Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:6992

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-09-2013
Datum publicatie
26-09-2013
Zaaknummer
CR 200.112.277-01 10-9-2013
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hof maakt vier draagkrachtberekeningen. Onder rechtsoverwegingen 5.33 en 5.34 worden de normen vanaf 1 april 2013 toegepast.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RFR 2014/6
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.112.277/01 (alimentatie)

(zaaknummers rechtbank 184778 FL RK 11-1569 en 192604 FL RK 11-4461)

beschikking van de familiekamer van 10 september 2013

inzake

[verzoekster],

wonende te [woonplaats 2],

verzoekster in hoger beroep,

verder te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. E.R. van Schaik, kantoorhoudend te [woonplaats 2],

tegen

[verweerder] ,

voorheen wonende te [woonplaats 1],

thans wonende te [plaats],

verder te noemen: de man,

verweerder in hoger beroep,

advocaat: mr. A.W. van Wulfften Palthe, kantoorhoudend te Hilversum.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zwolle-[woonplaats 2], locatie [woonplaats 2], van 31 mei 2012, uitgesproken onder voormelde zaaknummers.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het beroepschrift van de vrouw, ingekomen op 29 augustus 2012;

- het verweerschrift van de man, ingekomen op 15 januari 2013;

- een brief van mr. Van Schaik van 7 januari 2013 met bijlagen, ingekomen op 9 januari 2013;

- een journaalbericht van mr. Van Schaik van 17 april 2013 met bijlagen, ingekomen op 18 april 2013;

- een journaalbericht van mr. Van Wulfften Palthe van 22 april 2013 met bijlagen, ingekomen op 22 april 2013;

- een brief van mr. Van Schaik van 26 april 2013 met bijlagen, ingekomen op 1 mei 2013;

- een proces-verbaal van dit hof van een comparitie van partijen op 2 mei 2013;

- de beschikking van dit hof van 13 juni 2013, inhoudende de overeenstemming van partijen over de boedelverdeling;

- een journaalbericht namens mr. Van Wulfften Palthe van 20 juni 2013 met bijlagen, ingekomen op 21 juni 2013.

2.2

De mondelinge behandeling heeft op 1 juli 2013 plaatsgevonden. Partijen zijn verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.3

Gelet op artikel CIII van de Wet herziening gerechtelijke kaart (Staatsblad 2012, 313) wordt in deze voor 1 januari 2013 aanhangig gemaakte zaak uitspraak gedaan door het hof Arnhem-Leeuwarden, locatie Leeuwarden.

3 De vaststaande feiten

3.1

De man en de vrouw zijn de ouders van:

[kind 1] (hierna: [kind 1]), geboren [in 1997],

[kind 2] (hierna: [kind 2]), geboren [in 1999], en

[kind 3] (hierna: [kind 3]), geboren [in 1999],

over wie partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen.

3.2

Bij beschikking van 6 december 2011 heeft voornoemde rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Het huwelijk van de man en de vrouw is op 15 februari 2012 ontbonden door echtscheiding.

3.3

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 30 maart 2011 is onder andere bepaald dat de man voor de duur van de scheidingsprocedure een kinderalimentatie dient te betalen van € 455,- per kind per maand en is de partneralimentatie bepaald op nihil.

3.4

Partijen hebben bij gelegenheid van de voormelde comparitie overeenstemming bereikt omtrent de boedelverdeling. Die overeenstemming is vastgelegd in de beschikking van dit hof van 13 juni 2013.

4 De omvang van het geschil

4.1

Tussen partijen is enkel nog in geschil de bijdrage van de man in de kosten verzorging en opvoeding van de kinderen en in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. De rechtbank heeft in de bestreden beschikking van 31 mei 2012 - voor zover hier van belang - de kinderalimentatie met ingang van de datum van inschrijving van deze beschikking (naar het hof begrijpt: de echtscheidingsbeschikking) in de registers van de burgerlijke stand - te weten 15 februari 2012 - vastgesteld op € 352,- per kind per maand en het verzoek om vaststelling van een partneralimentatie afgewezen.

