

De vrouw wil om haar stelling te bewijzen dat sprake is van zwarte inkomsten de kinderen van partijen laten horen. Het hof is echter van oordeel dat de vrouw, gelet op de betwisting van de man ter zake, haar stelling onvoldoende heeft onderbouwd om haar toe te laten tot het door haar aangeboden bewijs. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om de kinderen te horen. Daarbij betrekt het hof dat de vrouw desgevraagd niet heeft kunnen aangeven wat [kind 1] en [kind 2], alsmede [kind 3], geboren [in 1990], (hierna: [kind 3]) uit eigen wetenschap/ waarneming op dit punt zouden kunnen verklaren. Afgezien daarvan ontkennen [kind 3], [kind 1] en [kind 2] in hun brief van 17 september 2012 (productie 29 van de zijde van de man) dat sprake is van zwarte inkomsten. Op grond van het voorgaande zal er niet van worden uitgegaan dat sprake is (geweest) van de door de vrouw gestelde zwarte inkomsten.

32.

Het bovenstaande betekent dat het hof, evenals de rechtbank, het netto gezinsinkomen tijdens het samenwonen van partijen stelt op € 7.349,-- per maand.

* De kosten/behoefte van de kinderen

33.

Uit het huwelijk van partijen zijn drie kinderen geboren, [kind 3], geboren [in 1990], [kind 1], geboren [in 1994] en [kind 2], geboren [in 1997].

34.

Gelet op de leeftijden van [kind 3], [kind 1] en [kind 2] in 2008 (die destijds nog allemaal thuis woonden) berekent het hof het aantal kinderbijslagpunten op 4. Uit voornoemd gezinsinkomen volgt dat de kosten van de kinderen op € 1.460,-- per maand gesteld kunnen worden. Dat is afgerond € 487,-- per kind per maand. In verband met co-ouderschap dient de behoefte te worden verhoogd met 16%, vanwege de dubbele woonlasten, zodat de behoefte van [kind 1] en [kind 2] in 2008

€ 564,50 per kind per maand bedraagt.

35.

De vrouw is van mening dat er aanleiding is om de bedragen uit de CBS-Nibud tabel betreffende "eigen kosten van kinderen" te extrapoleren, nu het gezinsinkomen bijna 2,5 keer zo hoog is als de laatste schaal in de tabel.

Zij stelt dat gelet hierop in redelijkheid de kosten van de kinderen op een bedrag van € 816,-- per kind per maand kunnen worden gesteld.

36.

Het hof vindt, anders dan de vrouw, in de enkele omstandigheid dat het voormalige gezinsinkomen de laatste schaal in de CBS-Nibud tabel ruimschoots overschrijdt, onvoldoende aanleiding om ook de behoefte van de kinderen evenredig hoger vast te stellen. Nu de vrouw verder geen andere argumenten heeft gegeven om af te wijken van genoemde tabel zal deze dan ook worden gevolgd.

37.

Geïndexeerd naar 2011 bedraagt de behoefte van [kind 2] en [kind 1] afgerond

€ 605,-- per kind per maand. Dit bedrag vormt daarmee de bovengrens van de per 29 november 2011 vast te stellen onderhoudsbijdragen voor [kind 2] en, voor de periode dat zij nog minderjarig was, [kind 1].

* de behoefte van [kind 1] vanaf 11 juni 2012

38.

[kind 1] is op 11 juni 2012 jongmeerderjarig geworden. Vaststaat dat [kind 1] vanaf 1 september 2010 fulltime een MBO-opleiding aan Friesland College volgt en thuiswonend is.

39.

Ter zitting van het hof is gebleken dat [kind 1] sedert ongeveer half januari 2013 niet meer voor 50% bij de vrouw verblijft, maar enkel nog bij de man. De stelling van de vrouw dat [kind 1] voor 50% bij man verblijft en voor 50% bij haar vriend laat het hof buiten beschouwing, als niet van belang voor de beoordeling. Overigens heeft de vrouw deze stelling ook niet onderbouwd. Niet in geschil is dat [kind 1] een basisbeurs voor een thuiswonend student ontvangt en recht heeft op een zorgtoeslag.

