Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:6873

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-09-2013
Datum publicatie
20-09-2013
Zaaknummer
200.116.199-01
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2014:949, Niet ontvankelijk
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vraag of door verzorgingstehuis aan de zoon van een bewoner opgelegd lokaalverbod onrechtmatig is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2013/480
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.116.199/01

(zaaknummer rechtbank Groningen 128902 / HA ZA 11-628)

arrest van de eerste kamer van 17 september 2013

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. U. van Ophoven, kantoorhoudend te Leek,

tegen

[geïntimeerde] ,

gevestigd te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellante in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. W. Mollema, kantoorhoudend te Leeuwarden.


Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 11 december 2012 hier over.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Ingevolge het arrest van 11 december 2012 heeft op 8 februari 2013 een comparitie

van partijen plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

Vervolgens zijn de volgende processtukken gewisseld:
- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord, tevens van grieven in incidenteel hoger beroep,
- de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.

1.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

1.3

De vordering van [appellant] luidt:

"te vernietigen het vonnis d.d. 28 augustus 2012 van de Rechtbank te Groningen, tussen partijen gewezen onder zaaknummer / rolnummer 128902 / HA ZA 11-628 en opnieuw:

1. het Gerechtshof voor recht zal verklaren dat het door geïntimeerde aan appellant op 16 oktober 2009 gegeven lokaalverbod onrechtmatig is geweest, en

II. geïntimeerde zal worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding aan appellant, te begroten in het arrest, danwel tot veroordeling van de schadevergoeding op te maken bij staat als bedoeld in artikel 612 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

III. met veroordeling van geïntimeerde in de kosten van beide instanties.".

1.4

In incidenteel appel heeft [geïntimeerde] gevorderd:

"In principaal appèl

dat het uw gerechtshof moge behagen om bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, [appellant] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, althans het vonnis van de rechtbank, zo nodig onder verbeteringen en aanvullingen van de grondden, te bekrachtigen en [appellant] te veroordelen in de proceskosten in beide instanties.

In incidenteel appèl

dat het uw gerechtshof moge behagen om bij arrest, uitvoerbaar bij voorraad, het vonnis van de rechtbank te vernietigen en, zo nodig onder verbeteringen en aanvullingen van de gronden, [appellant] alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in zijn vorderingen, althans deze af te wijzen en [appellant] te veroordelen in de proceskosten in beide instanties.".

2 De beoordeling van het geschil

Vaststaande feiten

4.1

De rechtbank heeft in rechtsoverweging 2 (2.1 tot en met 2.8) van het vonnis van 8 augustus 2012 de feiten vastgesteld. Tegen deze feitenvaststelling heeft [appellant] de grieven I tot en met III in het principaal appel gericht. Met de grieven I en III beklaagt [appellant] zich er over dat de rechtbank bij de vaststelling van de feiten heeft geciteerd uit een door [geïntimeerde] in het geding gebrachte verklaring en processtukken. De grieven falen in zoverre. Nu [appellant] niet betwist dat de verklaring en de processtukken correct zijn weergegeven en dat de verklaring afkomstig is van de door de rechtbank aangeduide medewerkster, kunnen de verklaring en de processtukken onder de feiten worden weergegeven. Dat [appellant] het niet eens is met de duiding van deze feiten door de rechtbank doet daaraan niet af. De rechtbank heeft haar beslissing mede gebaseerd op de genoemde stukken, zodat het zinvol was deze onder de feiten weer te geven. Omdat [appellant] in de toelichting op grief III heeft aangegeven dat hij mevrouw [teamleidster van het verzorgingstehuis] niet heeft vastgepakt, maar slechts heeft aangeraakt, zal het hof op dit punt afwijken van de door de rechtbank vastgestelde feiten.
Het hof komt [appellant] ook tegemoet door, anders dan de rechtbank, te overwegen dat mevrouw [teamleidster van het verzorgingstehuis] (hierna: [teamleidster van het verzorgingstehuis]) naar de politie is gegaan om aangifte te doen. Bij de bespreking van grief II, die zich keert tegen de vaststelling door de rechtbank dat [teamleidster van het verzorgingstehuis] aangifte heeft gedaan, heeft [appellant] dan ook geen belang.