4.2

De vrouw is in hoger beroep gekomen tegen - voor zover hier van belang - de alimentaties en heeft verzocht in zoverre de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende de bijdrage van de man in de kosten van opvoeding en verzorging van de kinderen te bepalen op € 490,- per kind per maand, dan wel een bedrag dat het hof juist acht, en de bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw te bepalen op € 915,- (netto) per maand.

4.3

De man heeft verweer gevoerd en verzocht voornoemde verzoeken van de vrouw af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

5 De motivering van de beslissing

De behoefte van de kinderen

5.1

De vrouw is het eens met de door de rechtbank vastgestelde behoefte van de kinderen van € 490,- per kind per maand. De man heeft die behoefte in eerste aanleg ook genoemd en in hoger niet bestreden. Het hof zal daarom ook van deze behoefte van de kinderen uitgaan.

De draagkracht van de man

* Het inkomen

5.2

Partijen verschillen van mening over in de draagkrachtberekening te betrekken inkomen van de man.

5.3

Niet in geschil is dat de man sinds 1 juli 2011 als freelancer voor een detacheringsbedrijf (OneStopSourcing) werkt in zijn eenmanszaak "Eene". Via voornoemd detacheringsbedrijf heeft hij tegen een vastgesteld uurtarief steeds gewerkt voor Alphabet Nederland B.V.. Voor 1 juli 2011 was de man in loondienst werkzaam bij Concept Sales B.V.. Hij is daar per 1 juli 2011 ontslagen omdat hij naast zijn reguliere werk probeerde bij te verdienen, aldus de man.

5.4

De vrouw stelt in haar appelschrift dat niet uitgegaan moet worden van een inkomen van de man van € 86.064,- per jaar zoals de rechtbank heeft gedaan, maar van € 99.594,- per jaar, zoals vermeld is op de voorschotbeschikking van de belastingdienst inzake het kindgebonden budget in 2012. De man wijst er op dat de beschikking van de belastingdienst een voorschot betreft. Het hof neemt in aanmerking dat het een voorlopige inschatting van het inkomen van de man over 2012 betreft en geen definitieve beschikking over dat jaar. Het hof zal daarom aan het in die voorschotbeschikking genoemde inkomen geen doorslaggevende betekenis toekennen.

5.5

Ter zitting van het hof heeft de vrouw de winst en het loon van de man in 2011 gesteld op in totaal € 117.125,- en in 2012 de winst op € 210.495,-. Volgens de man in zijn verweerschrift bedraagt zijn winst € 77.000,-.

5.6

Als uitgangspunt geldt dat de winst uit onderneming wordt vastgesteld door middeling van de winsten over de laatste drie jaren van de onderneming. Hiervan kan onder meer worden afgeweken wanneer een van deze jaren niet representatief is ten gevolge van oorzaken die buiten de normale bedrijfslijn liggen.

5.7

De man is vanaf 1 juli 2011 volledig werkzaam in zijn onderneming totdat hij per 1 februari 2013 fulltime in dienst is getreden bij Henosis. De vrouw wijst er evenwel op dat de man voor dezelfde opdrachtgever is blijven werken nadat hij bij Henosis in dienst is getreden. Zij trekt in twijfel dat de man hetzelfde werk doet voor een lagere beloning. Ze twijfelt ook aan de juistheid van de loonstrook van Henosis, mede omdat daarin geen inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet is opgenomen en omdat de stukken van Henosis een ander logo tonen dan het logo op hun website.

