Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:6886

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
13-09-2013
Datum publicatie
20-09-2013
Zaaknummer
200.132.379-01
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Wraking
Inhoudsindicatie

Wrakingskamer. Afwijzing wrakingsverzoeken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Beschikking d.d. 13 september 2013

Rekestnummer 200.132.379/01

Parketnummer strafzaak 24-001188-11

HET GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

Locatie Leeuwarden

Wrakingskamer

Beschikking in de zaak van

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] ([land]) op [geboortedatum],

blijkens de ID-staat SKDB d.d. 22 augustus 2013 per 13 juni 2012 ‘vertrokken

onbekend waarheen’,

verzoeker in het wrakingsincident,

raadsvrouw mr. T. Arkesteijn, advocate te Rotterdam,

strekkende tot wraking van:

mr. G. Dam, mr. G.M. Meijer-Campfens en mr. T.H. Bosma,

raadsheren in dit hof,

verweerders in het wrakingsincident.

Het verloop van de procedure

In de strafzaak met parketnummer 24-001188-11 heeft de meervoudige strafkamer van het hof, bestaande uit mrs. G.M. Meijer-Campfens, voorzitter, G. Dam en T.H. Bosma, raadsheren, op 22 augustus 2013 zitting gehouden. Dit betrof een regiezitting.

Op die zitting is door de raadsvrouw mondeling zowel een voorwaardelijk als een onvoorwaardelijk wrakingsverzoek gedaan. Het proces-verbaal van die zitting bevindt zich bij de stukken. Blijkens dit proces-verbaal heeft mr. Dam ten aanzien van het jegens hem ingediende onvoorwaardelijke wrakingsverzoek direct kenbaar gemaakt dat hij niet berust in deze wraking. Per brief d.d. 22 augustus 2013 heeft de raadsvrouw een verzoek tot wraking gedaan van mrs. Meijer-Campfens, Dam en Bosma. De wrakingskamer heeft daarnaast kennis genomen van de schriftelijke reacties op de wrakingsverzoeken van mr. Dam d.d. 26 augustus 2013 en mr. Meijer-Campfens d.d. 27 augustus 2013. De voorzitter heeft mede namens de andere verweerders schriftelijk kenbaar gemaakt dat zij niet berusten in de wraking. Mr. Dam heeft te kennen gegeven geen gebruik te maken van het recht om ter terechtzitting te worden gehoord.

De wrakingskamer heeft voorts kennis genomen van de schriftelijke reactie van de advocaat-generaal, ontvangen op 2 september 2013. De advocaat-generaal heeft aangegeven geen behoefte te hebben om te worden gehoord en niet bij de behandeling van het wrakingsverzoek ter zitting aanwezig te zullen zijn.

De wrakingsverzoeken zijn behandeld ter terechtzitting van de wrakingskamer op 4 september 2013. Verschenen is mr. Arkesteijn. Zij heeft het wrakingsverzoek mondeling toegelicht.

Gelet op voornoemde schriftelijke stukken en de mondelinge toelichting van de raadsvrouw stelt het hof vast dat in onderhavige beschikking aan de orde zijn de volgende wrakingsverzoeken:

 Een ter zitting gedaan verzoek tot wraking van de oudste raadsheer mr. Dam

 Een per brief gedaan verzoek tot wraking van mrs. Meijer-Campfens, Dam en Bosma.

De beoordeling

De ontvankelijkheid van de verzoeken

De wrakingskamer acht de verzoeken tijdig gedaan en acht verzoeker ook overigens ontvankelijk.

De gang van zaken voor zover hier van belang

De wrakingskamer stelt met betrekking tot de gang van zaken in hoger beroep voor zover hier van belang het volgende vast en baseert zich daarbij op het proces-verbaal met bijlagen van de zitting van 22 augustus 2013, de brief van de raadsvrouw d.d. 22 augustus 2013, de schriftelijke reacties van de advocaat-generaal en de raadsheren en op de mondelinge toelichting van de raadsvrouw ter zitting van de wrakingskamer.

