Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:6984

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-09-2013
Datum publicatie
26-09-2013
Zaaknummer
CR 200.125.046-01 10-9-2013
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verschillende wijzen van omgaan van rechtbanken met betrekking tot het toekennen van een afzonderlijke beloning voor extra werkzaamheden in verband met problematische schulden bij beschermingsbewind.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 460
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2013/164
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.125.046/01

(zaaknummer rechtbank Noord-Nederland 358070 EN VERZ 12-7021 BM 6169)

beschikking van de familiekamer van 10 september 2013


in de zaak van:

de Gemeente Groningen,

(voor deze de Groningse Kredietbank in haar hoedanigheid van bewindvoerder),
zetelend te Groningen,

verder te noemen: de Groningse Kredietbank of de bewindvoerder,

verzoekster in hoger beroep,

advocaat: mr. S.M. Campmans, kantoorhoudend te Groningen.

Belanghebbende

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats],

verder te noemen: de rechthebbende.

1 Het geding in eerste aanleg


Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Assen, van 9 januari 2013 (hierna ook wel genoemd: de bestreden beschikking), gewezen onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het hof op 9 april 2013, is de bewindvoerder in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking. De bewindvoerder verzoekt het hof om de bestreden beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende alsnog de (extra) beloning voor de bewindvoerder vast te stellen op het bedrag zoals verzocht.

2.2

De rechthebbende is door het hof in de gelegenheid gesteld om een verweerschrift in te dienen maar heeft van de gelegenheid geen gebruik gemaakt.

2.3

De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden ter zitting van het hof van 7 augustus 2013. Namens de bewindvoerder zijn daarbij verschenen mr. Campmans en de heer T.P. Schaafsma.

3. De motivering van de beslissing

3.1

Ter beoordeling staat of aan de bewindvoerder over het jaar 2012 een afzonderlijke beloning toekomt voor extra werkzaamheden in verband met problematische schulden van de rechthebbende.

3.2

Zoals het hof eerder in andere zaken heeft overwogen dient bij de beoordeling van een verzoek als het onderhavige in beginsel - behoudens het geval enige rechtsregel tot een ander oordeel moet leiden - acht te worden geslagen op de Aanbevelingen van het Landelijk Overleg Voorzitters Civiele en Kantonsectoren (LOVCK), die zijn opgesteld met het oog op landelijke uniformering van de rechtstoepassing in bewindzaken.

3.3

Blijkens de Aanbevelingen van het LOVCK is, na toetsing op draagvlak bij professionele bewindvoerders, gekomen tot een systeem waarbij de beloning wordt gemaximeerd en de daarvoor te verrichten werkzaamheden nauwkeurig zijn omschreven. Voor werkzaamheden die daarbuiten vallen geldt dat deze in uitzonderlijke gevallen, met voorafgaande machtiging van de toezichthoudende kantonrechter, ten laste van het vermogen van de rechthebbende kunnen worden gebracht, eveneens tegen een gemaximeerd tarief. In het systeem van (forfaitaire) beloning en declaratie van kosten als omschreven in de Aanbevelingen van het LOVCK, is verdisconteerd dat in het ene geval door de professionele bewindvoerder meer en in het andere geval minder werkzaamheden dan gemiddeld dienen te worden verricht ten behoeve van een rechthebbende. Voor het jaar 2012 geldt onder meer, voor zover hier van belang, een algemene vergoeding van maximaal € 1.013,- excl. BTW voor de beschreven werkzaamheden. Voor vooraf goedgekeurde extra werkzaamheden geldt in de Aanbevelingen een uurloon van € 63,50.

3.4

In het onderhavige geval heeft de bewindvoerder voor het jaar 2012, naast de algemene (forfaitaire) maximale beloning van € 1.013,-, een forfaitaire vergoeding van vijf uren (à € 63,50) gevraagd voor extra werkzaamheden in het kader van problematische schulden van de rechthebbende. De bewindvoerder heeft dat verzoek aldus toegelicht dat het gaat om een forfaitair aantal uren op basis van kennis en ervaring, opgedaan door behandeling van een groot aantal zaken. De bewindvoerder is van mening dat hij in afwijking van de Aanbevelingen recht heeft op een forfaitaire vergoeding voor extra werkzaamheden in het kader van problematische schulden van de rechthebbende en dat van hem niet kan worden gevergd de werkzaamheden te specificeren en ook niet om vooraf aan de werkzaamheden machtiging te vragen aan de kantonrechter. De bewindvoerder heeft dat standpunt uitgebreid toegelicht in het beroepschrift en ter zitting, onder meer door te wijzen op een aanhangig wetsvoorstel tot wijziging van de regeling voor meederjarigenbewind
(TK 2011-2012, 33.054, nr. 3, onder Algemeen 1), de niet eenduidige rechtspraktijk blijkende onder meer uit correspondentie met rechtbanken en het uitvoeringsbelang van de bewindvoerder gelet op het groot aantal zaken.