De man ontkent niet dat hij feitelijk voor dezelfde opdrachtgever (Alphabet Nederland B.V.) is blijven werken, maar brengt daar terecht en onbestreden tegen in dat hij steeds maar één opdrachtgever heeft gehad en dat de belastingdienst hem waarschijnlijk niet langer als een zelfstandige zal aanmerken (met alle kosten van dien) als zijn werkzaamheden bij dezelfde opdrachtgever steeds worden verlengd en blijven voortduren, zonder dat er nieuwe opdrachtgevers bijkomen. De man voegt daaraan toe dat het hem binnen zijn eenmanszaak niet is gelukt nieuwe opdrachtgevers te vinden en dat het contract met Alphabet Nederland B.V. per 31 december 2012 zou stoppen maar uiteindelijk nog eenmaal met een jaar is verlengd, zodat het voortbestaan van zijn eenmanszaak onzeker was waardoor de man stress ervoer. Een vaste baan, waarbij hij thans nog voor dezelfde opdrachtgever werkt maar nu voor zijn werkgever, biedt hem meer (financiële) zekerheid en rust.

De twijfel van de vrouw over het aangaan van een arbeidsovereenkomst van de man met Henosis deelt het hof niet. Anders dan de vrouw meent, wordt de inkomensafhankelijke bijdrage zorgverzekeringswet vanaf 1 januari 2013 niet meer door de werkgever op het loon ingehouden en wordt er door de werknemer dus ook geen vergoeding meer ontvangen voor deze bijdrage, zodat hier op de loonstrook terecht geen melding meer van wordt gemaakt. Daarnaast is het hof niet gebleken dat het logo op de stukken van Henosis niet zou kloppen, vermeldt de overeenkomst tussen de man en Henosis dat het een arbeidsovereenkomst betreft en maakt het enkele feit dat niet iedere pagina geparafeerd is, de overigens wel ondertekende arbeidsovereenkomst niet ongeloofwaardig.

5.8

Gelet op de voornoemde korte periode dat de man als zelfstandige in zijn onderneming heeft gewerkt en de overwegingen van de man die ten grondslag hebben gelegen aan de keuze van hem om opnieuw in loondienst te treden, welke keuze het hof onder de door de man aangevoerde en door de vrouw onvoldoende weersproken omstandigheden gerechtvaardigd voorkomt, zal het hof voor het bepalen van het inkomen van de man niet uitgaan van de bedrijfsresultaten van 'Eene'. Het hof zal daarentegen, gelet op het gestelde onder 5.3, 5.9 en hetgeen de vrouw heeft opgemerkt over de hoogte van het loon van de man bij Henosis, uitgaan van het inkomen dat de man in redelijkheid kan, dan wel heeft kunnen verwerven.

5.9

Het hof is van oordeel dat de man in redelijkheid in staat moet worden geacht om het inkomen te verdienen dat hij bij zijn vorige werkgever verdiende, te weten het brutoloon van € 5.900,- per maand (exclusief de bijtelling voor privégebruik van de auto) vermeerderd met de bonussen zoals hij die over 2009 en 2010 heeft ontvangen. Uit de salarisspecificatie van 10 februari 2010 maakt het hof op dat de man over 2009 een bonus heeft ontvangen van € 12.000,-. Uit een brief van 8 maart 2011 blijkt dat de man over 2010 een bonus heeft ontvangen van € 9.600,-. Het hof zal daarom uitgaan van een gemiddelde bonus van € 10.800,- per jaar. Niet gebleken is dat de man dat inkomen niet weer zou kunnen verdienen. Dat de arbeidsovereenkomst en de loonstroken van Henosis aangeven dat de man thans een bruto-inkomen van € 5.100,- per maand verdient, doet niets af aan de hiervoor genoemde verdiencapaciteit van de man. Ook al is de hoogte van de winst tussen partijen in geschil, zij zijn het er over eens dat de man in zijn onderneming overigens ook meer dan dat heeft verdiend. Voorts neemt het hof in aanmerking dat de man ook niet heeft aangetoond dat hij in het geheel geen inkomen meer heeft uit zijn onderneming.

5.10

Nu het hof uitgaat van voornoemde verdiencapaciteit, behoeft de exacte hoogte van de bedrijfsresultaten in 2011 en 2012 en de vraag naar de betrouwbaarheid van de jaarstukken geen bespreking meer.

