Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:6979

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-09-2013
Datum publicatie
26-09-2013
Zaaknummer
CR 200.112.784-01 5-9-2013
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Diverse alimentatieperikelen. Artikel 827 RV. is niet de juiste weg om een bij arrest uitgesproken onherroepelijke vermogensrechtelijke afhandeling te wijzigen of aan te vullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 5 september 2013

Zaaknummer: 200.112.784

HET GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN
Locatie Leeuwarden

Beschikking in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats],

appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. F.P. van Dalen, kantoorhoudende te Leeuwarden,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal appel,

appellant in het incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

voorheen advocaat mr. H. de Jong, kantoorhoudende te Burgum,

thans geen advocaat.

Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Leeuwarden van 6 juni 2012 (zaaknummer 38112 / FA RK 99-2159), waarvan de inhoud bij partijen bekend is.

Het geding in hoger beroep

Bij beroepschrift, binnengekomen op de griffie op 6 september 2012, heeft de vrouw verzocht die beschikking te vernietigen en opnieuw beslissende:
I. te bepalen dat de man met ingang van 25 juli 2000 aan de vrouw betaalt
€ 2.000,- per maand, te vermeerderen met de wettelijke indexering ex artikel
1:402a BW met ingang van 1 januari 2001;
II. de man te veroordelen om aan de vrouw te betalen een bedrag van
€ 52.269,- te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van 20 oktober
2011 tot aan de datum der algehele voldoening;
III. de man te veroordelen in de kosten van de hoger beroepsprocedure;
IV. de af te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Bij verweerschrift, binnengekomen op de griffie op 21 november 2012, heeft de man het verzoek van de vrouw bestreden en daarbij tevens incidenteel appel ingesteld. De man heeft verzocht de beschikking van de rechtbank Leeuwarden van 6 juni 2012 te vernietigen in zoverre en dat opnieuw beslist wordt:

I. dat de vrouw in haar vorderingen niet-ontvankelijk wordt verklaard althans de te betalen vordering ter zake de alimentatie vast te stellen op € 25.000,-;
II. de overige door de vrouw ingediende vorderingen sub 1 tot en met 4 af te wijzen.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 13 februari 2013, heeft de vrouw het verzoek van de man in het incidenteel appel bestreden en verzocht:
I. de grieven van de man dan wel zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren,
althans deze grieven dan wel deze verzoeken de man te willen ontzeggen;
II. de man te willen veroordelen in de kosten van het incidenteel appel;
III. de af te geven beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Het hof heeft kennis genomen van de overige stukken, waaronder een faxbericht van 3 mei 2013 van mr. De Jong.

De zaak is behandeld ter zitting van het hof van 8 mei 2013. Verschenen zijn de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, en de man.

Mr. Van Dalen heeft ter zitting mede het woord gevoerd aan de hand van een door hem overgelegde pleitnotitie.

De beoordeling

De feiten

1.

Partijen zijn [in 1964] in de gemeente [gemeente] met elkaar gehuwd. Vóór het huwelijk hebben partijen, bij notariële akte van 17 december 1964, huwelijkse voorwaarden opgemaakt.

2.

De uit het huwelijk geboren kinderen zijn inmiddels meerderjarig.

3.

De vrouw heeft op 17 december 1999 een echtscheidingsverzoek ingediend bij de rechtbank Leeuwarden. Daarbij heeft de vrouw de rechtbank tevens verzocht te bepalen dat de man aan haar met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand een bedrag van fl. 3.000,- per maand dient te voldoen als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud.

4.

Bij beschikking voorlopige voorzieningen van 2 februari 2000 is de door de man aan de vrouw te betalen partneralimentatie voorlopig bepaald op fl. 2.000,- per maand.

5.

De man heeft op 21 maart 2000 een verweerschrift ingediend bij de rechtbank, waarin hij zich, voor zover van belang, heeft verenigd met het echtscheidingsverzoek en voorts heeft geconcludeerd tot niet-ontvankelijk verklaring van de vrouw in haar alimentatieverzoek dan wel afwijzing van dat verzoek.

6.

Bij beschikking van 10 mei 2000 heeft de rechtbank de echtscheiding uitgesproken.

7.

De echtscheidingsbeschikking is op 25 juli 2000 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand, waardoor het huwelijk van partijen is ontbonden.

8.

Bij de hier bestreden beschikking heeft de rechtbank (uitvoerbaar bij voorraad en onder afwijzing van het meer of anders verzochte) bepaald dat:
- de man met ingang van de dag van ontbinding van het
huwelijk tot 1 januari 2001 € 481,- per maand moet betalen aan de vrouw
als bijdrage in haar levensonderhoud;
- de uitkering tot levensonderhoud met ingang van 1 januari 2001 tot
1 januari 2002 op nihil wordt gesteld;
- de man met ingang van 1 januari 2002 tot 1 januari 2003 een
bedrag van € 960,- per maand moet betalen aan de vrouw als uitkering tot
haar levensonderhoud;
- de man met ingang van 1 januari 2003 tot 1 januari 2004 een
bedrag van € 1.004,- per maand moet betalen aan de vrouw als uitkering
tot haar levensonderhoud;
- de man met ingang van 1 januari 2004 tot 1 januari 2005 een
bedrag van € 1.043,- per maand moet betalen aan de vrouw als uitkering
tot haar levensonderhoud;
- de man met ingang van 1 januari 2005 tot 1 januari 2006 een
bedrag van € 1.069,- per maand moet betalen aan de vrouw als uitkering
tot haar levensonderhoud;
- de man met ingang van 1 januari 2006 tot 1 januari 2007 een
bedrag van € 1.080,- per maand moet betalen aan de vrouw als uitkering
tot haar levensonderhoud;
- de man met ingang van 1 januari 2007 tot 1 januari 2008 een
bedrag van € 905,- per maand moet betalen aan de vrouw als uitkering tot
haar levensonderhoud;
- de man met ingang van 1 januari 2008 tot 1 januari 2009 een
bedrag van € 826,- per maand moet betalen aan de vrouw als uitkering tot
haar levensonderhoud;
- de man met ingang van 1 januari 2009 tot 1 januari 2010 een
bedrag van € 1.134,- per maand moet betalen aan de vrouw als uitkering
tot haar levensonderhoud;
- de man met ingang van 1 januari 2010 tot 1 januari 2011 een
bedrag van € 1.033,- per maand moet betalen aan de vrouw als uitkering
tot haar levensonderhoud;
- de alimentatieverplichting van de man jegens de vrouw met ingang van