40.

Voorts is ter zitting gebleken dat [kind 1] sinds een half jaar een eigen bedrijf heeft, samen met haar vriend. Dit bedrijf houdt zich bezig met het bedrukken van kleding, met gebruikmaking van een machine die [kind 1] van de man heeft gekregen. De man heeft hierover gesteld dat [kind 1] en haar vriend per maand € 200,-- à € 300,-- aan omzet hebben. Het gaat hier volgens de man om een hobby die nog moet uitgroeien tot een bedrijf.

41.

De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat [kind 1] onder deze omstandigheden niet langer behoefte heeft aan een bijdrage van de man. De eigen inkomsten van [kind 1] dienen volgens de vrouw te worden afgetrokken van haar op grond van de WSF norm vastgestelde behoefte.

42.

De man betwist dit. Daarbij heeft hij zich op het standpunt gesteld dat indien zijn verzoek om nihilstelling niet wordt gevolgd, [kind 1] en [kind 2] in beginsel gelijk moeten worden behandeld, in die zin dat dan voor beiden een bijdrage moet worden vastgesteld.

43.

Met betrekking tot de behoefte van [kind 1] vanaf de datum dat zij jongmeerderjarig is geworden, overweegt het hof het volgende.

De Wet Studiefinanciering (WSF) geeft een student onafhankelijk van het inkomen van de ouders recht op een basisbeurs en een OV-studentenjaarkaart. Afhankelijk van het inkomen van de ouders kan een student bovendien aanspraak maken op een aanvullende beurs. Daarnaast kan ongeacht het inkomen van de ouders aanspraak worden gemaakt op een rentedragende lening welke, vanwege de terugbetalingsverplichting, niet als behoefteverlagend moet worden beschouwd.

44.

Hoewel voor de vaststelling van de behoefte van jong-meerderjarige, studerende kinderen met een uitkering in het kader van de WSF nog geen maatstaven zijn ontwikkeld, acht het hof het raadzaam om voor de behoeftebepaling van [kind 1] aansluiting te zoeken bij de WSF-norm voor studenten.

45.

Deze WSF-norm bedroeg voor het jaar 2012 € 550,83 per maand voor een thuiswonende student aan het middelbaar beroepsonderwijs. Blijkens de op de site van de Informatie Beheer Groep weergegeven informatie zijn in de WSF-normbedragen de volgende posten verdisconteerd: (een deel van) het levensonderhoud, de premie ZVW, de studiekosten (studieboeken e.d.) en onderwijsbijdrage (les- of collegegeld).

Gelet op het vorenstaande bepaalt het hof - in redelijkheid met ingang van de dag waarop [kind 1] meerderjarig is geworden - de behoefte van [kind 1] op € 550,83 per maand.

46.

Op deze behoefte brengt het hof in mindering de door [kind 1] (te) ontvangen studiefinanciering van € 75,39 per maand (basisbeurs) en een zorgtoeslag van € 69,-- per maand. Het hof ziet geen aanleiding om daarnaast ook nog een post ter zake van inkomsten uit de bedrijfsactiviteiten van [kind 1] in mindering te brengen. Daartoe overweegt het hof dat slechts de door de man genoemde omzet bekend is, maar niet de daarvoor gemaakte kosten. Gelet op de beperkte omzet is niet aannemelijk dat het bedrijf van [kind 1] en haar vriend winst van betekenis maakt, mede in aanmerking genomen dat [kind 1] naast haar bedrijfsactiviteiten een voltijds studie volgt. Afgezien daarvan zal zij eventuele winst moeten delen met haar vriend.

47.