* De woonlasten

5.11

Niet in geschil is dat partijen in augustus 2009 een woning hebben gekocht in [woonplaats 1] aan [adres] terwijl hun woning in [woonplaats 2] nog niet verkocht was. De woning in [woonplaats 2] is in september 2011 verkocht met een restschuld van € 40.872,-. Partijen zijn op 2 mei 2013 overeengekomen dat de man die schuld voor zijn rekening neemt en dat die is omgezet in een schuld aan de vader van de man.

De woning aan [adres] in [woonplaats 1], waar de man vanaf juli 2010 is gaan wonen, is op 11 april 2012 verkocht. Ter zitting van 2 mei 2013 zijn partijen overeengekomen dat de restschuld van deze woning € 24.818,- bedraagt, dat de man die schuld eveneens voor zijn rekening neemt en ten slotte dat zowel de rente als de aflossing van beide restschulden in de draagkrachtberekening van de man worden betrokken. De restschuld van de woning aan [adres] is meegenomen in de hypotheeklening van de man op de woning aan [adres] te [woonplaats 1] bij de ING, te weten leningdeel 2.1. De woning aan [adres] heeft de man op 11 april 2012 verworven. Anders dan de vrouw ter zitting heeft gesteld, blijkt uit de stukken niet dat de restschulden zowel omgezet zijn in een lening bij de vader als beiden meegefinancierd zijn in de hypotheek bij de ING en dat er sprake is van een dubbel meenemen van de kosten van de restschulden in de draagkrachtberekening. Overeenkomstig de afspraken van partijen zal het hof de kosten van de restschulden meenemen in de draagkrachtberekening van de man. De stelling van de vrouw ter zitting van het hof op 1 juli 2013 dat de man zijn schulden (deels) had kunnen aflossen met behulp van de winst uit onderneming in 2012 brengt niet mee dat het hof de op 2 mei 2013 gemaakte afspraken tussen partijen op dit punt ter zijde kan leggen.

5.12

De hoogte van de kosten van de lening van de vader van de man betreffende de restschuld van de woning in [woonplaats 2] zal het hof later in deze beschikking behandelen bij "De schulden aan de vader".

5.13

Wat betreft de woning aan [adres], heeft de vrouw in haar hoger beroepschrift aangevoerd dat die woning - anders dan ten tijde van de mondelinge behandeling bij de rechtbank - is verkocht en daarom uitgegaan moet worden van een lagere hypotheek dan de rechtbank heeft gedaan. Zij stelt het lagere bedrag dat de man als last in mindering kan brengen op € 1.263,- per maand, zijnde het bedrag dat de man in eerste aanleg ter zitting heeft geschat.

5.14

De man heeft in zijn draagkrachtberekening van 14 januari 2013 aangegeven dat hij een hypotheekrente betaalt van afgerond € 1.145,- per maand. De offerte van de hypotheek van de woning aan [adres] vermeldt de door de man genoemde rentes van € 499,75 per maand, € 143,56 per maand en € 502,17 per maand. Dat is weliswaar zoals de man terecht aangegeven heeft, samen afgerond € 1.145,- per maand, maar de rente van € 143,65 per maand die de man betaalt over zijn restschuld is evenwel niet aftrekbaar voor de inkomstenbelasting. Het hof zal dit bedrag daarom als niet aftrekbare hypotheekrente meenemen. Een restschuld voor een eigen woning, is namelijk slechts aftrekbaar indien de woning is verkocht na 28 oktober 2012. Aan die voorwaarde is in casu niet voldaan.

De offerte vermeldt daarnaast dat een inleg oftewel aflossing vereist wordt van € 235,55 per maand (behorend bij de hypotheeklening van € 130.370,-) en van € 276,08 per maand (behorend bij voornoemde restschuld). Dat is tezamen € 511,63 per maand.