1 januari 2011 op nihil wordt gesteld.

9.

In een afzonderlijke procedure inzake de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk van partijen, die is ingeleid bij dagvaarding op 15 maart 2000, heeft het hof Leeuwarden - rechtdoende in hoger beroep - op 20 januari 2009 en

20 april 2010 (eind)arrest gewezen bekend onder zaaknummer 107.001.226. Dit naar aanleiding van het hoger beroep van partijen tegen de door de rechtbank op 30 januari 2002, 25 juni 2003 en 5 april 2006 gewezen vonnissen.

Het geschil

10.

Het geschil tussen partijen in de onderhavige procedure betreft de door de man aan de vrouw verschuldigde uitkering tot levensonderhoud, bedoeld in artikel 1:157 BW. De vrouw verzoekt vaststelling van een partneralimentatie van

€ 2000,- per maand, terwijl de man verzoekt om de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren in dat verzoek en te beslissen over de desbetreffende bijdrage met toepassing van het door partijen gesloten convenant in 1999.

11.

Naast de partneralimentatie heeft de vrouw in haar beroepschrift, bij wijze van nevenverzoek, zoals bedoeld in artikel 827 lid 1 sub f Rv, verzocht om betaling aan haar van € 52.269,- vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 20 oktober 2011 tot aan de algehele voldoening.

Het convenant

12.

De man stelt in zijn incidenteel appel dat de vrouw bij convenant van 9 juni 1999 (volgens de vrouw gedateerd 14 juli 1999) heeft verklaard definitief af te zien van het mogelijke recht op alimentatie tegen een afkoopsom van ƒ 25.000,-. Om die reden heeft de man het hof verzocht om de bestreden beschikking te vernietigen en de vrouw in haar verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren althans de te betalen vordering ter zake alimentatie vast te stellen op € 25.000,-. Het hof heeft ter zitting de man op het verschil in munteenheid gewezen, maar de man heeft daar verder niet op gereageerd, zodat het hof uitgaat van hetgeen verzocht is in het petitum.

13.

De vrouw is van mening dat de voormelde incidentele grieven geen doel kunnen treffen omdat in het verleden reeds is geprocedeerd over voormeld convenant en de rechtbank bij beschikking van 30 januari 2002 reeds (onherroepelijk) heeft geoordeeld dat het convenant voor wat betreft de gemaakte afspraken ter zake van de alimentatie is vervallen op grond van artikel 1:159 lid 2 BW. Volgens de vrouw heeft de man dit oordeel van de rechtbank nimmer inhoudelijk betwist en heeft hij tegen dit inhoudelijke oordeel ook thans geen grief ingediend.

14.

In de beschikking van 30 januari 2002 heeft de rechtbank overwogen dat het convenant voor wat betreft de partneralimentatie is komen te vervallen. De overwegingen dienaangaande zijn opgenomen in het lichaam van de desbetreffende beschikking, doch in het dictum daarvan is iedere verdere beslissing aangehouden. Het betreft derhalve een tussenbeschikking nu door het dictum geen einde wordt gemaakt aan enig deel van het verzochte. Dit maakt dat de man op grond van artikel 358 lid 4 Rv tegelijkertijd met de beschikking waarvan beroep tegen deze tussenbeschikking van 30 januari 2002 dient te appelleren. Hij kan dan ook in zijn incidenteel appel worden ontvangen.

15.

Het hof begrijpt de overwegingen van de rechtbank in de beschikking van

30 januari 2002 aldus dat de partneralimentatie verder in de beoordeling van de rechtbank zal worden betrokken op grond van het feit dat het in het convenant opgenomen niet-wijzigingsbeding ongeldig is op grond van het bepaalde in artikel 1:159 lid 2 BW en er door het vonnis in de boedelscheidingszaak van 30 januari 2002 sprake is van gewijzigde omstandigheden. Tegen deze inhoudelijke overwegingen en het daaruit voortvloeiende oordeel is door de man niet gegriefd. Ook overigens is niet onderbouwd waarom dat oordeel van de rechtbank niet juist zou zijn. De enkele stelling van de man dat de vrouw aan het convenant gehouden is, is in het licht van de overwegingen van de rechtbank onvoldoende om de incidentele grief van de man te laten slagen, zodat deze zal worden verworpen.

De ingangsdatum

16.

De vrouw is van mening dat de rechtbank ten onrechte de onderhoudsverplichting met terugwerkende kracht, dat wil zeggen met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand, heeft vastgesteld. Zij stelt de bij voorlopige voorzieningen vastgestelde voorlopige bijdrage te hebben genoten en geen rekening te hebben gehouden met een eventuele terugbetalingsverplichting. De vrouw geeft aan dat zij door een dergelijke verplichting in grote financiële moeilijkheden zal raken.