Gelet op het voorgaande becijfert het hof de behoefte van [kind 1] aan een bijdrage van de man in de kosten van haar levensonderhoud en studie met ingang van 11 juni 2012 op afgerond € 406,-- per maand.

* de behoefte van de vrouw

48.

Tussen partijen is in geschil op welk bedrag de behoefte van de vrouw, mede gelet op de welstand tijdens het huwelijk, dient te worden gesteld en in hoeverre de vrouw door middel van eigen inkomsten in deze behoefte kan voorzien.

49.

Het hof stelt het volgende voorop. De hoogte van de behoefte van de vrouw is mede gerelateerd aan de welstand van partijen tijdens het huwelijk. Bij de bepaling van de hoogte van de behoefte dient rekening te worden gehouden met alle relevante omstandigheden. Dit betekent dat de rechter zowel in aanmerking zal moeten nemen wat de inkomsten tijdens de laatste jaren van het huwelijk zijn geweest als een globaal inzicht zal moeten hebben in het uitgavenpatroon in dezelfde periode om daaruit te kunnen afleiden in welke welstand partijen hebben geleefd. De hoogte en de aard van zowel de inkomsten als de uitgaven geven immers een aanwijzing voor het niveau waarop de onderhoudsgerechtigde na de beëindiging van het huwelijk wat de kosten van levensonderhoud betreft in redelijkheid aanspraak kan maken. Ook (de mogelijkheid van) vermogensvorming zal in beginsel - afhankelijk van de omstandigheden - bijdragen tot het oordeel dat echtelieden in een bepaalde welstand hebben geleefd. De behoefte zal daarnaast zo veel mogelijk aan de hand van concrete gegevens betreffende de reële of de met een zekere mate van waarschijnlijkheid te verwachten kosten van levensonderhoud door de rechter worden bepaald. In hoeverre de vaste lasten en de overige, globaal te schatten, uitgaven of reserveringen voor te verwachten lasten van de onderhoudsgerechtigde redelijk zijn, zal mede beoordeeld moeten worden naar de mate van welstand zoals deze door de rechter op vorenbedoelde wijze is vastgesteld.

50.

Nu, zoals de man ter zitting van het hof terecht heeft opgemerkt, de vrouw geen gespecificeerde behoefteberekening heeft overgelegd met een daarbij horende toelichting en onderbouwing, zal het hof bij het vaststellen van de behoefte van de vrouw gebruik maken van de zogenaamde 60% regel en daarbij uitgaan van het gezinsinkomen aan het einde van het huwelijk, zoals dit hiervoor in de rechtsoverwegingen 12 tot en met 32 is vastgesteld op € 7.349,-- netto per maand. Dit bedrag dient verminderd te worden met de kosten van de destijds nog thuiswonende kinderen van partijen van € 1.460,-- per maand, zodat € 5.889,-- netto per maand resteert, welk bedrag wordt geacht ter besteding van partijen te hebben gestaan.

51.

De behoefte van de vrouw kan dan ook naar het oordeel van het hof in redelijkheid worden gesteld op 60% van laatstgenoemd bedrag, derhalve afgerond op (€ 5.889 x 60% =) € 3.533.- netto per maand.

52.

De ter zitting in hoger beroep voor het eerst naar voren gebrachte stelling van de man dat bij gebrek aan een gespecificeerde behoefteberekening van de vrouw, de vrouw haar behoefte onvoldoende heeft onderbouwd, laat het hof buiten beschouwing. Het hof is namelijk van oordeel dat de vrouw ervan heeft kunnen en mogen uitgaan dat -evenals de vrouw- ook de man voornoemde 60% regel bepalend achtte voor de vaststelling van haar behoefte, gelet op het feit dat de uitvoerige discussie betreffende de behoefte van de vrouw zich enkel heeft toegespitst, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, op de hoogte van het gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk. Daargelaten de vraag of de in voormelde stelling besloten liggende grief van de man, gelet op het moment waarop deze is opgeworpen en op de tot dat moment door partijen reeds gevoerde discussie, in strijd moet worden geacht met de goede procesorde, overweegt het hof dat de man met hetgeen hij heeft gesteld niet heeft waar gemaakt dat de behoefte van de vrouw ruim onder die 60% norm ligt, terwijl dit door de vrouw is weersproken.