De zitting van 22 augustus 2013, waar de onderhavige wrakingszaak op ziet, betrof een zogenoemde regie-zitting.

Naast de zaak van verdachte, is een aantal strafzaken van medeverdachten aanhangig bij het hof. In die andere zaken heeft reeds eerder een regiezitting plaatsgevonden, waar de advocaten van medeverdachten onderzoekswensen kenbaar hebben gemaakt en waarop het hof reeds heeft beslist. De raadsvrouw heeft haar onderzoekswensen in de aanloop naar de zitting op 22 augustus 2013 schriftelijk kenbaar gemaakt aan het hof. Ter zitting d.d. 22 augustus 2013 heeft de raadsvrouw desgevraagd aangegeven dat zij niet op de hoogte is van de onderzoekswensen van de andere raadslieden. Door de voorzitter werd vervolgens medegedeeld dat er in de andere zaken ook onderzoekswensen naar voren waren gebracht, dat er was verzocht om het horen van dezelfde getuigen als waar de raadsvrouw om verzocht en dat die verzoeken waren afgewezen. Ook deelde de voorzitter mede dat bij gelijkluidende verzoeken, gelijkluidende beslissingen zullen volgen. De voorzitter heeft desgevraagd medegedeeld dat het hof zich bij de behandeling van de onderzoekswensen in de zaken van de medeverdachten in dezelfde samenstelling bevond. Tijdens de zitting heeft de raadsvrouw vervolgens een verzoek gedaan om aanhouding teneinde na te gaan wat de verzoeken, gedaan in de zaken van medeverdachten, inhielden. Daarna ontspon zich blijkens het proces-verbaal de volgende dialoog tussen de oudste raadsheer en de raadsvrouw:

De oudste raadsheer deelt mede - zakelijk weergegeven - :

Het verbaast me dat u zich niet eerder van de verzoeken in de andere zaken op de hoogte hebt gesteld. U wist van de regiezittingen in die zaken. Uw verzoek lijkt heel veel op de verzoeken die in de zaken van [A] en [B] zijn gedaan. Ik zeg u maar eerlijk: ik kan mij niet voorstellen dat u er niet van op de hoogte bent dat er in die zaken gelijksoortige verzoeken zijn gedaan. Er zitten heel veel overeenkomsten in de manier waarop de verzoeken zijn opgebouwd en de argumenten die zijn gebruikt. Als je ze naast elkaar legt, zie je gewoon dat de verzoeken heel erg op elkaar lijken.

De raadsvrouw verklaart - zakelijk weergegeven - :

Vraag die andere advocaten maar of wij contact hebben gehad.

De oudste raadsheer verklaart - zakelijk weergegeven - :

Nee, ik vraag het u.

De raadsvrouw antwoordt - zakelijk weergegeven - :

Het antwoord is "nee".

Ik heb dat vandaag ook al eerder gezegd. Ik vind de opmerking die u maakt een beetje ongepast. Eigenlijk vind ik het absurd. Ik zou graag willen dat u contact opneemt met die andere advocaten. Ik wil niet de schijn hebben dat ik hier een toneelstuk sta op te voeren.

De oudste raadsheer verklaart - zakelijk weergegeven - :

Ik heb mijn twijfel geuit en u antwoordt ontkennend, klaar.

De raadsvrouw verklaart - zakelijk weergegeven - :

Ik vind het onterecht dat u daarover twijfelt. Vroeger werd een advocaat nog op zijn woord geloofd, maar inmiddels zitten we geloof ik zelf in het verdachtenbankje.

Ik verzoek om wraking van de oudste raadsheer (toevoeging wrakingskamer: hierna genoemd: het eerste wrakingsverzoek). Als u zegt dat onze verzoeken zo op elkaar lijken en u mij vraagt of wij geen contact hebben gehad, dan wijst dat erop dat u voornemens bent om te doen wat u in die andere zaken ook hebt gedaan en dat u geen reden ziet om daar verder over na te denken.