17.

De man stelt zich op het standpunt dat de rechtbank terecht de ingangsdatum heeft gesteld op de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Hij meent dat de vrouw de teveel ontvangen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud aan hem dient terug te betalen. Zij heeft volgens de man voldoende vermogen om aan haar terugbetalingsverplichting te kunnen voldoen.

18.

Het hof ziet in hetgeen de vrouw heeft aangevoerd geen aanleiding de bijdrage van de man in de kosten van het levensonderhoud van de vrouw te laten ingaan op een andere datum dan de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand (te weten:

25 juli 2000). Het inleidende verzoek van de vrouw dateert van 17 december 1999 zodat het in de rede ligt om als ingangsdatum de datum van ontbinding van het huwelijk te nemen van 25 juli 2000. Een eerdere datum is immers wettelijk niet mogelijk en over de periode daarna is nog geen definitieve beslissing gegeven. De vrouw had gelet hierop rekening kunnen en moeten houden met deze ingangsdatum en een daaraan verbonden eventuele terugbetalingsverplichting. Zij was er immers van op de hoogte dat de door haar ontvangen bijdrage een voorlopige bijdrage betrof, die in een later stadium nog in gewijzigde vorm definitief kon worden vastgesteld. Het hof handhaaft de door de rechtbank gehanteerde ingangsdatum, zodat de grief van de vrouw faalt.

De behoefte van de vrouw aan een bijdrage van de man

19.

De rechtbank heeft de behoefte van de vrouw voor zover daarin niet door eigen inkomsten wordt voorzien, conform het (gewijzigde) verzoek van de vrouw (bij brief van 20 juni 2011) op een bedrag van fl. 2.000,- (€ 907,-) gesteld, te weten de bijdrage die bij de beschikking voorlopige voorzieningen van 2 februari 2000 is opgelegd. Het hof merkt op dat de vrouw daartegen in hoger beroep geen grieven heeft gericht. De vrouw heeft weliswaar in hoger beroep haar eis gewijzigd, doch dit maakt naar het oordeel van het hof niet dat daarmee tevens de behoefte van de vrouw is gewijzigd. Het hof zal dan ook uitgaan van de behoefte waarvan de rechtbank is uitgegaan.

De draagkracht van de man

De inkomsten uit verhuur bedrijfspand

20.

Het hof is - met de vrouw - van oordeel dat de rechtbank bij de beoordeling van de draagkracht van de man over de periode van 25 juli 2000 tot 1 december 2001 ten onrechte geen rekening heeft gehouden met fictieve inkomsten van de man uit verhuur van het bedrijfspand aan [adres].

21.

Van belang voor het hof is daarbij het volgende. In de te beoordelen periode bestond er een behoorlijke wachttijd voor het verhuren van bedrijfspanden op de locatie waar het bedrijfspand van de man gelegen was. Uit de door de man overgelegde brief van DTZ [naam] Winkels van 14 september 2000 blijkt een gemiddelde doorlooptijd vanaf 1996 van 339 dagen, zijnde ongeveer een jaar, en een gemiddelde doorlooptijd van 409 dagen op de peildatum 6 september 2000. Uit de stukken blijkt dat het bedrijfspand heeft leeg gestaan vanaf 1 april 1999 tot 1 december 2001.

22.

Gelet op de ingangsdatum moet worden beoordeeld of vanaf 25 juli 2000 rekening moet worden gehouden met fictieve inkomsten uit verhuur van het desbetreffende bedrijfspand aan de zijde van de man. De periode van 1 april 1999 tot 25 juli 2000 is, gelet op genoemde brief van DTZ [naam] Winkels aanmerkelijk langer dan gebruikelijk was, zonder dat de man daar voldoende overtuigende redenen voor heeft aangevoerd. Integendeel, het is naar het oordeel van het hof voldoende aannemelijk geworden dat de man welbewust te lang heeft stil gezeten met als gevolg dat hij inkomsten uit verhuur heeft gemist. Hij heeft immers - zo blijkt uit het proces-verbaal van de zitting bij de rechtbank van 20 juni 2000 - bewust een te hoge huurprijs gevraagd omdat hij het pand liever wilde verkopen. Door deze hoge huurprijs moest het pand aantrekkelijker worden voor potentiële kopers en heeft de man het mislopen van huurinkomsten daarbij geaccepteerd. Het hof is van oordeel dat deze keuze niet ten laste mag komen van de onderhoudsverplichting van de man ten opzichte van de vrouw. Het hof zal over de periode van 25 juli 2000 tot 1 december 2001 dan ook rekening houden met een bedrag van € 20.420,- per jaar aan inkomsten uit verhuur bedrijfspand. Daarbij sluit het hof aan bij de inkomsten uit verhuur bedrijfspand, zoals die door de man vanaf 1 december 2001 zijn gegenereerd.

23.

Deze grief van de vrouw treft derhalve doel, zodat het hof de stellingen van de vrouw aangaande het deskundigenonderzoek verder onbesproken zal laten.

24.

De man heeft in zijn incidenteel appel voorts gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank om over de jaren 2006, 2007 en 2008 uit te gaan van volledige inkomsten uit verhuur van het bedrijfspand. De man heeft deze grieven niet nader toegelicht en heeft evenmin nieuwe stellingen of weren dienaangaande in het geding in hoger beroep ingebracht. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op goede gronden van de volledige huurinkomsten in de genoemde jaren is uitgegaan en neemt het oordeel van de rechtbank en de onderbouwing daarvan, na eigen onderzoek, over en maakt dit oordeel tot de zijne. De grief van de man faalt dan ook.