* de behoeftigheid van de vrouw

53.

Van belang is in hoeverre de vrouw in staat is, of moet worden geacht, om zelf door middel van inkomsten uit arbeid, uitkering of vermogen in voormelde behoefte te voorzien.

54.

De werkelijke of fictieve (dit is: in redelijkheid te verwerven) inkomsten van de onderhoudsgerechtigde verminderen de behoefte aan een bijdrage van de onderhoudsplichtige. Dit kan leiden tot een nihilstelling of vermindering van de alimentatie op grond van de omstandigheid dat de onderhoudsgerechtigde geheel
of gedeeltelijk in eigen levensonderhoud voorziet of kan voorzien.

55.

Vast staat dat de vrouw eigen inkomsten heeft, te weten huurinkomsten uit de vakantie woning in [plaats]. De rechtbank heeft in verband hiermee rekening gehouden met huurinkomsten ad € 500,-- per maand. Naast deze inkomsten heeft de rechtbank rekening gehouden met in redelijkheid door de vrouw met ingang van 1 januari 2014 te genereren inkomsten uit arbeid van € 650,-- (netto) per maand.

56.

De man stelt dat de inkomsten uit de verhuur van de vakantiewoning gemiddeld

€ 950,-- per maand kunnen bedragen, maar dat de vrouw ervoor kiest de woning te verhuren aan een kennis, voor een veel lager bedrag, hetgeen naar de mening van de man niet voor zijn rekening dient te komen. Verder is de vrouw volgens de man in staat om inkomsten uit arbeid te genereren, bijvoorbeeld door te werken in een kledingzaak of door administratief werk te doen. Zij spant zich hier echter, aldus de man, niet voor in.

57.

De vrouw wijst erop dat zij door te verhuren aan één huurder de huurinkomsten voor het hele jaar veilig stelt. Bovendien mag ze daarbij de woning blijven gebruiken voor vakanties met de kinderen. Verder stelt de vrouw dat het haar niet lukt om een betaalde baan te vinden. In dit verband wijst zij erop dat zij 57 jaar is en geen werkervaring en geen opleiding heeft. Ook heeft zij tijdens het huwelijk, dat ruim 21 jaar heeft geduurd, ondanks dat zij op de loonlijst stond van het bedrijf van de man geen betaalde werkzaamheden verricht. Het is dan ook volgens de vrouw niet realistisch om per 1 januari 2014 rekening te houden met een verdiencapaciteit van € 650,-- per maand.

58.

Een bedrag van € 500,-- per maand ter zake van huurinkomsten komt het hof niet onredelijk voor, nu het hier gaat om een, mede door de hoogte van de huur, zekere bron van inkomsten en voorts nu op deze huurinkomsten geen kosten in mindering worden gebracht (zoals bijvoorbeeld kosten van onderhoud en zakelijke lasten etc.).

59.

Het hof ziet geen aanleiding om de verdiencapaciteit van de vrouw per 1 januari 2014 te stellen op een lager bedrag dan € 650,-- per maand en zal dan ook op dit punt de rechtbank volgen. Daartoe overweegt het hof dat partijen op 1 januari 2014 reeds 5 jaar uit elkaar zijn en dat van de vrouw verwacht mag worden dat zij in die periode zodanige inspanningen heeft verricht dat zij deels in haar eigen onderhoud kan voorzien.

60.