4.2

Met inachtneming van wat hiervoor is overwogen, zal het hof de feiten vaststellen conform de vaststelling ervan door de rechtbank. De feiten komen op het volgende neer.

4.2.1

De moeder van [appellant], mevrouw [moeder van appellant], heeft tot haar dood [in 2011] gewoond in appartement [nummer] van het door [geïntimeerde] geëxploiteerde verzorgingstehuis aan [adres].

4.2.2

Het appartement is alleen via de hoofdingang van het verzorgingstehuis toegankelijk. Bewoners kunnen vrijelijk bezoek ontvangen.

4.2.3

Op 16 oktober 2009 - na terugkomst van een korte vakantie - hebben [appellant] en zijn moeder geconstateerd dat een veger en blik en een afdekkleed van het scootmobiel uit het appartement verdwenen waren. Tevens bleek de hometrainer uit het appartement te zijn verplaatst. [appellant] heeft teamleidster [teamleidster van het verzorgingstehuis] hierover aangesproken. Daarbij heeft hij haar aangeraakt. [teamleidster van het verzorgingstehuis] heeft het incident als intimiderend en bedreigend ervaren. Zij heeft schriftelijk verslag van het incident opgemaakt en (voor zover thans van belang) als volgt verklaard:

“Ik stond op de gang bij de printer papier bij te vullen, toen [appellant] (zoon van cliënt [moeder van appellant]) mij op een boosaardige manier aansprak of ik wist waar het motblik en veger van zijn moeder was.
[appellant] schreeuwde dat ik het motblik en veger moest gaan zoeken en als die weg zou zijn dat ik voor een nieuwe moest zorgen.

(…)

[appellant] zocht mij enige minuten later weer op in mijn kantoor. Uitte zijn ongenoegen op een misdragende, schreeuwende, intimiderende manier: “Doe gaast er verdomme voor zorgen dat het motblik en veger terug komt. En ast doe dat niet doest dan bin de gevolgen voor diezelf” Ik heb op dat moment te kennen gegeven niet op deze manier met hem in discussie te willen, en al zeker niet om een motblik en veger. Ik heb hem tot twee keer toe verzocht weg te gaan, omdat ik het niet prettig vond waar hij mee bezig was, bij de derde keer heb ik gezegd dat hij als de donder op moest zouten. [appellant] kwam voor mij staan, ben vervolgens opgestaan van mijn bureaustoel, [appellant] duwde mij de hoek in en stond zo dicht bij mij te schreeuwen: Wie of ik dacht dat ik was en of ik de directrice was. Op dat moment was dit een bedreigende actie van [appellant]. Ik was alleen en stond in een hoek geduwd met een hevig verbaal agressieve en intimiderende, met consumptie schreeuwende, met armen opgeheven heerschap. Dit heeft voor mij een gevoel gegeven van onveiligheid, ik was op dat moment wel bang.

(…)

[appellant] verliet al briesend mijn kantoor en ging weer naar zijn moeder. Waar hij met dezelfde schreeuwende toon tegen zijn moeder tekeer ging. Op dat moment besloot ik hulp van het managementteam in te roepen. Inmiddels was ik helemaal van slag, en kon ik dit niet meer alleen oplossen. Op het moment dat ik naar beneden wilde lopen om een managementlid te roepen, kwam ik voorbij het appartement van [moeder van appellant].

[appellant] stond in de deuropening en op het moment dat ik wilde passeren, greep hij mij bij mijn vest en wilde mij het appartement ingooien. Ik heb mij los gerukt en mijn weg vervolgt naar beneden.”

(…)

4.2.4

[teamleidster van het verzorgingstehuis] heeft zich op 16 oktober 2009 bij de politie gemeld om aangifte te doen van mishandeling en bedreiging. Het bezoek van [teamleidster van het verzorgingstehuis] aan de politie is vastgelegd in een mutatierapport.

4.2.5

Bij brief van 16 oktober 2009 heeft de directeur van [geïntimeerde] het volgende aan [appellant] medegedeeld:

“Wegens het uiten van dreigende taal, handtastelijkheid en gedwongen vasthouding van een medewerkster van onze [geïntimeerde] is het niet meer mogelijk om u nog langer in ons verzorgingstehuis toe te laten.

Wij verbieden u daarom vanaf heden de toegang tot 1 jaar in en om ons verzorgingstehuis, gevestigd aan [adres].