Uit ingebrachte bankafschriften blijkt dat de man zijn hypotheek betaalt. Het hof zal daarom genoemde hypotheekrentes en aflossingen meenemen in de periode tot 1 januari 2013, de datum dat de man zijn woning aan [adres] is gaan verhuren. Het hof zal overigens om redenen van doelmatigheid geen afzonderlijke draagkrachtberekening maken voor de periode van 15 februari 2012 tot 11 april 2012 maar aansluiten bij de woonlasten zoals de man die vanaf 11 april 2012 heeft gehad.

5.15

De man heeft in zijn verweerschrift in verband met het eigenwoningforfait een WOZ-waarde van € 242.000,- aangevoerd. Nu de WOZ-waarde overeenstemt met de WOZ-beschikking over 2012 inzake de woning aan [adres] zal het hof in dat jaar met die waarde rekening houden.

5.16

De vrouw wijst er in haar appelschrift op dat de man zijn nieuwe woning niet bewoont maar verhuurt en dat de inkomsten daarvan meegenomen moeten worden in de draagkrachtberekening. De man heeft aangegeven dat hij probeert zijn nieuwe woning - te weten aan [adres] waarbij ook sprake is van een aanzienlijke onderwaarde - te verhuren zodat hij de hypotheekschuld extra kan aflossen en dat hij daarom deels bij zijn vader in [plaats] woont en deels bij zijn vriendin. Uit de door de man ingebrachte verhuurovereenkomst van 1 januari 2013 blijkt dat hij zijn woning voor zes maanden heeft verhuurd voor € 1.050,- per maand. De man heeft ter zitting van het hof laten weten dat die woning de rest van het jaar ook verhuurd zal zijn.

5.17

De man heeft in zijn nieuwste draagkrachtberekening als aftrekbare hypotheekrente een bedrag van € 1.689,- per jaar oftewel € 140,75 per maand aangevoerd, naast een niet-aftrekbare rente - omdat hij zelf niet meer in de woning woont - van € 1.421,56 per maand en een aflossing van € 235,55 per maand. De man heeft ter zitting van het hof toegelicht dat de rente van € 140,75 per maand de rente betreft die hij aan zijn vader betaald voor de restschuld inzake de woning in [woonplaats 2]. Anders dan de man in zijn draagkrachtberekening heeft aangegeven, betreft dat - zoals eerder ook is overwogen - evenwel geen aftrekbare hypotheekrente. Deze restschuld en de kosten daarvan komen hierna nog aan de orde.

5.18

De man heeft de huurinkomsten onder post 102 als inkomen uit onroerende zaken in zijn draagkrachtberekening opgenomen. Gelet op het feit dat de kosten, te weten de rente en de zakelijke eigenaarslasten, reeds hoger zijn dan de opbrengsten, zal het hof geen inkomsten uit huur meenemen in de draagkrachtberekening. De kosten aan aflossing van € 235,55 per maand zal het hof meenemen als woonlasten van de man. Nu de hypotheekrente van deze woning niet meer fiscaal aftrekbaar is, kan ook het daarmee samenhangende eigen woning forfait buiten beschouwing blijven.

5.18

Het hof zal in de periode vanaf 1 januari 2013 de kosten van de restschuld van de woning aan [adres] meenemen, te weten een rente van € 143,56 per maand en een aflossing van € 276,08 per maand, en de hierna te bespreken kosten van de restschuld van de woning in [woonplaats 2] bij de vader (zie ook rechtsoverweging 5.11).

5.19

Voor de volledigheid merkt het hof op dat de man stelt dat hij thans deels bij zijn vader en deels bij zijn vriendin woont, maar niet bijdraagt in hun woonlasten. Het hof zal daarom naast de eerdergenoemde woonlasten geen andere woonlasten betrekken in de draagkrachtberekening.

5.20

Voor wat betreft de periode vanaf 1 april 2013 zijn partijen het erover eens dat de nieuwe richtlijnen voor kinderalimentatie toegepast dienen te worden. Het hof zal vanaf 1 april 2013 de resterende kosten van de verhuurde woning van € 235,55 per maand conform de nieuwe richtlijnen niet meer afzonderlijk meenemen in de berekening van de kinderalimentatie, maar nog wel in de berekening van de partneralimentatie.