De verkoop van het bedrijfspand

25.

De man heeft op 24 november 2010 het bedrijfspand aan [adres] verkocht voor een bedrag van € 300.000,-. De rechtbank heeft geoordeeld dat de man met de verkoop van het bedrijfspand geen zorgvuldigheidsnorm jegens de vrouw heeft geschonden. Bij dat oordeel heeft de rechtbank betrokken dat de man gelet op zijn schulden en zijn inkomsten door de verkoop zijn vermogen te gelde heeft gemaakt om aan zijn verplichtingen te kunnen voldoen. De man heeft daarnaast de pensioengerechtigde leeftijd bereikt en was ook daarom gerechtigd zijn vermogen liquide te maken. De vrouw heeft tegen dit oordeel van de rechtbank gegriefd.

26.

De vrouw stelt zich allereerst op het standpunt dat de schulden van de man zonder noodzaak zijn aangegaan en dat hem daarvan een verwijt valt te maken. De man heeft dit betwist.

27.

Het hof verwerpt dit onderdeel van de grief van de vrouw. Duidelijk is geworden dat de schuld is ontstaan uit een zakelijk conflict dat de man als verhuurder met zijn voormalige huurders heeft gehad. De man is daarbij in het ongelijk gesteld en veroordeeld tot het betalen van een schadevergoeding aan de voormalige huurders. Dat de man in rechte heeft getracht zijn gelijk te krijgen, maakt niet dat deze zakelijke schuld zonder noodzaak en verwijtbaar is aangegaan. De man heeft voorts uit de vrijgekomen gelden na verkoop van het bedrijfspand achterstallige alimentatie betaald en een bedrag in depot gezet ten behoeve van de vrouw in verband met toekomstige alimentatietermijnen. Ook deze schuld is niet zonder meer verwijtbaar en zonder noodzaak gelet op de onderhavige alimentatieprocedure waarin de man zijn draagkracht betwist. Het hof is van oordeel dat, gelet op alle omstandigheden van het geval, het ontstaan van de voornoemde schulden geen schending van een zorgvuldigheidsnorm jegens de vrouw oplevert.

28.

Volgens de vrouw beschikt de man voorts over voldoende vermogen om zijn schulden te kunnen aflossen. De verkoop van het bedrijfspand was daarvoor niet nodig. Zij heeft daarbij gewezen op het feit dat de man in zijn aangifte IB het bedrijfspand niet heeft opgegeven als vermogen in box 3. De man heeft daardoor onduidelijkheid geschapen over zijn vermogen nu duidelijk is dat de man dit vermogensbestanddeel wel in bezit heeft gehad. De man heeft betwist over een substantieel vermogen te beschikken. De man heeft voorts verwezen naar een afspraak met de Belastingdienst waaruit volgt dat hij zijn bedrijfspand niet als

box 3 vermogen behoefde op te geven.

29.

Het hof verwerpt dit onderdeel van de grief van de vrouw. Duidelijk is uit de informatie van de Belastingdienst dat de man al een aantal jaren niet meer over substantieel vermogen beschikt. De Belastingdienst heeft de man dan ook schriftelijk bevestigd bij brief van 1 november 2011 dat hij sinds 2006 en tot en met 2010 het bedrijfspand niet langer als vermogen behoefde op te geven. Onder deze omstandigheden kan niet anders dan geoordeeld worden dat de man voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij onvoldoende vermogen bezit om daaruit voornoemde schulden te voldoen, zodat de verkoop van het bedrijfspand in dat licht bezien geen zorgvuldigheidsnorm jegens de vrouw heeft geschonden.

30.

De vrouw acht ook het prijsgeven na het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van de huurinkomsten van € 30.000,- per jaar onzorgvuldig gelet op de onderhoudsverplichting van de man. Deze inkomsten vullen zijn AOW-uitkering zodanig aan dat er draagkracht aan zijn zijde blijft om een alimentatie aan de vrouw te betalen. Door het wegvallen van deze inkomsten wordt zijn draagkracht aangetast. De man betwist dat hij onzorgvuldig jegens de vrouw heeft gehandeld.

31.

Het hof acht het - met de rechtbank - niet in strijd met de door de man in acht te nemen zorgvuldigheid jegens de vrouw dat hij onder de gegeven omstandigheden op 65-jarige leeftijd het bedrijfspand heeft verkocht. Het hof neemt na eigen onderzoek het oordeel van de rechtbank dienaangaande over en maakt het tot de zijne, zodat ook dit onderdeel van de grief van de vrouw faalt.

De lasten van het bedrijfspand

32.

De vrouw heeft bezwaar gemaakt tegen de door de rechtbank in de draagkrachtberekening van de man meegenomen rente- en aflossingskosten van het bedrijfspand. Voor het jaar 2000 heeft de vrouw haar grief niet nader toegelicht, doch slechts gesteld dat de lasten niet zijn onderbouwd. Anders dan de vrouw is het hof van oordeel dat de man deze lasten voldoende heeft onderbouwd door overlegging van het hypotheekoverzicht van de Rabobank over het jaar 2000, waar de door de rechtbank meegenomen lasten uit volgen, namelijk een bedrag aan rente van ƒ 4.605,- (€ 2.093,-) en aan aflossing van ƒ 5.600,-

(€ 2.545,-).

33.

De vrouw heeft tevens gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank om een bedrag aan overige kosten verhuur van € 386,- per maand in de draagkrachtberekening te betrekken. De rechtbank heeft deze kosten in de draagkrachtberekening van de man over het jaar 2000 en 2001 onder 'overige kosten' meegenomen. Het hof is het met de vrouw eens dat deze kosten - die op jaarbasis € 4.632,- bedragen - door de man onvoldoende zijn toegelicht en onderbouwd, zodat het hof deze lasten niet mee zal nemen in zijn beoordeling.