De politie en burgemeester zijn van ons besluit op de hoogte gebracht en er zal bij overtreding proces-verbaal tegen u worden opgemaakt wegens lokaalvredebreuk.”

4.2.6

[appellant] heeft bij dagvaarding van 10 december 2009 in kort geding bij de rechtbank Groningen, voor zover relevant, gevorderd [geïntimeerde] te veroordelen tot opheffing van het op 16 oktober 2009 aan hem uitgereikte lokaalverbod. In de hiertoe overgelegde processtukken heeft [appellant] over het incident op 16 oktober 2009 onder andere het volgende verklaard:

- de dagvaarding in kort geding van 10 december 2009, randnummer 17:

“(…) Wel heeft eiser 2 [toevoeging hof: [appellant],] een personeelslid (inmiddels hebben eisers uit berichten afkomstig van gedaagde begrepen, dat deze persoon [teamleidster van het verzorgingstehuis] heet) kort bij de schouder vastgepakt (…)”,

- de pleitaantekeningen in kort geding van 6 januari 2010, randnummer 4:

“ Het is mogelijk dat [appellant] zich met stemverheffing heeft geuit (…). [appellant] heeft [teamleidster van het verzorgingstehuis] even aan haar vest vastgehouden in een verzoek om mee te komen naar de kamer van zijn moeder. [teamleidster van het verzorgingstehuis] heeft zich toen zo bewogen dat het vest aan één kant over de arm naar beneden gleed. (…)”

- de pleitaantekeningen in kort geding van 6 januari 2010, randnummer 11:

“(…) Mijn cliënt ontkent dat hij [teamleidster van het verzorgingstehuis] in de hoek van de kamer heeft gedrukt; wel heeft hij dicht bij haar gestaan toen hij met haar sprak. (…)”

- de pleitaantekeningen in kort geding van 6 januari 2010, randnummer 13:

“(…) Mijn cliënt erkent dat hij mevrouw [teamleidster van het verzorgingstehuis] bij de mouw van haar vest heeft vastgepakt, maar omdat ze doorliep zakte het vest van haar schouder en gebeurde er verder niets. (…)”

4.2.7

Bij vonnis van 15 januari 2010 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Groningen het lokaalverbod opgeheven met ingang van 15 februari 2010.

4.2.8

[appellant] heeft bij verzoekschrift van 2 februari 2010 de rechtbank Groningen verzocht een voorlopig getuigenverhoor te houden. Bij beschikking van 24 maart 2010 heeft de rechtbank dit verzoek afgewezen.

Geding in eerste aanleg

4.3

[appellant] heeft [geïntimeerde] gedagvaard en gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat het hem gegeven lokaalverbod onrechtmatig is geweest. Ook heeft hij schadevergoeding op te maken bij staat gevorderd. [geïntimeerde] heeft verweer gevoerd.

4.4

De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. De rechtbank heeft allereerst overwogen dat het op onredelijke grond iemand de toegang ontzeggen tot het verzorgingstehuis jegens deze persoon onrechtmatig is. In zoverre heeft [appellant] voldoende belang bij zijn vorderingen, aldus de rechtbank.
De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat [geïntimeerde] in beginsel de bevoegdheid heeft derden de toegang te ontzeggen. Deze bevoegdheid vloeit voort uit het eigendomsrecht van [geïntimeerde]. Bij het opleggen van een lokaalverbod dient ook het belang van de te bezoeken bewoner te worden meegewogen.
Ten slotte heeft de rechtbank overwogen dat [geïntimeerde] deze bevoegdheid niet zonder redelijke grond heeft uitgeoefend. [appellant] heeft volgens de rechtbank de verklaring van [teamleidster van het verzorgingstehuis] over zijn gedragingen in hoofdlijnen erkend, waardoor voldoende vaststaat dat [appellant] zich onbetamelijk heeft gedragen op 16 oktober 2009. Nu [appellant] niet heeft gesteld dat deze gedragingen ten onrechte door [geïntimeerde] zijn gekwalificeerd als het uiten van dreigende taal, handtastelijkheden en gedwongen vasthouding, staat naar het oordeel van de rechtbank vast dat het lokaalverbod een rechtmatige grondslag had. De rechtbank neemt bij dit oordeel in aanmerking dat haar ter comparitie is gebleken dat [appellant] zich zeer dwingend presenteert, waardoor aannemelijk is dat medewerkers van [geïntimeerde] zich in één-op-één-situaties met hem geïntimideerd voelden.