Op grond van het bovenstaande dient de behoeftigheid van de vrouw aan een bijdrage van de zijde van de man voor de periode van 11 november 2011 tot en met 31 december 2013 te worden vastgesteld op ( € 3.533.-- minus € 500,-- = )

€ 3.033,-- netto per maand en met ingang van 1 januari 2014 op (€ 3.533,-- minus € 500,-- minus € 650,-- =) € 2.383,-- netto per maand. Voornoemde netto bedragen dienen nog verhoogd te worden met de door de vrouw verschuldigde belasting.

De draagkracht van de man

Het inkomen

61.

Het inkomen van de man bedraagt blijkens de jaaropgaaf 2011 € 67.337,--.

62.

De man stelt dat dit bedrag niet dient te worden vermeerderd met dividenduitkering, nu dit niet reëel is aangezien het slechter gaat met de onderneming. Verder betwist de man dat zijn inkomen behoort te worden vermeerderd met voordelen uit de onderneming, aangezien hij niet langer zonder risico bedragen aan de onderneming kan onttrekken. Hiervoor is, aldus de man, gelet op de negatieve cijfers ook geen ruimte. Voorts stelt de man dat er geen aanleiding is zijn inkomen te vermeerderen met het salaris dat de vrouw, zonder dat zij werkzaamheden verrichtte, voorheen ontving van € 1.419,-- bruto per maand, aangezien hij na de beëindiging van het dienstverband van de vrouw drie nieuwe medewerkers heeft aangenomen.

63.

De vrouw betwist dat het slechter gaat met de onderneming en zij wijst erop dat in 2011 het nachtmodemerk Robson is overgenomen, terwijl het verliesgevende merk Simply Colors is afgestoten en er een verkooppunt is gesloten. Daarbij wijst zij erop dat bewijsstukken op dit punt ontbreken. Verder is de vrouw anders dan de man van mening dat het inkomen van de man dient te worden verhoogd met het inkomen waarvoor zij voorheen op de loonlijst was gezet, nu dit indertijd enkel is gedaan om fiscaal gunstig in privé een hoger inkomen te genereren.

64.

Het hof ziet geen aanleiding om bij het inkomen volgens de jaaropgaaf 2011 ad

€ 67.337,-- dividend op te tellen, nu er mede gelet op het beperkte aantal dividenduitkeringen in het verleden onvoldoende aanwijzingen zijn dat er nu of in de nabije toekomst ruimte zal zijn voor het doen van dividenduitkeringen.

65.

Dat op dit moment nog sprake is van andere voordelen in privé dan de voordelen in verband met kleding voor de kinderen is niet gesteld of aannemelijk gemaakt. Dienaangaande overweegt het hof dat het thans - anders dan bij de behoeftebepaling - niet redelijk is om de resterende voordelen in privé (de kleding voor de kinderen) mee te nemen bij de bepaling van het inkomen van de man. Daarbij overweegt het hof dat de man met kleding feitelijk voor een deel in natura voorziet in de behoefte van de kinderen. Deze omstandigheid maakt dat het niet juist is om bij de bepaling van de draagkracht van de man, waarbij het gaat om de geldelijke bijdrage die hij voor de kinderen kan betalen, zijn inkomen te verhogen met hetgeen hij in natura verstrekt.

66.

Evenmin zal het hof rekening houden met zwarte inkomsten, nu, zoals reeds overwogen, het bestaan daarvan niet aannemelijk is gemaakt.

67.

Het door de vrouw ten tijde van het huwelijk genoten salaris ad € 1.419,-- per maand is feitelijk steeds een inkomensbestanddeel van de man geweest. Gelet hierop zal het hof het inkomen van de man daarmee verhogen. Dit is, inclusief vakantietoeslag, € 18.390,-- per jaar.

68.

Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat voor de berekening van de draagkracht van de man het inkomen moet worden gesteld op een bedrag van (€ 67.337,-- plus € 18.390,-- =) € 85.727,-- per jaar.

Het verzoek tot het gelasten van een deskundigenonderzoek

69.