34.

Voor wat betreft het jaar 2002 verwerpt het hof de grief van de vrouw. De rechtbank heeft in de draagkrachtberekening van de man rekening gehouden met een bedrag aan rente en kosten voor het bedrijfspand van € 7.177,-, bestaande uit een bedrag aan rente van € 2.957,- en aan aflossing van € 4.220,-. Uit het overzicht van de Rabobank over het jaar 2002 blijkt dat dit de lasten voor de echtelijke woning waren en niet voor het bedrijfspand. Echter uit dat zelfde overzicht blijkt dat voor het bedrijfspand een bedrag van € 1.831,- aan rente en

€ 5.600,- aan aflossing is betaald, zijnde tezamen € 7.431,-. Dit bedrag is hoger dan het door de rechtbank in aanmerking genomen bedrag, zodat het hof van dit laatste bedrag uit zal blijven gaan, nu de man hier niet tegen heeft gegriefd. De vrouw heeft voorts aangegeven dat met de aflossing op de hypotheek van het bedrijfspand geen rekening dient te worden gehouden, omdat deze lasten niet uit het inkomen van de man dienen te worden betaald maar uit zijn vermogen. Het hof verwerpt die grief nu uit de stukken naar voren komt dat ook in de jaren hieraan voorafgaand de man deze lasten immer uit zijn inkomen heeft voldaan en niet gesteld dan wel onderbouwd is waarom daar in het jaar 2002 vanaf dient te worden geweken.

35.

De vrouw heeft eveneens gegriefd dat over het jaar 2003 ten onrechte een bedrag aan € 564,- (het hof begrijpt: € 1.564,-) aan rente en € 1.170,- aan aflossing is meegenomen door de rechtbank als rente en kosten bedrijfspand. Door de rechtbank is in de draagkrachtberekening van de man uitgegaan van een bedrag van € 3.834,- aan rente en kosten. Uit het door de man overgelegde hypotheekoverzicht van de Rabobank blijkt dat hij in 2003 een bedrag aan rente van € 1.564,- en € 1.906,- aan aflossing, zijnde tezamen € 3.470,- , heeft betaald. Nu de vrouw in haar grief niet aan de orde stelt van welke bedragen dient te worden uitgegaan doch slechts stelt dat de rechtbank de verkeerde bedragen heeft gehanteerd, zal het hof van het bedrag zoals blijkt uit het hypotheekoverzicht uitgaan en de draagkrachtberekening van de man over het jaar 2003 in zoverre aanpassen.

36.

De vrouw heeft ook gegriefd tegen de door de rechtbank meegenomen hypotheeklasten van het bedrijfspand over het jaar 2005. Uitgaande van het hypotheekoverzicht van de Rabobank over 2005 is er een rente betaald van

€ 1.742,- en een aflossing van € 3.958,-, zijnde tezamen € 5.700,-. Nu de rechtbank uitgegaan is van een lager bedrag aan rente en aflossing dan blijkt uit het hypotheekoverzicht, faalt de grief van de vrouw. Nu de man hier niet tegen gegriefd heeft, zal het hof uitgaan van de door de rechtbank genoemde bedragen aan rente en aflossing.

37.

Met de rechtbank is het hof voorts van oordeel dat de kosten van € 4.759,- voldaan aan Aannemingsbedrijf J. de Jong B.V. en van € 357,- voldaan aan Visser Dakbedekkingsbedrijf, in verband met uitgevoerde reparatiewerkzaamheden aan het bedrijfspand, in het jaar 2005 in mindering op de huurinkomsten van de man moeten worden gebracht. Het hof acht het niet redelijk de huurinkomsten in de draagkrachtberekening op te nemen, maar niet de door de man te maken onderhoudskosten om die inkomsten te verwerven. De grief van de vrouw dat de man deze kosten uit zijn vermogen moet dragen en deze niet ten laste van de huurinkomsten mogen komen, zal het hof dan ook verwerpen.

38.

Voor wat betreft de rente en aflossing van de hypotheek van het bedrijfspand over de jaren 2006 en 2007 is het hof van oordeel dat de rechtbank de juiste bedragen in aanmerking heeft genomen, gelet op het hypotheekoverzicht van de Rabobank over de jaren 2006 en 2007 zodat de grieven van de vrouw dienaangaande eveneens falen.

39.

De vrouw heeft voorts gegriefd tegen de door rechtbank meegenomen hypotheeklasten van het bedrijfspand over de jaren 2008, 2009 en 2010. De vrouw bestrijdt de juistheid van de door de rechtbank in acht genomen bedragen in 2008 en 2010 wegens gebrek aan onderbouwing door de man. De vrouw maakt voorts bezwaar tegen het door de rechtbank in aanmerking genomen bedrag van respectievelijk € 3.177,- , € 8.464,- en € 10.594,- aan aflossing. Zij stelt dat de noodzaak tot dergelijke hoge aflossingen ontbreekt. De man betwist dat.

40.

Voor wat betreft de juistheid van de door de rechtbank in acht genomen bedragen overweegt het hof als volgt. Uit het jaaroverzicht van de Rabobank over het jaar 2008 volgen de bedragen die de rechtbank heeft meegenomen aan rente en aflossing op de hypotheek van het bedrijfspand. De grief van de vrouw hieromtrent faalt dan ook. Voor wat betreft haar stelling dat het bedrag aan aflossing in vergelijking met andere jaren substantieel afwijkt en de noodzaak daartoe ontbreekt volgt het hof haar evenmin. Over de voorliggende jaren zijn bedragen van ongeveer € 1.100,- tot boven de € 4000,- afgelost en daar valt het aflossingsbedrag binnen. Van een substantiële afwijking is dan ook geen sprake, zodat de grief reeds hierom faalt.