Bespreking van de (overige) grieven

4.7

Het hof stelt bij de bespreking van de grieven het volgende voorop. In rechtsoverweging 4.6 van het bestreden vonnis heeft de rechtbank onder meer overwogen dat [geïntimeerde] als verzorgingstehuis met een maatschappelijke functie niet zonder opgaaf van redenen personen de toegang kan ontzeggen, maar dat zij daarbij de zorgvuldigheid dient te betrachten die in het maatschappelijk verkeer betaamt. Het op onredelijke gronden iemand de toegang ontzeggen, is jegens deze persoon onrechtmatig, aldus de rechtbank.

4.8

In de toelichting op haar grief in het incidenteel appel stelt [geïntimeerde] dat zij vanzelfsprekend bij het weigeren van de toegang tot het tehuis de zorgvuldigheid in het maatschappelijk verkeer dient te betrachten en daarbij ook de belangen van de bewoner dient mee te wegen. Ook [appellant] heeft geen grieven gericht tegen rechtsoverweg 4.6 uit het vonnis van de rechtbank. In hoger beroep staat het hiervoor aangehaalde deel van deze rechtsoverweging dan ook niet ter discussie. Evenmin staat ter discussie dat het [geïntimeerde], als eigenaar van het tehuis, op zich vrijstaat om derden de toegang tot het tehuis te ontzeggen. [appellant] heeft in de toelichting op grief IV ook niet betoogd dat [geïntimeerde] die bevoegdheid niet heeft, maar hij stelt dat zij die heeft misbruikt. Partijen zijn het er dan ook (overigens terecht) over eens dat indien [geïntimeerde] bij het ontzeggen van de toegang tot het tehuis de zorgvuldigheid betracht die in het maatschappelijk verkeer betaamt, zij niet onrechtmatig handelt. Zij verschillen van mening over de vraag of [geïntimeerde] bij het opleggen van het lokaalverbod zorgvuldig heeft gehandeld. Uit de stellingen van [appellant] in hoger beroep leidt het hof af dat [appellant] van oordeel is dat [geïntimeerde] bij het opleggen van het lokaalverbod onzorgvuldig heeft gehandeld, en wel om de volgende redenen:
a. het lokaalverbod is gebaseerd op onjuiste feitelijke gronden;
b. het lokaalverbod is gebrekkig en onjuist gemotiveerd;
c. de belangen van zijn moeder zijn niet meegewogen en
d. het lokaalverbod is voor een te lange duur opgelegd.
Het hof zal bij de bespreking van de grieven op deze gronden ingaan, voor zover [appellant] daar belang bij heeft. Of dat laatste het geval is, zal het hof eerst nagaan.

4.9

Het hof ziet daarom reden eerst grief VIII in principaal appel te behandelen. Met deze grief keert [appellant] zich tegen het ten overvloede gegeven oordeel van de rechtbank dat hij zijn beweerdelijk geleden schade niet aannemelijk heeft gemaakt. Het hof stelt vast dat [appellant] schadevergoeding op te maken bij staat heeft gevorderd. Voor de toewijsbaarheid van een dergelijke vordering is volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad voor wat betreft het element schade voldoende dat de mogelijkheid van schade aannemelijk is geworden. De rechter dient, eveneens volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad, ook als een vordering tot schadevergoeding op te maken bij staat is ingesteld, te beoordelen of hij de schade zelf kan begroten.

4.10

[appellant] stelt immateriële schade te hebben geleden. Volgens hem is hij in zijn eer en goede naam en “op andere wijze in zijn persoon” aangetast in de zin van artikel 6:106 lid 1 sub b BW. Gesteld noch gebleken is dat de immateriële schade van [appellant], indien daarvan al sprake is, nog niet kan worden begroot. [appellant] heeft niets aangevoerd waaruit volgt dat voor de begroting van deze schade nog niet alle noodzakelijke gegevens beschikbaar zijn. Dat betekent dat het hof reeds nu, ondanks het feit dat schadevergoeding op te maken bij staat is gevorderd, kan beoordelen of [appellant] schade heeft geleden. Indien dat het geval is, zal het hof deze schade begroten en ligt de vordering tot schadevergoeding op te maken bij staat voor afwijzing gereed. Dat laatste is ook het geval indien [appellant] geen schade heeft geleden. In dat geval rijst bovendien de vraag welk belang [appellant] heeft bij zijn vordering tot een verklaring voor recht dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld door [appellant] een lokaalverbod op te leggen.

