Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:6987

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-09-2013
Datum publicatie
26-09-2013
Zaaknummer
CR 200.124.236-01 10-9-2013
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Behoefte vrouw bepaald aan de hand van privé-ontrekkingen. Draagkracht niet bepaald met behulp van Tremanormen. Hof gaat in op de vraag over welke financiële middelen de man in redelijkheid kan beschikken.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 157
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2013/151 met annotatie van prof. mr. P. Vlaardingerbroek
RFR 2013/136

Uitspraak

Beschikking d.d. 10 september 2013

Zaaknummer 200.124.236/01

HET GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Locatie Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. E.G. Harderwijk, kantoorhoudende te Groningen,

procesadvocaat mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. C.G. Blok, kantoorhoudende te Dronten.

Het geding in eerste aanleg

Bij beschikking van 4 januari 2013 (zaaknummer 196801 / FL RK 12-660) heeft de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, - voor zover hier van belang - de echtscheiding tussen partijen uitgesproken en aan de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand een telkens bij vooruitbetaling te ontvangen uitkering tot levensonderhoud toegekend ten laste van de man van € 6.434,-- per maand. Deze beschikking is uitvoerbaar bij voorraad verklaard, behoudens voor zover het de echtscheiding betreft.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 26 maart 2013, heeft de man

- voor zover hier van belang - verzocht de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 4 januari 2013 te vernietigen ( het hof begrijpt: voor zover het zijn alimentatieplicht jegens de vrouw betreft) en opnieuw beslissende de vrouw alsnog in haar verzoeken als vermeld in het inleidende verzoekschrift van 3 april 2012, sub II en het aanvullende verzoekschrift van 12 oktober 2012, sub II niet ontvankelijk verklaren dan wel haar deze verzoeken alsnog te ontzeggen.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 23 mei 2013, heeft de vrouw verzocht het verzoek van de man niet-ontvankelijk te verklaren dan wel af te wijzen, de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen en de man te veroordelen in de kosten van dit geding.

Het verzoek van de man tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking waarvan beroep is behandeld ter zitting van 26 april 2013.
Het hof heeft bij beschikking van 14 mei 2013dit verzoek van de man wat betreft de schorsing afgewezen, zodat thans alleen de hoofdzaak aan de orde is.

Het hof heeft kennisgenomen van de overige stukken, waaronder een journaalbericht van 30 mei 2013 van mr. Blok met als bijlage het proces-verbaal d.d. 26 april 2013.

De mondelinge behandeling van de hoofdzaak heeft op 16 juli 2013 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten. Zowel mr. Harderwijk als mr. Blok heeft ter zitting het woord gevoerd mede aan de hand van de door haar overgelegde pleitaantekeningen.

De beoordeling

De geweigerde stukken

1.

Artikel 1.4.4. van het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven schrijft een belanghebbende voor de nadere stukken waarop hij zich wenst te beroepen zo spoedig mogelijk over te leggen. Uiterlijk op de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling kunnen nog stukken worden overgelegd, mits in vijfvoud en met toezending in kopie aan iedere andere belanghebbende.

Op stukken die nadien worden overgelegd en op stukken waarvan tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat zij niet door iedere andere belanghebbende zijn ontvangen en tegen overlegging waarvan bezwaar is gemaakt, wordt geen acht geslagen, tenzij het hof anders beslist.

Omvangrijke stukken die zonder noodzaak op of vlak voor de tiende kalenderdag voorafgaand aan de mondelinge behandeling worden overgelegd, kunnen als in strijd met de goede procesorde buiten beschouwing worden gelaten.

2.

Bij de griffie van het hof is op 5 juli 2013 een brief binnengekomen van mr. Harderwijk gedateerd 5 juli 2013, met als bijlagen aanvullende producties 21 tot en met 27.

3.

Mr. Blok heeft ter zitting van het hof uitdrukkelijk bezwaar gemaakt tegen deze nagekomen stukken. Ter zitting is gebleken dat de bedoelde stukken door of namens mr. Harderwijk met een begeleidende brief gedateerd op 8 juli 2013 aan mr. Blok zijn toegezonden. Mr. Blok heeft gesteld dat zij deze stukken pas op 10 juli 2013 heeft ontvangen en dat zij ze daardoor niet naar behoren heeft kunnen bestuderen. Zij is daarbij van mening dat bedoelde stukken, gelet op de omvang en datering daarvan, ook bij het hof veel eerder hadden moeten worden ingediend dan is geschied.