Op de vraag van de voorzitter verklaart de raadsvrouw - zakelijk weergegeven-:

De grond van het wrakingsverzoek is dat de rechter de objectief gerechtvaardigde schijn van partijdigheid heeft gewekt omdat hij te kennen heeft gegeven te twijfelen aan de uitlatingen die ik heb gedaan over het wel of niet hebben van contact met andere raadslieden over het doen van verzoeken en de inhoud daarvan en de behandeling van die verzoeken. Dit wekt de schijn van partijdigheid.

Nadat de zitting korte tijd werd onderbroken deelde de voorzitter mede dat de oudste raadsheer niet in de wraking zal berusten.

De raadsvrouw vroeg daarop of het wrakingsverzoek nog kon worden uitgebreid, waarop de voorzitter meedeelde dat dit niet meer mogelijk was.

Per brief van 22 augustus 2013 heeft de raadsvrouw een verzoek gedaan tot wraking van alle leden van de strafkamer. Zij heeft aangegeven dat de (hiervoor weergegeven) uitlatingen van de oudste raadsheer in combinatie met de eerdere uitlating van de voorzitter dat bij gelijkluidende verzoeken gelijkluidende beslissingen zullen volgen na beraad een zelfstandige grond vormen voor een verzoek tot wraking van de leden van het hof (hierna aangeduid als: het tweede wrakingsverzoek).

Het standpunt van verweerders

De oudste raadsheer heeft blijkens voornoemd proces-verbaal ter zitting kenbaar gemaakt dat hij niet berust in het ter zitting gedane verzoek tot wraking. Hij heeft dit toegelicht in voornoemde schriftelijke reactie. De voorzitter heeft mede namens de andere leden van het hof eveneens in een schriftelijke reactie te kennen gegeven niet in de wraking te berusten en heeft dit standpunt toegelicht.

Mondelinge toelichting ten overstaan van de wrakingskamer door de raadsvrouw

De raadsvrouw heeft ten overstaan van de wrakingskamer op het tweede wrakingsverzoek de volgende toelichting gegeven – zakelijk weergegeven -:

Het wrakingsverzoek ziet op alle leden van het hof, omdat ik ervan uit ga dat de voorzitter de bewuste opmerking mede namens de andere raadsheren maakte. In zijn algemeenheid kun je daarvan uitgaan. Bovendien hebben de andere raadsheren niet kenbaar gemaakt dat zij zich niet achter deze opmerking schaarden.

In het algemeen is er geen grond tot wraking aanwezig wanneer een rechter in een zaak van een medeverdachte al heeft beslist op verzoeken of verweren. Dit vloeit voort uit het feit dat een rechter niet gebonden is aan eerdere beslissingen en elke zaak opnieuw zal dienen te beoordelen. In dit geval heeft het hof juist aangegeven dat in de zaak van verdachte bij gelijkluidende verzoeken als die in de zaken van medeverdachten gelijkluidend zal worden beslist als in de zaken van de medeverdachten. Daarnaast gaf de oudste raadsheer aan dat mijn verzoeken identiek waren aan de verzoeken zoals gedaan in de zaken van medeverdachten. Ik stond mijns inziens voor een voldongen feit. Uit deze uitlatingen blijkt dat sprake is van partijdigheid, dan wel vooringenomenheid van de rechter ten aanzien van mijn verzoeken tot nader onderzoek.

De beoordeling van de wrakingsverzoeken

De wrakingskamer dient te oordelen over de gronden van het wrakingsverzoek zoals deze blijken uit de hiervoor genoemde schriftelijke stukken en uit de toelichting die de raadsvrouw hierop bij de behandeling in raadkamer heeft gegeven.

Bij de beoordeling van het verzoek stelt het hof het volgende voorop.

Op grond van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en
artikel 14 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten heeft een ieder - voor zover hier van belang - recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. Als een partij op basis van feiten of omstandigheden van mening is dat de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden, geeft artikel 512 van het Wetboek van Strafvordering hem de mogelijkheid een verzoek tot wraking te doen van elk van de rechters die de zaak behandelen.