Nu de onder 5.11 genoemde restschulden voortvloeien uit het huwelijk van partijen en de boedelverdeling, zal het hof - gelet op de afspraak van partijen dienaangaande - de daarbij behorende betalingsverplichtingen van de man ook in de periode vanaf 1 april 2013 blijven meenemen in de draagkrachtberekening. Dat brengt mee dat het hof bij de toepassing van de nieuwe kinderalimentatienormen per 1 april 2013 de kosten van de restschulden in de draagkrachtberekening in het kader van de aanvaardbaarheidstoets zal betrekken. Daaruit volgt dat het draagkrachtloos inkomen van de man in het kader van de kinderalimentatie verhoogd wordt met deze kosten (zoals hiervoor is overwogen onder 5.18 en hierna onder 5.27), met dien verstande dat de totale verhoging van dit draagkrachtloos inkomen beperkt wordt tot het door de man genoemde totaalbedrag van € 1.000,- per maand.

* De kosten van de zorgregeling

5.21

De rechtbank heeft in de bestreden beschikking een gebruikelijke omgangsregeling vastgesteld. De vrouw stelt in hoger beroep dat de man geen omgang met de kinderen heeft en de kosten daarvan dan ook buiten beschouwing dienen te blijven. De man heeft in zijn verweerschrift gesteld dat zijn kosten € 40,- per maand bedragen.

5.22

Omdat er - ondanks de vastgestelde omgangsregeling - al geruime tijd geen structurele omgang is tussen de man en de kinderen, zal het hof geen omgangskosten meenemen. Dat geldt ook voor de zorgkorting.

* De schulden aan de vader

5.23

De man stelt dat hij zijn vader € 222,- per maand aan rente en aflossing betaalt ter zake van een lening voor zijn advocaatkosten. De vrouw bestrijdt niet dat de man advocaatkosten heeft gemaakt en dat hij daarvoor bij zijn vader geld heeft geleend, maar betwijfelt de door de man gestelde hoogte van de advocaatkosten.

5.24

Advocaatkosten zijn geen noodzakelijke lasten die voorrang hebben op kinderalimentatie. Dat geldt zowel in de periode voor 1 april 2013 als in de periode vanaf 1 april 2013. Zij blijven daarom bij de berekening van het draagkrachtloos inkomen van de man en de kinderalimentatie buiten beschouwing.

5.25

Bij het vaststellen van de partneralimentatie kan in principe maximaal 1 jaar met € 114,- per maand (oftewel in totaal € 1.368,- in 1 jaar) rekening worden gehouden met advocaatkosten. Gelet op de echtscheidingsprocedure tussen partijen en de daarbij verzochte nevenvoorzieningen acht het hof aannemelijk dat de man ten minste voornoemd bedrag van € 1.368,- aan advocaatkosten heeft gemaakt. Het hof zal daarom voor zover de partneralimentatie berekend dient te worden rekening houden met advocaatkosten van € 114,- per maand.

5.26

De man stelt in zijn verweerschrift dat hij zijn vader € 663,- per maand aan rente en aflossing betaalt ter zake van de lening van zijn vader waarmee de restschuld van het huis in [woonplaats 2] is betaald. Anders dan de vrouw stelt en zoals eerder is overwogen, is deze schuld niet (zoals de restschuld van de woning aan [adres] in [woonplaats 1]) meegefinancierd in de huidige hypotheek van de man.

5.27

In zijn draagkrachtberekening van 20 juni 2013 heeft de man aangegeven dat hij € 654,50 per maand aan zijn vader betaalt voor deze restschuld. Uit de door de man in het geding gebrachte leenovereenkomst maakt het hof dat de man van zijn vader € 39.270,- heeft geleend, dat hij die in 5 jaren dient af te lossen oftewel ieder jaar € 7.854,-, zijnde € 654,50 per maand. Nu deze restschuld voortvloeit uit handelingen die hebben plaatsgevonden tijdens het huwelijk van partijen en de boedelverdeling zal het hof - overeenkomstig de afspraken van partijen - deze aflossingsverplichting van de man steeds meenemen, maar wel met de kanttekening zoals is vermeld onder overweging 5.20.