4.

Voornoemde stukken zijn door het hof gelet op de inhoud van genoemd artikel geweigerd, nu de daarin opgenomen regeling niet alleen inhoudt dat het hof tijdig moet worden geïnformeerd, maar ook de wederpartij. Dat laatste is hier niet gebeurd. Bijzondere feiten of omstandigheden die meebrengen dat eerdere indiening van deze bescheiden niet mogelijk is geweest, zijn gesteld noch gebleken.

De vaststaande feiten

5.

Partijen zijn [in 1984] in de gemeente [woonplaats] met elkaar gehuwd. Uit het huwelijk van partijen zijn drie (thans meerderjarige) kinderen geboren.

6.

De vrouw heeft de rechtbank bij inleidend verzoekschrift, bij de griffie van de rechtbank binnengekomen op 4 april 2012, - voor zover hier van belang - verzocht de echtscheiding uit te spreken en te bepalen dat de man het bruto equivalent van een bedrag van € 2.000,-- per maand aan de vrouw zal voldoen, althans in ieder geval het bruto equivalent van een bedrag van € 680,--, althans een dusdanig bedrag ingaande op een dusdanige datum als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.

7.

De man heeft daartegen verweer gevoerd bij verweerschrift, bij de griffie van de rechtbank binnengekomen op 5 juli 2012 en heeft verzocht het verzoek van de vrouw af te wijzen.

8.

De vrouw heeft de rechtbank bij aanvullend verzoekschrift c.q. vermeerdering van eis, bij de griffie van de rechtbank binnengekomen op 12 oktober 2012, verzocht te bepalen dat de man bij vooruitbetaling het bruto equivalent van het bedrag van € 3.739,80 aan de vrouw moet voldoen met ingang van de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift, althans een dusdanig bedrag ingaande op een dusdanige datum als de rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.

9.

Bij de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank onder meer beslist als hiervoor vermeld onder ‘Het geding in eerste aanleg’.

10.

Het huwelijk van partijen is op 23 april 2013 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

De ingangsdatum

11.

Geen van partijen heeft een grief opgeworpen tegen de door de rechtbank gehanteerde ingangsdatum. Het hof zal dan ook de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud vaststellen met ingang van 23 april 2013, de datum waarop de echtscheidingsbeschikking van 4 januari 2013 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

De geschilpunten

12.

De geschilpunten tussen partijen betreffen de behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de man, de draagkracht van de man en wel op het punt van zijn inkomen, en de proceskosten.

De behoefte van de vrouw

de hoogte van de behoefte

13.

Tussen partijen is in geschil op welk bedrag de behoefte van de vrouw, mede gelet op de welstand tijdens het huwelijk, dient te worden gesteld en in hoeverre de vrouw door middel van eigen inkomsten in deze behoefte kan voorzien.

14.

Voor de vaststelling van de behoefte van onderhoudsgerechtigden is medebepalend de welstand waarin partijen tijdens hun huwelijk hebben geleefd, terwijl voorts alle relevante omstandigheden van belang zijn, waaronder het inkomsten- en uitgavenpatroon tijdens de laatste jaren van het huwelijk.

15.

Deze welstand kan op verschillende manieren worden bewerkstelligd. Voor de bepaling van de welstand is niet alleen van belang hoe hoog het formele inkomen van partijen tijdens het huwelijk was, maar ook welk bedrag zij pleegden uit te geven. Wanneer - zoals de man kennelijk onder meer stelt - grotendeels werd geleefd van geld dat via de bedrijven van de man van de bank werd geleend, brengt dat niet mee dat bij de vaststelling van de welstand tijdens het huwelijk die geleende gelden buiten beschouwing zouden moeten worden gelaten; feit is immers dat aldus geleefd is en de welstand dus mede door die gelden werd bepaald.

16.

Het hof zal bij het vaststellen van de behoefte van de vrouw uitgaan van de privé onttrekkingen zoals deze blijken uit de jaarstukken van de eenmanszaak, genaamd [de eenmanszaak], nu het deze onttrekkingen zijn geweest waarvan partijen hebben geleefd. In hetgeen de man heeft aangevoerd ten aanzien van de sterk fluctuerende resultaten van het akkerbouwbedrijf en in de verklaring van de vrouw ter zitting van het hof dat partijen het ene jaar meer te besteden hadden dan het andere, ziet het hof aanleiding om voor het berekenen van de behoefte van de vrouw uit te gaan van het gemiddelde van de privé onttrekkingen over de laatste vijf jaren voorafgaand aan het feitelijk uiteengaan van partijen, te weten van het gemiddelde van de onttrekkingen uit de eenmanszaak [de eenmanszaak] over de boekjaren 2004/2005 tot en met 2008/2009.