Bij de beoordeling van een beroep op het ontbreken van onpartijdigheid van de rechter of bij vrees voor bevooroordeeld zijn van de rechter is uitgangspunt dat een rechter uit hoofde van zijn of haar aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het oordeel dat een rechter jegens een van de procesdeelnemers een vooringenomenheid koestert, althans dat de bij die procesdeelnemer dienaangaande bestaande vrees gerechtvaardigd is. Het subjectieve standpunt van de betrokken procesdeelnemer dat zulks het geval is, is daarbij niet beslissend; de vrees voor partijdigheid van de rechter moet tevens objectief gerechtvaardigd zijn.

Ten aanzien van de gronden van het eerste wrakingsverzoek overweegt de wrakingskamer als volgt.

De feiten en omstandigheden die de raadsvrouw aan het verzoek tot wraking van de oudste raadsheer ten grondslag heeft gelegd, geven geen grond om te vrezen dat het de oudste raadsheer ontbreekt aan onpartijdigheid.

De oudste raadsheer heeft in het kader van een verzoek tot aanhouding zijn twijfel geuit omtrent de onbekendheid van de raadsvrouw met de verzoeken zoals die door andere raadslieden waren gedaan in zaken van medeverdachten en heeft tevens aangegeven waarop hij deze opmerkingen baseerde, namelijk op processtukken in de zaken van verdachte en zijn medeverdachten. De raadsvrouw heeft vervolgens ontkennend geantwoord op de vraag of zij op de hoogte was van de andere verzoeken en aangegeven dat zij de opmerkingen van de oudste raadsheer ongepast vindt, waarna de oudste raadsheer uiteindelijk heeft aangegeven dat het daarmee ‘klaar’ is. De wrakingskamer interpreteert, anders dan de raadsvrouw, deze laatste opmerking van de oudste raadsheer - mede gelet op zijn schriftelijke toelichting hierop - aldus, dat de oudste raadsheer de stelling van de raadsvrouw als een vaststaand gegeven aanneemt, en dat de kwestie daarmee afgedaan is. Het kritisch doorvragen van de oudste raadsheer, waaruit volgens de raadsvrouw zijn partijdigheid ten aanzien het verzoek tot aanhouding en de onderzoekswensen blijkt, is gelet op zijn afsluitende mededeling niet van dien aard dat daaruit de gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid kan worden afgeleid. Overigens heeft de oudste raadsheer in zijn schriftelijke toelichting aangegeven dat hij de verdediging nageeft dat de wijze waarop hij zijn twijfel heeft geuit niet de schoonheidsprijs verdient en heeft hij daarvoor zijn excuses aangeboden. Een mogelijk gebrek aan hoffelijkheid levert evenwel nog geen gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid op.

De wrakingskamer kent hier verder nog betekenis toe aan het gegeven dat het hof blijkens het proces-verbaal van de zitting vervolgens nog geoffreerd heeft om de stukken waar de raadsvrouw om vroeg nog diezelfde dag aan haar te verstrekken.

Ten aanzien van het tweede wrakingsverzoek overweegt de wrakingskamer het volgende.

Uitgangspunt is dat elke zaak op zijn eigen merites wordt beoordeeld. De raadsvrouw heeft terecht benadrukt, dat dit ook geldt wanneer een gerecht een aantal zaken behandelt die met elkaar samenhangen. Ook in dat geval dient een gerecht de verzoeken en de verweren per zaak te beoordelen, ook als deze gelijkluidend zijn aan verzoeken en verweren zoals deze in zaken van medeverdachten al eerder zijn kenbaar gemaakt en beoordeeld.