41.

De man geeft omtrent de aflossing op de hypotheek van het bedrijfspand in 2009 en in 2010 aan dat hij de rente en aflossingen van het pand nauwelijks meer kon opbrengen en daarom na de verkoop van het pand van zijn moeder tot vervroegde aflossing is overgegaan. Het hof volgt de man daarin over het jaar 2009 omdat dit een redelijke afweging van de man is. Op deze wijze kon hij zijn maandlasten verlagen en dat is onder de gegeven omstandigheden - geen vermogen en relatief weinig inkomen - te rechtvaardigen.

42.

Voor wat betreft het jaar 2010 zal het hof eveneens voor de hoogte van de aflossing aansluiting zoeken bij het hypotheekoverzicht van de Rabobank over 2009. Daaruit volgt dat de man in 2010 een bedrag van € 9.324,- heeft afgelost in plaats van € 10.594,-. De grief van de vrouw slaagt in zoverre. Evenals de rechtbank acht het hof het redelijk en billijk om - naast de rente van € 310,- die de rechtbank tot uitgangspunt heeft genomen - met dit bedrag van € 9.324,- , dat deels ter algehele aflossing heeft gediend, rekening te houden bij de draagkrachtberekening van de man. De grief van de vrouw zal in zoverre worden afgewezen.

De echtelijke woning

43.

De vrouw heeft gegriefd tegen de door de rechtbank in de draagkrachtberekening van de man meegenomen lasten voor de echtelijke woning in het jaar 2000. Zij stelt dat deze lasten niet juist zijn, de man betwist dat.

44.

De rente en aflossing over het jaar 2000 heeft volgens het hypotheekoverzicht van de Rabobank over dat jaar ƒ 7.819,- (€ 3.554,-) en ten minste ƒ 4.650,-

(€ 2.113,-) bedragen. De rechtbank is bij haar beoordeling ook van deze bedragen uitgegaan zodat de grief van de vrouw dienaangaande geen doel treft.

De woonlasten van de woning van de man en zijn toenmalige partner

45.

De woonlasten van de gezamenlijke woning van de man en zijn toenmalige partner heeft de vrouw voor het jaar 2003 betwist. Zij stelt dat de samenwoning van de man en zijn toenmalige partner reeds in 2002 was geëindigd. De man heeft het beëindigen van de samenwoning in 2003 betwist.

46.

Duidelijk is dat de man samen met zijn toenmalige partner een hypotheek heeft afgesloten voor hun gezamenlijke woning. Deze hypotheek staat blijkens het overgelegde overzicht op hun beider naam en zij worden hier beiden financieel verantwoordelijk voor gehouden. In dat licht bezien is de vraag of de man in 2003 nog daadwerkelijk met zijn toenmalige partner samenwoonde minder van belang dan de vraag of zij beiden financieel verantwoordelijk waren voor de woonlasten. Nu dit het geval is geweest, zal het hof evenals de rechtbank deze woonlasten betrekken bij de berekening van de draagkracht van man over 2003.

Aflossingen hypotheek bedrijfspand uit vermogen

47.

De vrouw heeft er over geklaagd dat de rechtbank ten onrechte de aflossingen op de hypotheek van het bedrijfspand heeft laten drukken op het inkomen van de man terwijl hij deze uit zijn vermogen had moeten voldoen en derhalve niet in zijn draagkrachtberekening had moeten worden betrokken. Het hof volgt de vrouw daarin niet. Duidelijk blijkt uit de draagkrachtberekeningen van de rechtbank dat zij met het inkomen uit box 3 - en daarmee met de hoogte van het vermogen - rekening heeft gehouden voor zover er van een dergelijk inkomen sprake was. Reeds hierom kan de grief van de vrouw niet slagen. Voor zover de vrouw met dit standpunt heeft willen uitdrukken dat de man op zijn vermogen had moeten interen om de hypotheekaflossingen te voldoen, volgt het hof haar daarin evenmin, reeds vanwege het feit dat dit ook ten tijde van het huwelijk van partijen niet het geval is geweest en de vrouw ook niet heeft onderbouwd waarom dat thans wel het geval zou moeten zijn.

De omgangskosten

48.

De vrouw bestrijdt dat de man in de jaren 2005, 2006, 2007 en 2008 omgang heeft gehad met zijn dochter en maakt bezwaar tegen het rekening houden met een bedrag van € 20,- per maand aan omgangskosten bij de berekening van de draagkracht van de man. De man heeft aangegeven zijn dochter nog regelmatig te zien.

49.

Het hof acht de door de man opgevoerde omgangskosten van € 20,- per maand, waarmee ook de rechtbank rekening heeft gehouden, alleszins redelijk. In het kader van de beoordeling van de alimentatie ten behoeve van de vrouw gaat het hof uit van een reguliere omgangsregeling van de man met zijn dochter, zodat met een bedrag van € 20,- per maand rekening zal worden gehouden bij de draagkrachtberekening van de man. Dat de man wellicht feitelijk minder omgang met zijn dochter heeft, doet hier niet aan af.

de AOW-uitkering

50.