17.

Het hof zal daarbij hetgeen vermeld staat in de aangifte IB 2009 bij "Onttrokken uit maatschap [de maatschap]" buiten beschouwing laten, nu de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er in dat jaar een overboeking van € 90.132,-- heeft plaatsgevonden van de maatschap [de maatschap] naar de eenmanszaak [de eenmanszaak]. De onttrekkingen uit de maatschap [de maatschap] worden dan ook buiten beschouwing gelaten, omdat die niet rechtstreeks aan partijen ter vertering zijn toegevloeid. Het hof ziet verder geen aanleiding om aan te nemen dat partijen daarnaast meer tot hun beschikking hadden, ter zake van onttrekkingen uit andere ondernemingen van de man en/of zwart geld, nu de vrouw haar stellingen op dit punt niet heeft onderbouwd.

18.

Het hof berekent het gemiddelde van de onttrekkingen uit de eenmanszaak [de eenmanszaak] over de boekjaren 2004/2005 tot en met 2008/2009 aldus op een bedrag van € 54.385,-- per jaar, hetgeen neerkomt op een "gezinsinkomen" van € 4.532,-- per maand.

19.

Uit het huwelijk van partijen zijn drie kinderen geboren, te weten [kind 1], geboren [geboortedatum] (meerderjarig in 2004), [kind 2], geboren [geboortedatum] (meerderjarig in januari 2008), en [kind 3], geboren [geboortedatum] (meerderjarig in 2010).

20.

De kosten voor [kind 2] en [kind 3] die in de laatste vijf jaren van de samenwoning van partijen ten laste van het gezinsinkomen zijn gekomen raamt het hof - aan de hand van het gezinsinkomen van € 4.532,-- netto per maand, de leeftijd van de kinderen en de Nibud tabel eigen aandeel van de ouders in de kosten van kinderen - in redelijkheid op een bedrag van (gemiddeld) ongeveer € 1.000,- per maand in totaal. Het hof zal daarnaast geen rekening houden met de door de man opgevoerde jaarlijkse studiekosten van de kinderen, en de arbeidsverzekeringspremie ten behoeve van [kind 2], nu deze kosten naar het oordeel van het hof in voormeld bedrag van € 1.000,- per maand voldoende zijn verdisconteerd.

21.

Aldus resteert een bedrag van € 3.532,- netto per maand, welk bedrag wordt geacht ter beschikking van partijen te hebben gestaan.

22.

Niet in geschil is dat de behoefte van de vrouw met gebruikmaking van de ‘hofformule’ kan worden vastgesteld. De behoefte van de vrouw stelt het hof vast op 60% van voormeld bedrag, derhalve afgerond € 2.119,-- netto per maand.

Het hof is van oordeel dat bij de bepaling van voornoemd percentage voldoende rekening is gehouden met de omstandigheid dat thans sprake is van dubbele huishoudens, waaraan hogere kosten zijn verbonden dan die verbonden waren aan het huishouden van partijen gezamenlijk, tijdens hun huwelijk.

de mate waarin de vrouw door eigen inkomsten in haar behoefte kan voorzien

23.

Overeenkomstig het bepaalde in artikel 1:157 lid 1 BW heeft een gewezen echtgenoot recht op een uitkering tot levensonderhoud, indien deze niet voldoende inkomsten tot zijn levensonderhoud heeft noch zich deze in redelijkheid kan verwerven. De inkomsten, dan wel de redelijkerwijs te verwerven inkomsten van de onderhoudsgerechtigde verminderen zijn/haar behoefte aan een bijdrage van de onderhoudsplichtige. Dit zal dan leiden tot een nihilstelling of een vermindering van de verzochte alimentatie op grond van de omstandigheid dat de onderhoudsgerechtigde geheel of gedeeltelijk in eigen levensonderhoud kan voorzien.

24.