De door de man overgelegde jaarstukken geven het hof geen aanleiding om een deskundigenonderzoek te gelasten, zoals de vrouw wil. Daarbij zij overwogen dat de vrouw niet aannemelijk heeft gemaakt dat onjuiste gegevens in de jaarrekeningen zijn opgenomen. De brief d.d. 12 juli 2010 van de voormalige accountant van de vrouw, de heer [accountant], waarnaar de vrouw in deze heeft verwezen, is daartoe onvoldoende, mede gelet op het feit dat de daarin gemaakte aantekeningen door de heer [accountant] voornamelijk zijn gemaakt in het kader van verdeling.

70.

Verder gaat de stelling van de vrouw dat de jaarrekeningen een accountantscontrole zouden moeten ondergaan niet op, nu voor een onderneming als die van de man een accountantscontrole niet verplicht is.

De door de man opgevoerde premie arbeidsongeschiktheidsverzekering ad

€ 316,58

71.

De vrouw betwist de stelling van de man dat hij deze premie in privé voldoet en stelt dat bedoelde premie nog steeds door de onderneming van de man wordt betaald.

72.

Nu de man, anders dan op zijn weg had gelegen, in het geheel niet heeft uitgelegd waarom hij met ingang van 2011 de premie arbeidsongeschiktheidsverzekering in privé moet voldoen, gaat het hof er mede gelet op de betwisting van de vrouw van uit dat bedoelde premie evenals voorheen kan worden betaald door de onderneming van de man. De premie arbeidsongeschiktheidsverzekering zal dan ook niet worden meegenomen in de draagkrachtberekening, ook al wordt deze post, zo blijkt uit de stukken, per 2011 in privé afgeboekt op de rekening-courant.

De aflossing op de rekening-courant van € 1.250,-- per maand en rente last van

€ 428,- per maand

73.

De man stelt dat de rekening-courantschuld in hoofdzaak verband houdt met de aankoop van de vakantiewoning te [plaats]. Hij wijst erop dat hij op dit moment niets aflost op de schuld omdat hij daarvoor de middelen niet heeft. Naar de mening van de man zou in ieder geval rekening moeten worden gehouden met de rentelast van € 428,-- per maand.

74.

De vrouw stelt dat de onderhoudsverplichting van de man jegens haar en de kinderen boven de verplichtingen gaat die de man heeft in verband met de rekening-courantschuld. Daarnaast stelt de vrouw dat bedoelde schuld door toedoen van de man is gegroeid. De vrouw wijst erop dat de vakantiewoning te [plaats] -als cadeau aan de vrouw- is gekocht met spaartegoed van partijen en met de erfenis van haar vader. Dat de man geen middelen heeft om de rekening-courantschuld af te lossen wordt door de vrouw betwist.

75.

De man heeft (als bijlage 27 en 36 ) een overzicht rekening-courant verhouding over de jaren 2007 tot en met 2012 in het geding gebracht, waaruit blijkt waaraan de toename van de rekening-courant is besteed.

Het hof zal, mede gelet op de aard van de opnamen in 2011 en 2012 die hebben geleid tot de toename van de rekening-courantschuld (waaronder voornoemde premie arbeidsongeschiktheidsverzekering, alimentatiekosten en advieskosten), geen rekening houden met de door de man opgevoerde aflossing van € 1.250,-- per maand op deze rekening-courant. Nu echter uit genoemd overzicht blijkt dat partijen ten tijde van hun huwelijk ook al rente betaalden/verrekenden in rekening-courant, zal het hof wel rekening houden met de opgevoerde rente van

€ 428,-- per maand, mede nu in zoverre geen bezwaar is gemaakt tegen het opgevoerde bedrag.

Ziektekosten

76.

Het hof zal uitgaan van de ziektekosten van de man, zoals die blijken uit het overgelegde polisblad van Univé verzekeringen d.d. 13 juli 2012. Deze bedragen in totaal € 165,32 per maand.