De vrouw heeft gegriefd dat de rechtbank ten onrechte over het jaar 2006 alleen een bedrag aan AOW-uitkering heeft meegenomen. Uit de bestreden beschikking en de daarbij behorende draagkrachtberekening van de man over het jaar 2006 blijkt dat de stelling van de vrouw niet juist is, nu de rechtbank ook het inkomen dat de man uit verschillende uitkeringen alsmede met huurinkomsten uit het bedrijfspand heeft rekening gehouden bij de bepaling van de draagkracht van de man. De grief faalt.

Het eigen risico zorgverzekering

51.

De vrouw heeft bezwaar gemaakt tegen het meenemen van het eigen risico zorgverzekering van de man over de jaren - zo begrijpt het hof - 2005 tot en met 2010 nu dit onvoldoende onderbouwd is. De man heeft aangegeven dat hij al jaren chronisch ziek is en in verband daarmee zijn eigen risico elk jaar verbruikt. Ter onderbouwing heeft hij een medische verklaring overgelegd.

52.

Het hof acht voldoende aannemelijk dat de man zijn eigen risico zorgverzekering elk jaar verbruikt gelet op de chronische en progressieve vorm van artrose waaraan de man lijdt, zoals blijkt uit de door hem overgelegde en onvoldoende weersproken medische verklaring van zijn huisarts van 15 juli 2010. De grief van de vrouw slaagt niet.

Het vermogen

53.

De vrouw heeft betoogd dat de rechtbank bij het vaststellen van de partneralimentatie ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het vermogen van de man. De vrouw wijst erop dat zij herhaaldelijk om inzicht in het vermogen van de man heeft gevraagd. Zo heeft zij er op gewezen dat de man aanzienlijke onderhoudskosten heeft gemaakt voor het bedrijfspand aan [adres]. Dat alleen al impliceert een aanzienlijk vermogen. De man had in het verleden ook een aanzienlijk vermogen bestaande uit de activa van zijn onderneming, een aanzienlijke effectenportefeuille en een dure BMW. Verder heeft de man een bedrijfspand (gehad) dat tijdens de procedure in waarde is vermeerderd van

€ 70.000,- tot € 300.000,- en heeft de man erfenissen ontvangen. De moeder van de man is in juni 2011 overleden en daarvoor heeft de man reeds een (onverdeeld) aandeel gekregen in de verkoop van het appartement in [woonplaats]. De man heeft ook een erfenis van een tante ontvangen. De vrouw heeft er herhaaldelijk bij de rechtbank op aangedrongen rekening te houden met het vermogen van de man en gesteld dat van hem verlangd mag worden dat hij dit vermogen inzet om aan haar partneralimentatie te betalen. Dit geldt in ieder geval na de verkoop van het bedrijfspand in 2010 indien het wegvallen van de huurinkomsten door het hof worden geaccepteerd. In ieder geval kan verwacht worden van de man dat hij een gedeelte van die opbrengst, te weten € 27.500,-, aanwendt voor het betalen van alimentatie, aldus de vrouw.

54.

De man geeft aan in het verleden inderdaad over vermogen te hebben beschikt, maar inmiddels is daar al geruime tijd geen sprake meer van. De man heeft nooit een effectenportefeuille gehad, de auto is in 1998 aangeschaft en inmiddels ter ziele. De erfenis van zijn moeder bedroeg € 700,- en verdere erfenissen heeft de man nooit ontvangen. De opbrengst van de verkoop van de woning is opgegaan aan nota’s, net als de rest van zijn vermogen, onder meer door het handelen van de vrouw.

55.

De rechtbank heeft bij de berekening van de draagkracht van de man rekening gehouden met inkomsten uit vermogen in de periodes dat de man over vermogen beschikte. Het hof begrijpt de grief van de vrouw dan ook aldus dat van de man verwacht mag worden dat hij daarnaast inteert op zijn vermogen om aan haar partneralimentatie te voldoen. In bepaalde gevallen kan dat inderdaad van een onderhoudsplichtige worden verlangd, maar dat is slechts in die gevallen waarin de omstandigheden daar aanleiding toe geven. Het hof is van oordeel dat daar in het onderhavige geval geen sprake van is. De man heeft reeds geruime tijd aan zijn onderhoudsverplichting jegens de vrouw voldaan, waarbij rekening is gehouden met inkomsten aan de kant van de man uit diverse bronnen, waaronder zijn vermogen. Het hof acht het in strijd met de redelijkheid en billijkheid, daar waar de vrouw zelf over vermogen beschikt, de man zijn eventuele vermogen daarnaast op een zodanige wijze aan te laten wenden dat hij daar op inteert. De vrouw zal eerst zelf haar vermogen moeten aanspreken in het onderhavige geval voordat zij een beroep doet op de man.

Conclusie

56.

Het voorgaande leidt ertoe dat de door de rechtbank gehanteerde draagkrachtberekeningen van de man over de jaren 2000, 2001 en 2010 dienen te worden aangepast. De draagkrachtberekening over 2003 zal niet worden aangepast nu de man zonder deze aanpassing reeds over voldoende draagkracht beschikt om het door de rechtbank bepaalde bedrag, dat overeenkomstig de geïndexeerde behoefte van de vrouw is, te betalen. De overige draagkrachtberekeningen van de man zullen eveneens worden gehandhaafd.

57.

Dit houdt in dat de man in staat wordt geacht om - de (geïndexeerde) behoefte van de vrouw daarbij in acht nemend - over de periode van 25 juli 2000 tot 1 januari 2001 een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw te betalen van € 907,- per maand, over de periode van 1 januari 2001 tot 1 januari 2002 een bedrag van

€ 930,- per maand en over de periode van 1 januari 2010 tot 1 januari 2011 een bedrag van € 1.164,- per maand.

De aanvullende vordering van de vrouw

58.