Tussen partijen is in geschil of de vrouw zich in redelijkheid eigen inkomsten kan verwerven die haar behoefte aan een bijdrage van de man verminderen. Daarbij dient te worden beoordeeld of en in hoeverre de vrouw, mede gelet op haar leeftijd, haar opleidingsniveau, haar werkervaring, haar lichamelijke en psychische gesteldheid alsmede de zorg voor kinderen, in redelijkheid in staat kan worden geacht werkzaamheden te verrichten en eigen inkomsten uit arbeid te verwerven.

25.

Het hof neemt in dit verband het volgende in acht. De vrouw is thans 50 jaar oud (zij is geboren [geboortedatum]). Zij heeft tijdens het huwelijk van partijen de zorg gehad voor drie kinderen en heeft tijdens het huwelijk van partijen, dat bijna dertig jaar geduurd heeft, geen arbeid in dienstbetrekking verricht. De vrouw heeft na ontbinding van het huwelijk gedurende korte perioden werkzaamheden in dienstbetrekking verricht; deze dienstverbanden zijn buiten haar schuld of toedoen beëindigd. Zij heeft naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk gemaakt dat zij voldoende solliciteert maar zonder resultaat. Onder deze omstandigheden is naar het oordeel van het hof niet te verwachten dat de vrouw, in ieder geval niet op afzienbare termijn, in staat zal zijn geheel dan wel voor een substantieel gedeelte door inkomsten uit arbeid in eigen levensonderhoud te voorzien.

26.

Derhalve dient de behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de zijde van de man te worden vastgesteld op het hiervoor berekende bedrag van € 2.119,-- netto per maand. Rekening houdend met de belasting die de vrouw over de door de man te betalen bijdrage verschuldigd is, heeft zij een behoefte aan een bruto bijdrage van de man van afgerond € 3.000, -- per maand.

De draagkracht van de man

27.

Het hof heeft ter zitting aan de orde gesteld dat berekening van de draagkracht op de wijze waarop dat ingevolge de zogeheten Tremanormen gebeurt, in het geval van een agrarische onderneming zoals die van de man in feite geen realistisch beeld oplevert. Een dergelijke onderneming kenmerkt zich - kort gezegd - door een hoge intrinsieke waarde maar - gemiddeld - een (relatief) laag rendement, terwijl niettemin de ondernemer over het algemeen in redelijke welstand kan leven. Achtergrond daarvan is dat er weliswaar sprake moet zijn van een gezonde bedrijfsvoering, maar dat een hoge financieringsgraad met bijbehorende lasten er niet op duidt dat de bedrijfsvoering niet gezond is. Er is immers veelal sprake van grote stille reserves, met name in de waarde van de landerijen. Onbetwist is dat dat bij de onderneming van de man ook het geval is: uit de toelichting op de balans per 30 april 2012 blijkt dat de man 43.17 ha grond in eigendom heeft die voor € 598.971,- ofwel afgerond € 13.874,- per ha op de balans staat, terwijl de man ter zitting heeft meegedeeld dat de vrije waarde van agrarische grond in zijn omgeving ongeveer € 70.000,- per ha is. Dat levert een stille reserve op van ruim € 2.400.000,-. Uiteraard kan men daar niet "van eten", maar het kan wel mede verklaren waarom de man tot op heden zijn bedrijfsvoering en zijn privéopnamen kan blijven voortzetten: de bank loopt uiteindelijk weinig tot geen risico.

Dat de bedrijfsvoering anderszins niet gezond zou zijn of dat er werkelijke bedreigingen bestaan voor de continuïteit van het bedrijf van de man heeft het hof niet kunnen constateren.

28.

Het hof acht het dan ook in dit geval opportuun om op andere wijze dan met behulp van de Tremanormen te bepalen welke middelen de man in redelijkheid ten dienste staan om niet alleen in zijn eigen kosten van levensonderhoud te voorzien, maar ook in die van de vrouw bij te dragen. Daartoe slaat het hof - naast hetgeen hierboven is overwogen - acht op de volgende feiten en omstandigheden:

a. Gedurende in elk geval de laatste jaren van het huwelijk van partijen was de wijze van bedrijfsvoering en financiering van de bedrijven van de man niet wezenlijk anders dan thans. Gedurende die jaren hebben partijen in redelijke welstand kunnen leven zoals blijkt uit de hierboven berekende huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw.

b. Afgezien van onttrekkingen ten behoeve van inbreng in de v.o.f. H&M International Trading - waarover hieronder nader - heeft de man na het vertrek van de vrouw, zoals blijkt uit de overgelegde jaarrekeningen van zijn eenmanszaak, de volgende bedragen aan privéonttrekkingen genoten:

2009/2010: € 63.313,-

2010/2011: € 74.040,-

2011/2012: € 84.869,-.