De door de man tevens opgevoerde ziektekosten ten behoeve van [kind 1] laat het hof buiten beschouwing, nu deze reeds zijn opgenomen in haar behoefteberekening. Daarbij overweegt het hof dat [kind 1] en [kind 3] vanaf hun 18de zelf hun ziektekosten moeten voldoen en dat, nu de man ervoor kiest om deze kosten te betalen, dit meebrengt dat de man die ziektekosten uit zijn eigen ruimte dient te voldoen.

De bijdrage voor de meerderjarige [kind 3] van € 100,-- per maand

77.

Ondanks het feit dat [kind 3] reeds meerderjarig is zal het hof, anders dan de vrouw wenst, rekening houden met de door de man aan [kind 3] betaalde bijdrage van

€ 100,-- per maand, aangezien partijen zich ertoe hebben verbonden, gelet op de inhoud van het ouderschapsplan, voor zover hier van belang, om ieder aan een kind van 21 jaar of ouder een (studie) bijdrage te betalen, zolang het kind met redelijke resultaten en in overleg met hen/hem/haar met een beroepsopleiding bezig is of studeert. Daarbij overweegt het hof dat niet in geschil is dat [kind 3] nog studeert. Verder ziet het hof geen aanleiding om bij zijn beoordeling op dit punt rekening te houden met de eigen inkomsten van [kind 3], gelet op de geringe hoogte daarvan, van € 50,-- per week.

Vaststelling van de alimentatie

78.

Rekening houdend met bovenstaande gegevens en voorts uitgaande van de overige niet betwiste gegevens, waaronder die in de beschikking waarvan beroep, wordt de draagkracht van de man berekend zoals weergegeven in de aangehechte en door de griffier gewaarmerkte draagkrachtberekening.

Voor zover partijen in de overgelegde draagkrachtberekeningen posten hebben opgenomen die afwijken van de in de bestreden beschikking opgenomen berekening, zal het hof daarmee geen rekening houden nu ter zake geen grieven zijn opgeworpen noch enige toelichting is verschaft.

Daarbij zij opgemerkt dat het hof, net als de rechtbank, de co-ouderschapnorm heeft toegepast en rekening heeft gehouden met alle heffingskortingen waar de man aanspraak op kan maken.

Anders dan de rechtbank zal het hof echter in de berekening geen rekening houden met het eigen woning forfait en het forfait overige eigenaarslasten betreffende de voormalige echtelijk woning, nu partijen ter zitting van het hof eensluidend hebben verklaard dat de man enkel de hypotheekrente en de premie levensverzekering betaalt en dat de vrouw de belasting voldoet en alle zakelijke lasten voor haar rekening neemt. Het hof gaat er daarbij van uit dat de man, die de woning in 2009 heeft verlaten, ten aanzien van de door hem betaalde hypotheekrente thans geen aanspraak meer kan maken op fiscaal voordeel, zodat in de draagkrachtberekening van de man niet is gerekend met dit voordeel.

79.

De door het hof in rechtsoverweging 37 vastgestelde behoefte van [kind 2] en [kind 1] (voor de periode dat zij nog minderjarig was), bedraagt € 605,-- per kind per maand.

Het hof stelt voorop dat partijen niet hebben gegriefd tegen de wijze waarop de rechtbank de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] en [kind 1] (voor de periode dat zij nog minderjarig was) bij de vrouw heeft gesteld op de behoefte minus wat de man zelf al voldoet aan de kinderen als ze bij hem verblijven.

80.

Het hof zal ook hierom de door de rechtbank gehanteerde methode volgen en zodoende op de hiervoor vastgestelde behoefte van [kind 2] en [kind 1] (voor de periode dat zij nog minderjarig was) van € 605,-- per kind per maand in mindering brengen het eigen aandeel van de man in de extra kosten van wonen van de kinderen van afgerond € 97,-- (16% van € 605,--) per kind per maand en de kosten van eten en drinken van de minderjarigen bij de man zoals deze door de rechtbank zijn becijferd op € 100,-- per kind per maand.