* De ziektekosten

5.28

In de draagkrachtberekening van 14 januari 2013 heeft de man - evenals de rechtbank heeft gedaan - een basispremie ziektekostenverzekering van € 100,- per maand opgenomen, een premie aanvullende verzekering van € 30,- per maand en een overig eigen risico van € 41,- per maand. De man heeft daarnaast een verplicht eigen risico van € 14,17 per maand meegenomen. Nu de vrouw die bedragen niet bestreden heeft, zal het hof daar ook van uitgaan.

5.29

De man heeft ingebracht een polis 2013 met een premie van € 120,74 per maand. De man heeft daarnaast in zijn draagkrachtberekening met de nieuwe normen vanaf 1 april 2013 een verplicht eigen risico opgenomen van € 29,17 per maand. Nu de vrouw die bedragen evenmin heeft bestreden zal het hof die meenemen in de periode vanaf 1 januari 2013.

* De draagkrachtberekening

5.30

Gelet op het vorenstaande en voorts uitgaande van de overige niet betwiste gegevens waaronder die in de beschikking waarvan beroep wordt de draagkracht van de man berekend zoals is weergegeven in de aangehechte en door de griffier gewaarmerkte draagkrachtberekeningen.

5.31

Uit de eerste draagkrachtberekening blijkt dat de man in de periode van 15 februari 2012 tot 1 januari 2013 een draagkracht heeft gehad van (€ 1.002,- + een fiscaal voordeel van € 205,-) € 1.207,- per maand. Dat is verdeeld over 3 kinderen afgerond € 402,- per kind per maand. Aldus resteert er geen draagkracht voor een aan de vrouw te betalen partneralimentatie.

5.32

Uit de tweede draagkrachtberekening blijkt dat de man in de periode van 1 januari 2013 tot 1 april 2013 voor de kinderalimentatie een draagkracht heeft gehad van (€ 1.480,- + een fiscaal voordeel van € 205,-) € 1.685,- per maand. De man heeft derhalve voldoende draagkracht om in de behoefte van de kinderen van afgerond € 490,- per kind per maand te voorzien. Uit de derde draagkrachtberekening over dezelfde periode, waarin de advocaatkosten van de man zijn meegenomen, blijkt dat geen draagkracht meer resteert voor een partneralimentatie.

5.33

Uit de vierde draagkrachtberekening blijkt dat de man in de periode vanaf 1 april 2013 een besteedbaar inkomen heeft van € 4.246,- per maand. Partijen zijn het er ter zitting van het hof over eens dat vanaf 1 april 2013 de nieuwe kinderalimentatierichtlijnen dienen te worden toegepast. Het draagkrachtloos inkomen is bij toepassing van de nieuwe normen (0,3 x 4.246 + 850 + 1.000 in verband met de aanvaardbaarheidstoets) € 3.123,80 per maand. Van het besteedbare inkomen resteert na aftrek van het draagkrachtloos inkomen (4.246 - 3.123,80) € 1.122,20 per maand. Van die draagkrachtruimte is 70% beschikbaar voor de kinderen oftewel € 785,54 per maand. Dat dient te worden vermeerderd met het fiscaal voordeel vanwege de persoonsgebonden aftrek levensonderhoud kinderen van € 205,- per maand. De draagkracht bedraagt derhalve € 990,54 per maand. Dat is verdeeld over 3 kinderen afgerond € 330,- per kind per maand. Nu de man evenwel niet heeft verzocht om verlaging van de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie van € 352,- per kind per maand, zal het hof die bijdrage voor de kinderen vanaf 1 april 2013 handhaven.