4.11

[appellant] heeft aangevoerd dat hij door het lokaalverbod psychische schade heeft opgelopen; hij zou erg uit balans zijn geraakt en slapeloze nachten hebben doorgemaakt. Ook nu zou hij nog slapeloze nachten hebben. Daarmee betoogt [appellant], naar het hof hem verstaat, dat hij geestelijk letsel heeft opgelopen door het lokaalverbod.

4.12

Geestelijk letsel kan onder omstandigheden worden aangemerkt als een aantasting in de persoon, maar daarvoor is onvoldoende dat sprake is van meer of minder sterk psychisch onbehagen of een zich gekwetst voelen. Voor het bestaan van geestelijk letsel zal veelal zijn vereist dat de betrokkene lijdt aan een in de psychiatrie erkend ziektebeeld. Dat het lokaalverbod [appellant] heeft gekrenkt en geraakt en hem ’s nachts wakker heeft gehouden, is voorstelbaar. Dat betekent echter niet dat sprake is van geestelijk letsel. Nu uit de stellingen van [appellant] niet volgt dat hij lijdt aan een in de psychiatrie erkend ziektebeeld en [appellant] ook niet heeft aangevoerd dat hij onder behandeling van een psychiater of psycholoog is, heeft hij zijn stelling dat hij geestelijk letsel heeft opgelopen, en daardoor op andere wijze in zijn persoon is aangetast onvoldoende onderbouwd.

4.13

Aan het lokaalverbod heeft [geïntimeerde] ten grondslag gelegd dat [appellant] dreigende taal heeft geuit en handtastelijk is geweest jegens een medewerkster, die hij ook gedwongen heeft vastgehouden. Het lokaalverbod is dan ook gebaseerd op een beschuldiging van hoogst onbetamelijk gedrag. Dat volgt ook al uit het feit dat de betrokken medewerkster vanwege dit gedrag zich tot de politie heeft gewend om aangifte te doen. Indien komt vast te staan dat [appellant] zich niet heeft misdragen, heeft [geïntimeerde] hem door op grond van dit (dan vermeende) wangedrag een lokaalverbod op te leggen ten onrechte beschuldigd. [geïntimeerde] heeft deze beschuldiging gehandhaafd, ondanks het protest van [appellant] en de door hem aanhangig gemaakte procedures. Onder deze omstandigheden heeft zij [appellant] in zijn eer en goede naam aangetast, indien de beschuldiging onjuist mocht zijn.

4.14

Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat voldoende aannemelijk is dat [appellant] schade heeft geleden door het lokaalverbod indien dat is gebaseerd op een onterechte beschuldiging. Dat betekent dat dient te worden nagegaan of de in rechtsoverweging 2.6 onder a. en b. vermelde gronden opgaan. Indien dat het geval is, is immers sprake van een onterechte beschuldiging en daarmee van een aantasting van de eer en goede naam van [appellant]. Bij een bespreking van de onder c. en d. vermelde gronden heeft [appellant] echter geen belang. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien dat sprake is van een verband tussen de duur van het lokaalverbod en/of het niet meewegen van de belangen van wijlen zijn moeder bij het opleggen van het lokaalverbod enerzijds en de aantasting van de eer en goede naam van [appellant] anderzijds. Dat betekent dat in het midden kan blijven of [geïntimeerde] een lokaalverbod voor een te lange duur heeft opgelegd en de belangen van de wijlen de moeder van [appellant] niet heeft meegewogen.

4.15

De grief van [appellant] slaagt dan ook gedeeltelijk. Of dat [appellant] kan baten, zal hierna blijken.

4.16

De grief in het incidenteel appel faalt daarentegen. Met deze grief komt [geïntimeerde] op tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant] belang heeft bij zijn vorderingen. [appellant] heeft wel degelijk belang bij zijn vorderingen. Indien immers wordt vastgesteld dat [geïntimeerde] onzorgvuldig heeft gehandeld door op basis van een onterechte beschuldiging een lokaalverbod op te leggen, zoals [appellant] onder meer heeft betoogd, is aannemelijk dat [appellant] daardoor mogelijk immateriële schade heeft geleden.