81.

Dit leidt tot de conclusie dat de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] en [kind 1] (voor de periode dat zij nog minderjarig was) bij de vrouw moeten worden gesteld op een bedrag van € 408,-- per kind per maand, welk bedrag de man aan de vrouw dient te voldoen.

82.

Zoals reeds overwogen in rechtsoverweging 47 bedraagt de behoefte van [kind 1] met ingang van 11 juni 2012 (aan een bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie) € 406,-- per maand. Deze bijdrage dient de man aan [kind 1] te voldoen.

83.

Het hof is van oordeel dat uit de draagkrachtberekening blijkt, rekening houdend met het fiscaal voordeel dat de man kan ontvangen over de bijdrage ten behoeve van [kind 2] en [kind 1], dat de man voldoende draagkracht heeft om voormelde, ten behoeve van [kind 2] en [kind 1] vastgestelde bijdragen volledig te voldoen.

84.

Het hof is verder van oordeel, rekening houdend met voormelde door de man te betalen bijdragen ten behoeve van de kinderen, dat de man onvoldoende draagkracht heeft om een bijdrage ten behoeve van de vrouw te voldoen.

De terugbetaling van eventueel te veel ontvangen alimentatie

85.

De man heeft verzocht om de vrouw te veroordelen tot terugbetaling van teveel betaalde alimentatie, terwijl de vrouw juist heeft verzocht om -bij vaststelling van een lagere alimentatiebijdrage dan de door de rechtbank bepaalde alimentatiebijdrage- een latere ingangsdatum vast te stellen.

86.

Het hof overweegt dat niet in geschil is dat de man geen (, althans in belangrijke mate geen) gevolg heeft gegeven aan de hem opgelegde alimentatieverplichting, zoals neergelegd in de beschikking waarvan beroep. Gelet hierop heeft de man onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij op grond van de thans te geven uitspraak teveel alimentatie heeft betaald. Toewijzing van zijn verzoek acht het hof dan ook reeds hierom niet gerechtvaardigd. Voor toewijzing van het verzoek van de vrouw ziet het hof evenmin aanleiding, nu zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij meer heeft ontvangen dan waarop zij krachtens de thans te geven uitspraak recht had, noch dat zij bij terugbetaling van dit mogelijk teveel ontvangene in financiële problemen zou komen.

Conclusie

87.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat de man met ingang van 29 november 2011 als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 2] aan de vrouw een bedrag van € 408,-- per maand dient te betalen. Verder dient hij tot 11 juni 2012 aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [kind 1] een bedrag van € 408,-- per maand te betalen en met ingang van die datum aan [kind 1], als bijdrage in de kosten van levensonderhoud en studie, een bedrag van € 406,-- per maand.

Het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie wordt bij gebrek aan een draagkracht bij de man, afgewezen.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van 25 april 2012 (zaaknummer 107664/ FA RK 10-1882), voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

en opnieuw beslissende:
bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [kind 2], geboren [in 1997], met ingang van 29 november 2011 op € 408,-- per maand;

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de thans jong-meerderjarige [kind 1], geboren [in 1994], voor de periode van 29 november 2011tot 11 juni 2012 op € 408,--per maand;

bepaalt de door de man aan [kind 1] te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud en studie met ingang van 11 juni 2012 op € 406,-- per maand;

bepaalt dat deze bijdragen, voor zover de termijnen niet zijn verstreken, telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw en [kind 1] dienen te worden voldaan;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af hetgeen meer of anders is verzocht, waaronder het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een partneralimentatie.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.M. van der Meer, I.A. Vermeulen

en J.P. Evenhuis en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van

19 september 2013 in het bijzijn van de griffier.