5.34

Uit de vierde draagkrachtberekening volgt ook dat de man in beginsel een draagkrachtruimte voor partneralimentatie beschikbaar heeft van €  1.201,- per maand. Deze draagkrachtruimte voor partneralimentatie is groter dan voor de kinderalimentatie omdat bij de kinderalimentatie de woonlasten op een forfaitair bedrag zijn gesteld terwijl de werkelijke lasten van de woning van de man die bij de partneralimentatie worden meegenomen lager zijn.

Gelet op voornoemde kosten van de kinderen en het fiscaal voordeel daarover, resteert aldus voor de partneralimentatie een draagkracht van € 350,- per maand. Gebruteerd is dat € 729,- per maand.

De partneralimentatie

5.35

Nu er in de periode vanaf 15 februari 2012 tot 1 april 2013 geen draagkracht meer resteert voor een partneralimentatie, kan de discussie van partijen over de behoeftigheid van de vrouw voor die periode onbesproken blijven. Gelet op voornoemde draagkracht voor partneralimentatie vanaf 1 april 2013 is de behoeftigheid van de vrouw vanaf die datum wel relevant.

5.36

Partijen zijn in 2010 uit elkaar gegaan. De vrouw stelt het netto gezinsinkomen op € 5.000,- per maand op basis van een inkomen van € 96.500,- bruto per jaar. Uit de jaaropgave 2010 van de man blijkt dat hij in dat jaar een bruto-inkomen van € 96.579,- heeft ontvangen, te verminderen met de maandelijkse bijtelling van de auto zoals de rechtbank heeft gedaan. Dat leidt tot een netto besteedbaar inkomen van € 4.313,- per maand. Het fiscaal voordeel van de eigen woning dient bij de berekening van de behoefte overigens buiten beschouwing te blijven. De vrouw heeft onbestreden laten weten dat zij eerst in 2011 is gaan werken. Het hof gaat daarom uit van een besteedbaar gezinsinkomen in 2010 van € 4.313,- per maand. Daarop de kosten van de kinderen van € 1.470,- per maand in mindering gebracht leidt tot een bedrag van € 2.843,- per maand. De behoefte van de vrouw is op 60% van dat bedrag te berekenen oftewel afgerond € 1.706,- per maand.

5.37

Hetgeen de vrouw verdient dan wel kan verdienen dient op de behoefte in mindering te worden gebracht. De vrouw stelt dat haar verdiencapaciteit € 1.000,- netto per maand is, ook al is ze inmiddels ontslagen. Uit de loonstroken van de vrouw van januari, februari en maart 2013 maakt het hof op dat de vrouw met haar werk gemiddeld € 984,07 netto per maand heeft verdiend. Vermeerderd met 5% netto vakantietoeslag is dat € 1.033,- netto per maand. De vrouw heeft derhalve een aanvullende behoefte van € 673,- netto per maand. Nu die behoeftigheid gebruteerd meer bedraagt dan de bruto bijdrage die de man kan betalen, zal het hof de partneralimentatie vanaf 1 april 2013 bepalen op de bijdrage die de man kan betalen, te weten € 729,- per maand.

De slotsom

5.38

Het voorgaande leidt tot de volgende beslissing.

6 De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zwolle-[woonplaats 2] van 31 mei 2012 voor zover het de beslissing over de kinderalimentatie betreft in de periode van 15 februari 2012 tot 1 april 2013 en voor zover het de partneralimentatie betreft met ingang van 1 april 2013;

en in zoverre opnieuw beslissende:
bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [kind 1], geboren [in 1997], [kind 2], geboren [in 1999], en [kind 3], geboren [in 1999], in de periode van 15 februari 2012 tot 1 januari 2013 op € 402,- per kind per maand en in de periode van 1 januari 2013 tot 1 april 2013 op € 490,- per kind per maand;

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van 1 april 2013 op € 729,- per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte;

bekrachtigt de beschikking voor zover het de partneralimentatie betreft in de periode tot 1 april 2013 en voor zover het de kinderalimentatie betreft in de periode vanaf 1 april 2013.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R. Feunekes, voorzitter, G.M. van der Meer en I.A. Vermeulen en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 10 september 2013 in bijzijn van de griffier.