De vrouw grieft tegen het oordeel van de rechtbank inhoudende dat haar aanvullende vordering, die zij baseert op art. 827 lid 1, onder f van het Wetboek van Rechtsvordering (Rv), in strijd met de goede procesorde bij brief van

10 januari 2012 in de procedure is gebracht en door de rechtbank niet in de beoordeling is betrokken. Ook maakt zij bezwaar tegen het oordeel van de rechtbank dat dit aanvullende verzoek niet thuishoort in deze procedure.

59.

De man heeft er op gewezen dat - indien het verzoek als nevenvoorziening moet worden beschouwd - deze een kwestie moet betreffen van tamelijk eenvoudige aard. De vrouw heeft gesteld dat de man opzettelijk een vermogensbestanddeel heeft verzwegen, hetgeen hij betwist, en deze kwestie kan niet als eenvoudig van aard worden beschouwd zodat reeds om die reden het verzoek van de vrouw moet worden afgewezen.

60.

Voor zover de vrouw er een beroep op heeft gedaan dat in eerste aanleg de rechtbank ten onrechte haar aanvullend verzoek in strijd met de goede procesorde heeft geacht en deswege niet in de beoordeling heeft betrokken, heeft zij bij beoordeling in hoger beroep van die klacht geen belang. Immers in de procedure in hoger beroep is de vrouw in de gelegenheid gesteld haar aanvullende verzoek ten volle aan het hof voor te leggen, zodat haar grief in zoverre faalt.

61.

Het hof is voorts van oordeel dat de grief van de vrouw voor het overige ook faalt. Vast staat dat de man bij zijn verweerschrift in eerste aanleg een zelfstandig verzoek heeft gedaan ex art. 827 lid 1, onder b Rv, inhoudende dat hij heeft verzocht om afwikkeling van de huwelijksgoederen verhouding. De vrouw heeft zich in haar verweerschrift op zelfstandig verzoek gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank op dit punt. Bij beschikking van 2 augustus 2000 heeft de rechtbank het zelfstandig verzoek van de man verstaan als een gemeenschappelijk verzoek van partijen om hen te gelasten over te gaan tot verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van partijen voor zover deze bestaat en dit verzoek voorts toegewezen onder benoeming van een notaris en een advocaat als onzijdig persoon. Tegen deze beslissing is door geen van partijen geappelleerd. Hiermee is door de rechtbank reeds onherroepelijk beslist op een verzoek van beide partijen op grond van art. 827 lid 1, onder b Rv. Daarnaast is het via een dagvaardingsprocedure, aan de hand van het arrest van het hof Leeuwarden van 20 april 2010, tot een onherroepelijke vermogensrechtelijke afhandeling gekomen. De vrouw vraagt nu aanvulling dan wel wijziging van deze beslissingen. Daarvoor is art. 827 Rv niet de juiste weg.

62.

Het onderhavige aanvullende verzoek van de vrouw wordt voorts door haar gebaseerd op art. 827 lid 1, onder f Rv, maar gelet op de inhoud van het verzoek acht het hof dit een verzoek ex art. 827 lid 1, onder b Rv. Het betreft immers een kwestie van verdeling c.q. verrekening in het kader van het huwelijksgoederenrecht. Gelet op het voorgaande moet dit verzoek thans beschouwd worden als een verzoek dat voor het eerst in hoger beroep is gedaan zodat ook de bepaling van art. 362 Rv aan een beoordeling van dit verzoek in de weg staat.

63.

Ook indien daarvan geen sprake zou zijn zou het verzoek worden afgewezen omdat een verzoek ex art. 827 Rv niet tot onnodige vertraging van de procedure mag leiden. Gelet op het feit dat het inleidend verzoek tot echtscheiding door de vrouw in 1999 is ingediend, het huwelijk van partijen op 25 juli 2000 is ontbonden en de termijn van twaalf jaren waarop een onderhoudsplicht reeds op 25 juli 2012 is geëindigd, acht het hof het aanvullende verzoek van de vrouw in dit stadium van de procedure onnodig vertragend. Ook op die grond zou het aanvullend verzoek worden afgewezen.

De terugbetalingsverplichting van de vrouw

64.

Het hof is van oordeel dat het, gelet op haar vermogen, van de vrouw gevergd kan worden dat zij de teveel ontvangen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud aan de man terug betaalt. De wijze van besteding van de bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud, doet daaraan niet af.



De proceskosten

65.

Daar partijen beiden in het gelijk en het ongelijk zijn gesteld, ziet het hof geen aanleiding om af te wijken van hetgeen in zaken als de onderhavige gebruikelijk is, namelijk om de proceskosten tussen partijen te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

Slotsom

66.

Het vorenstaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking gedeeltelijk zal worden vernietigd. Het hof zal beslissen als na te melden.

De beslissing

Het gerechtshof:

vernietigt de beschikking waarvan beroep voor zover het betreft de vaststelling van een door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in haar levensonderhoud over de periode van 25 juli 2000 tot 1 januari 2001, de periode van 1 januari 2001 tot 1 januari 2002 en de periode van 1 januari 2010 tot 1 januari 2011;

en in zoverre opnieuw beslissende:

bepaalt de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in haar levensonderhoud over de periode van 25 juli 2000 tot 1 januari 2001 op € 907,- per maand, van

1 januari 2001 tot 1 januari 2002 op € 930,- per maand en van 1 januari 2010 tot

1 januari 2011 op € 1.164,- per maand;

verklaart deze beschikking tot zoverre uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige;

compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.H. Garos, mr. I.A. Vermeulen en

mr. H. van Lokven-van der Meer, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 5 september 2013 in bijzijn van de griffier.