Kennelijk heeft hiervoor de benodigde financieringsruimte bestaan.

c. Naast de ruimte om bovengenoemde privéonttrekkingen te doen heeft de man in 2010/2011 een bedrag van € 81.107,- aan zijn eenmanszaak onttrokken ter investering in bovengenoemde v.o.f., en in 2011/2012 een bedrag van € 55.153,-. Ook hiervoor bestond kennelijk financieringsruimte.

d. Als gevolg van de verkoop van 13.01 ha grond in 2009/2010 is het eigen vermogen van de man gedeeltelijk hersteld en zijn de toenmalige liquiditeitsproblemen opgeheven. De man heeft de uit die verkoop resterende gelden (deels) geïnvesteerd in en/of geleend aan bovengenoemde v.o.f.; hij heeft thans nog per saldo ruim € 200.000,- ter zake van zijn toenmalige vennoot te vorderen, terwijl hij in 2012/2013 een bedrag van € 80.000,- retour heeft ontvangen. Het hof heeft geen aanleiding om te veronderstellen dat de man dit resterende bedrag niet zal terugontvangen.

e. De man heeft gesteld dat hij onder bijzonder beheer van de bank valt, maar dat blijkt niet uit de stukken waarvan het hof kennis heeft genomen.

f. Voor zover er van bijzonder beheer sprake is is niet duidelijk geworden om welke reden de bank daartoe is overgegaan; er zijn meerdere redenen denkbaar dan dat het met het bedrijf niet goed zou gaan, zoals mogelijkerwijs het feit dat de man in een risicoland heeft geïnvesteerd.

g. Gezien de fiscale verliezen die over afgelopen jaren nog verrekend kunnen worden betaalt de man geen inkomstenbelasting en zal hij - ervan uitgaande dat zich voor het overige geen substantiële wijzigingen in inkomsten of lasten zullen voordoen - de komende jaren geen of weinig fiscaal voordeel hebben van de betaling van partneralimentatie. Brutering van de door de man te betalen bijdrage dient daarom thans achterwege te blijven.

h. De man woont samen met een partner die over eigen inkomen beschikt. Hij kan de kosten van levensonderhoud dus delen.

29.

Al deze feiten en omstandigheden in aanmerking genomen constateert het hof dat de man over voldoende financiële ruimte beschikt en kan beschikken om een substantiële bijdrage te betalen in de kosten van levensonderhoud van de vrouw. Een andere gevolgtrekking acht het hof overigens, niet alleen in de onderlinge relatie tussen de man en de vrouw als ex-echtgenoten maar ook maatschappelijk, in de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar. Dat deze ruimte formeel geheel of ten dele niet uit inkomsten maar uit vermogen voortvloeit maakt dat onder de hierboven geschetste bedrijfsmatige omstandigheden niet anders. Ook vermogen, waartoe ook financieringsruimte waar slapend vermogen tegenover staat valt te rekenen, behoort onder omstandigheden zoals de onderhavige tot de financiële middelen waarover de man kan beschikken en bepaalt mede diens draagkracht.

30.

Gelet op de hierboven blijkende omvang van de financiële ruimte van de man acht het hof het redelijk dat hij geheel in de door het hof vastgestelde behoefte van de vrouw van € 3.000,- per maand voorziet. Het hof zal dienovereenkomstig beslissen.

De proceskosten

31.

Het hof ziet geen aanleiding om af te wijken van de in zaken als deze gebruikelijke compensatie van de proceskosten, mede gelet op de uitkomst van deze procedure.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad van 4 januari 2013, voor zover daarbij aan de vrouw met ingang van de datum van inschrijving van die beschikking in de registers van de burgerlijke stand een telkens bij vooruitbetaling te ontvangen uitkering tot levensonderhoud is toegekend ten laste van de man van € 6.434,-- per maand;

en opnieuw beslissende:

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud met ingang van 23 april 2013 op een bedrag van € 3.000,- per maand, voor zover de termijnen niet zijn verstreken steeds bij vooruitbetaling te voldoen;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige;

wijst het meer of anders in hoger beroep verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.D.S.L.Bosch, mr. R. Feunekes en mr. D.J. Buijs, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 10 september 2013 in bijzijn van de griffier.