3.5

In de beschikking waarvan beroep heeft de kantonrechter in de rechtbank Noord Nederland, locatie Assen, de bewindvoerdervergoeding over 2012 toegekend overeenkomstig het door het Landelijk Overleg Voorzitters Civiele en Kantonsectoren(LOVCK) vastgestelde tarief, maar de hier bedoelde extra vergoeding afgewezen, naar de bewindvoerder klaagt ten onrechte.

3.6

Het hof stelt voorop dat het, anders dan de bewindvoerder beoogt, niet in algemene zin een oordeel zal of kan geven over beleid dat door de kantonrechter wordt gevoerd met betrekking tot het toekennen van (extra) beloningen voor uitzonderlijke werkzaamheden als bedoeld in de aanbevelingen van LOVCK. Voor ligt slechts de vraag of in dit concrete geval aan de bewindvoerder een forfaitaire vergoeding ten bedrage van € 317,50 ter zake ‘problematische schuldsituatie’ behoort te worden toegekend. Het hof kan zich voorstellen dat de uitvoerder met een forfaitair systeem is gediend maar wijst erop dat ook andere belangen zijn meegewogen bij het tot stand komen van de Aanbevelingen, zoals het belang van de rechthebbende en van de toezichthouder.

3.7

De bewindvoerder beroept zich op afspraken, gemaakt met kantonrechters van het voormalige arrondissement Groningen; in dat arrondissement zou de afspraak gelden dat in gevallen als het onderwerpelijke niet vooraf toestemming voor de extra beloning behoeft te worden verkregen en dat bij declaratie achteraf het bedoelde forfaitaire bedrag kan worden gedeclareerd.

3.8

In dit geval gaat het echter om een bewind waarop in 2012 de kantonrechter te Assen toezicht hield, zodat het voor de hand ligt de declaratie te toetsen aan het in dat jaar door de kantonrechter te Assen gevoerde beleid. Dit klemt temeer, omdat, mocht het in het voormalige arrondissement Assen – net als in het voormalige arrondissement Groningen het geval leek te zijn – gebruikelijk zijn geweest forfaitaire vergoedingen op basis van declaratie achteraf toe te kennen, het niet aan zou gaan bewindvoerders na afloop van 2012 te confronteren met de eis van voorafgaande toestemming en urenspecificatie.

3.9

Het hof zal de bewindvoerder in de gelegenheid stellen het hof hieromtrent nader schriftelijk te informeren. Uit de bestreden beschikking blijkt dat de bewindvoerder rekening en verantwoording heeft afgelegd over 2011. De bewindvoerder dient de goedkeuring van de declaratie over het jaar 2011 over te leggen en te beschrijven op welke wijze de goedkeuring is verkregen. Mocht dit op de “Groningse wijze” zijn geschied, dan ligt het voor de hand in dit geval ook de “Groningse” pardonregeling (die blijkens de adressering alleen geldt voor professionele bewindvoerders in het arrondissement Noord-Nederland, locatie Groningen) op analoge wijze toe te passen. Mocht evenwel de kantonrechter in het voormalige arrondissement Assen vóór 2012 een bij de aanbevelingen van het LOVCK aansluitende praktijk hebben toegepast, dan kan de bestreden beslissing niet als een verrassingsbeslissing worden gezien voor wat betreft het vereiste van voorafgaande machtiging.

3.10

Het hof zal in afwachting van de nadere informatie van de bewindvoerder iedere verdere beslissing aanhouden. Na ontvangst van de betreffende reactie van de bewindvoerder, dan wel na ommekomst van de hierna genoemde termijn daarvoor, zal het hof de zaak op de stukken afdoen, tenzij het hof anders beslist.

3.11

Al hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de volgende beslissing.

4 De beslissing

Het gerechtshof:


draagt de bewindvoerder op het hof binnen zes weken na dagtekening van deze beschikking schriftelijk te informeren omtrent hetgeen hiervoor in rechtsoverwegingen 3.7 t/m 3.9 is omschreven;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.G. Idsardi, G. Jonkman en D.J. Buijs en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 10 september 2013 in bijzijn van de griffier.