Wanneer in een aantal met elkaar samenhangende zaken al een aantal malen op gelijkluidende wijze is beslist op gelijkluidende verzoeken, zal in veruit de meeste gevallen op gelijkluidende onderzoekswensen gelijkluidend worden beslist. In die zin kan in zijn algemeenheid gesteld worden dat het in de lijn der verwachting ligt dat in een volgende met deze zaken samenhangende zaak ook op gelijkluidende onderzoekswensen gelijkluidend zal worden beslist. Uitgangspunt blijft echter dat elke zaak op zijn eigen merites wordt beoordeeld. De opmerking van de voorzitter: “Bij gelijkluidende verzoeken zullen er gelijkluidende beslissingen volgen”, lijkt enerzijds met dit uitgangspunt op gespannen voet te staan, maar geeft anderzijds uitdrukking aan wat in zijn algemeenheid – los van de specifieke situatie – in een dergelijk geval verwacht mag worden. Het komt dus aan op de interpretatie van de opmerking.

Om de opmerking van de voorzitter te interpreteren dient de context in ogenschouw te worden genomen waarin de opmerking is gemaakt. Nadat de raadsvrouw aangaf dat zij uit de opmerking van de voorzitter opmaakte dat er al een beslissing was genomen op de onderzoekswensen en zij het hof om uitleg vroeg over voornoemde opmerking deelde de oudste raadsheer mede: “Het hof zal eerst uw toelichting op de onderzoekswensen moeten horen.” Nadat de raadsvrouw nogmaals kenbaar maakte dat zij probeerde uit te zoeken hoe zij de opmerking van de voorzitter moest duiden, reageerde de jongste raadsheer: “De voorzitter probeerde duidelijkheid te geven over het feit dat er in zaken van medeverdachten vergelijkbare verzoeken zijn gedaan en dat daar afwijzend op is beslist, zodat u dat kunt meenemen in uw toelichting. Natuurlijk kan het in uw zaak anders liggen, dat zal het hof naderhand moeten beoordelen.

Met dit vervolg van de zitting wordt de opmerking van de voorzitter zodanig genuanceerd dat deze aldus moet worden verstaan dat het in de lijn der verwachting ligt dat op onderzoekswensen die gelijkluidend zijn aan onderzoekswensen die door andere raadslieden zijn gedaan in zaken van medeverdachten, gelijkluidend zal worden beslist, maar dat deze beslissing in de zaak van verdachte nog niet vaststaat en mede afhangt van de door de raadsvrouw nog te geven toelichting. Het hof heeft aldus door ter zitting van te voren aan te geven hoe op de onderzoekswensen in de zaken van medeverdachten was beslist, de raadsvrouw de gelegenheid willen geven deze omstandigheid - in het voordeel van verdachte - mee te nemen in haar toelichting op de onderzoekswensen.

De wrakingskamer overweegt verder, dat de uitlatingen van de voorzitter voor de raadsvrouw op zichzelf geen reden vormden om de voorzitter dan wel het hof ter zitting te wraken, maar dat blijkens haar brief d.d. 22 augustus 2013 en haar ter zitting van de wrakingskamer gegeven toelichting, de uitlatingen van de oudste raadsheer zoals deze zijn besproken bij het eerste wrakingsverzoek in combinatie met de opmerking van de voorzitter zoals hier besproken een grond vormden voor een verzoek tot wraking van de leden van het hof.

Alles afwegend komt de wrakingskamer tot het oordeel dat de opmerking van de voorzitter gezien de geschetste context niet van dien aard is, dat daaruit de gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid kan worden afgeleid. Ook in combinatie met de hiervoor besproken uitlatingen van de oudste raadsheer levert deze geen zwaarwegende aanwijzing voor (gerechtvaardigde vrees voor) vooringenomenheid in vorenbedoelde zin op. Daarbij is niet zonder belang dat de opmerking van de oudste rechter enkel het verzoek om stukken te mogen inzien betreft, terwijl de opmerking van de voorzitter ziet op het verzoek om getuigen te doen horen.

De beslissing:

Het gerechtshof (wrakingskamer):

Wijst af de verzoeken tot wraking.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. de Hek, voorzitter, W. Foppen en A.M. Koene, leden van de wrakingskamer, in tegenwoordigheid van mr. M. Zevenhuizen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van dit hof van 13 september 2013.