4.17

Waar het, gezien het vorenstaande om gaat, is of [geïntimeerde] bij het aan [appellant] opgelegde lokaalverbod op de in rechtsoverweging 2.6 onder a. en b. vermelde gronden onzorgvuldig heeft gehandeld. Met de grieven IV tot en met VII en IX in het principaal appel, die met elkaar samenhangen, komt [appellant] op tegen het bevestigend antwoord dat de rechtbank op deze vraag heeft gegeven. Het hof zal de grieven tezamen behandelen en daarbij tevens betrekken hetgeen [appellant] in de toelichting op grief III over de feiten heeft opgemerkt.

4.18

Partijen verschillen van mening over hetgeen op 16 oktober 2009 is voorgevallen tussen [appellant] en [teamleidster van het verzorgingstehuis]. Uit de in rechtsoverweging 2.2.3 aangehaalde schriftelijke verklaring van [teamleidster van het verzorgingstehuis] volgt dat [appellant] haar op de gang op luide toon heeft bevolen voor een nieuwe stoffer en blik van zijn moeder zorg te dragen, haar vervolgens in haar kantoor heeft opgezocht en zijn bevel heeft herhaald, geen gevolg heeft gegeven aan haar verzoek haar kantoor te verlaten, haar in een hoek van het kantoor heeft geduwd en haar op korte afstand heeft toegeschreeuwd waarbij hij met opgeheven armen voor haar stond, vervolgens in het appartement van zijn moeder tekeer ging en, tenslotte, [teamleidster van het verzorgingstehuis] bij haar vest heeft gegrepen toen zij het appartement passeerde.

4.19

Het relaas van [teamleidster van het verzorgingstehuis] wordt op relevante punten ondersteund door de schriftelijke verklaringen van andere medewerkers van het tehuis.
Allereerst heeft de directeur, de heer [directeur van het verzorgingstehuis] (hierna: [directeur van het verzorgingstehuis]), in een e-mail van 15 oktober 2009 het volgende geschreven:

“Rondom 11.00 uur kwam [teamleidster van het verzorgingstehuis] geheel overstuur op mijn kantoor. Ze vertelede dat [appellant] zoon van [moeder van appellant] appartement [nummer] haar had vastgepakt, geïntimideerd en grove harde taal had gebruikt.
Ben toen direct naar het appartement [nummer] gegaan.
Mijzelf voorgesteld en gevraagd aan dhr. wat het probleem is.
Er zou door ons personeel een motblik met veger zijn weggegooid.
Heb aangegeven als dit het probleem is dat ik zal zorgen dat er een nieuw motblik met veger komt.
Heb aangegeven dat wij het niet accepteren dat dhr. ons personeel aanraakt, laat staan vastpakt, intimideerd en grove harde taal gebruikt.
Dhr. ging tot 3 x toe dreigend voor mij staan en maakte aanstalten om ook mij te grijpen(…)”
Uit deze verklaring volgt dat [teamleidster van het verzorgingstehuis] meteen na het incident met [appellant] haar verhaal, zoals later door haar is opgetekend, heeft gedaan aan [directeur van het verzorgingstehuis] en dat [directeur van het verzorgingstehuis] zelf ook bedreigd is door [appellant], die kwaad was over het ontbreken van de stoffer en blik.
Vervolgens heeft een collega van [teamleidster van het verzorgingstehuis], [medewerker van het verzorgingstehuis] (hierna: [medewerker van het verzorgingstehuis]) onder meer het volgende geschreven:

“(…) Op vrijdagmorgen 16 oktober 2009 rond 11 uur was ik bij een bewoner op kamer. (…)
Ik hoorde gebrul op de gang en dichtklappende deuren. Ik heb even afgewacht maar toen dit maar doorganing ben ik op de gang gaan kijken. Ik zag [teamleidster van het verzorgingstehuis] richting de trap lopen en [appellant] kwam uit de kamer van zijn moeder. Dhr was zichtbaar boos. Hij zwaaide met zijn armen en brulde over de gang richting [teamleidster van het verzorgingstehuis]. [teamleidster van het verzorgingstehuis] probeerde met een boog langs hem heen te lopen maar dit lukte niet want dhr greep haar vast. [teamleidster van het verzorgingstehuis] rukte zich los en liep door.
Dhr ging weer luidruchtig scheldend naar zijn moeder.
(…)
Ik heb gewacht tot [teamleidster van het verzorgingstehuis] weer op kantoor kwam. [teamleidster van het verzorgingstehuis] vertelde dat ze naar iemand van het m.t. was gegaan om hulp te vragen en dat diegene zo naar boven kwam.
Ik heb samen met [teamleidster van het verzorgingstehuis] op kantoor gewacht tot diegene kwam. [teamleidster van het verzorgingstehuis] was erg aangedaan doordat [appellant] haar zo bedreigt had en haar zelfs in de kamer had willen trekken. We hielden de deur gesloten en [appellant] kwam 2x scheldend voor het raam staan. Daarna liep hij weer hevig mopperend naar zijn moeder. (…)”

Uit de verklaring van [medewerker van het verzorgingstehuis] volgt dat [appellant] naar [teamleidster van het verzorgingstehuis] heeft luidkeels heeft gemopperd en heeft geschreeuwd en dat hij haar heeft vastgepakt.
Een andere collega van [teamleidster van het verzorgingstehuis], [medewerkster 2] (hierna: [medewerkster 2]) heeft onder meer het volgende geschreven:

“Op 16-10-2009 liep ik op de afdeling toen ik ineens een mannenstem hoorde die op een agressieve toon en schreeuwend tekeer ging.
Toen ik op het lawaai afging, zag ik dat mijn collega ([teamleidster van het verzorgingstehuis]) in het kantoor stond en dat [appellant] dicht tegen haar aanstond en tegen haar aan het schreeuwen was. Omdat dit er als zeer bedreigend voelde, bleef ik op een afstandje op de gang wachten, met als bedoeling haar te kunnen helpen, mocht dit nodig zijn. Ik kon door het raam zien wat zich in het kantoor afspeelde.
Ik zag vervolgens dat[appellant] uit het kantoor liep, al briesend en schreeuwend en ging heen en weer lopen op de afdeling, van kantoor naar de kamer van zijn moeder.
(…)
Ik stond nog op de gang naast de deur van kamer 111 samen met Dhr. van kamer 111, toen ik mijn collega [teamleidster van het verzorgingstehuis] uit het kantoor zag lopen, zij liep vervolgens ter hoogte van de kamer van Mw. [appellant], waar de [appellant] in de deuropening stond.
Ik heb gezien dat [appellant] mijn collega vastgreep en drukte haar vervolgens tegen de muur, daarbij sloeg hij zeer agressieve taal naar haar uit.
Toen ik dit zag, rende ik er naar toe om haar te hulp te kunnen schieten. Mijn collega wist zich gelukkig los te rukken, zodat ik terug ben gelopen. (…)
Toen ik even later op het kantoor kwam trof ik mijn collega ([teamleidster van het verzorgingstehuis]) aan, die totaal overstuur was. [appellant] kwam nog een paar keer voor het kantoor deur staan, maar we hebben de deur niet meer geopend.(…)”

Uit de verklaring van [medewerkster 2] volgt dat [appellant] schreeuwend door het tehuis liep, dat [appellant] in het kantoor van [teamleidster van het verzorgingstehuis] op korte afstand van [teamleidster van het verzorgingstehuis] naar haar heeft geschreeuwd en dat hij [teamleidster van het verzorgingstehuis] heeft vastgepakt toen zij de kamer van de moeder van [appellant] probeerde te passeren.
Een andere collega van [teamleidster van het verzorgingstehuis], [medewerkster 3] (hierna: [medewerkster 3]) heeft het volgende verklaard:

“Vrijdag 16-10-2009 tijd 11.30 uur ligt nog in mijn geheugen of het gisteren is gebeurt.
Ik stond bij de printer met mijn collega’s toen Dhr [appellant] uit de kamer van zijn moeder Mevr. [moeder van appellant] kwam met veel kabaal van, waar moeders veger en blik wel niet was, want die hadden wij “gestolen” en dat werd met luidruchtige stem gezegd, wij hebben te kennen gegeven dat wij die niet hadden en niet wisten waar die was.
Dhr. [appellant] bleef maar schreeuwen ook tegen zijn moeder toen ie weer bij haar op de kamer was, Mevr.[moeder van appellant] riep haar zoon iedere keer terug als Dhr [appellant] de gang weer op wou, want hij was echt niet meer voor rede vatbaar en ik voelde mij niet meer veilig op de gang, net zoals onze bewoners die de deur al op slot deden terwijl ze die altijd van slot hadden.
Dhr. [appellant] bleef maar door zeuren en met heftig schreeuwende stem kwam Dhr [appellant] hier iedere keer op terug, ik zelf was later medicijnen aan het delen, en alle bewoners vroegen wat er wel niet aan de hand was, want er werd iedere keer zo geschreeuwd dat ze dat niet fijn vonden, het was ja net oorlog.”

Uit deze verklaring volgt dat [appellant] geruime tijd schreeuwde. Er volgt ook uit dat dit tot onrust bij de bewoners van het tehuis heeft geleid. Dat volgt ook uit de niet aangehaalde gedeeltes van de verklaringen van [medewerker van het verzorgingstehuis] en [medewerkster 2].

4.20

De schriftelijke verklaringen van [teamleidster van het verzorgingstehuis], [directeur van het verzorgingstehuis], [medewerker van het verzorgingstehuis], [medewerkster 2] en [medewerkster 3] komen op essentiële onderdelen overeen en schetsen het beeld dat [appellant] zich op 16 oktober 2009 zeer agressief heeft opgesteld door (in elk geval) schreeuwend door het tehuis te lopen, tegen zijn moeder en (van een korte afstand) tegen [teamleidster van het verzorgingstehuis] te schreeuwen en [teamleidster van het verzorgingstehuis] vast te pakken. Uit de verklaring volgt tevens dat dit gedrag van [appellant] als intimiderend en bedreigend is ervaren, niet alleen door [teamleidster van het verzorgingstehuis] en haar collega’s, maar ook door een aantal bewoners.

4.21

De besproken verklaringen worden op onderdelen ondersteund door de in rechtsoverweging 2.2.6 aangehaalde passages uit de processtukken van [appellant] in de procedure in kort geding. In de aangehaalde passages uit de processtukken is namens [appellant] aangegeven dat [appellant] [teamleidster van het verzorgingstehuis] (bij haar vest) heeft vastgepakt, dat hij in het kantoor van [teamleidster van het verzorgingstehuis] op korte afstand van haar heeft gestaan en dat hij mogelijk met enige stemverheffing heeft gesproken. Nu een en ander in een andere procedure naar voren is gebracht, is van een gerechtelijke erkenning geen sprake. Dat neemt niet weg dat ook de aanvankelijke eigen stellingen van [appellant] op cruciale onderdelen steun bieden aan de stellingen van [geïntimeerde] over hetgeen zich op 16 oktober 2009 heeft afgespeeld.

4.22

In het licht van de hiervoor besproken schriftelijke verklaringen van [teamleidster van het verzorgingstehuis] en haar collega’s en van de oorspronkelijke eigen stellingen van [appellant] heeft [appellant] zijn nu ingenomen stellingen, dat hij niet heeft geschreeuwd naar [teamleidster van het verzorgingstehuis], dat hij geen dreigende taal heeft gesproken en dat hij haar niet heeft vastgepakt volstrekt onvoldoende onderbouwd. Het hof acht het bepaald ongeloofwaardig dat [appellant], zoals hij stelt, [teamleidster van het verzorgingstehuis] slechts (licht) heeft aangeraakt en dat toen haar vest langs één arm naar beneden gleed. Overigens was er voor [appellant] geen enkele gegronde reden om [teamleidster van het verzorgingstehuis] ook maar aan te raken. Het hof acht het in het licht van alle verklaringen ook ongeloofwaardig dat [appellant], zoals hij stelt, niet met stemverheffing heeft gesproken. Dat het antwoord op de vraag of [appellant] dichtbij [teamleidster van het verzorgingstehuis] heeft gestaan een kwestie van persoonlijke appreciatie is, zoals [appellant] stelt, heeft [appellant] onvoldoende onderbouwd. [appellant] heeft niet aangegeven op welke afstand van [teamleidster van het verzorgingstehuis] hij stond toen hij in haar kantoor zijn stem tegen haar verhief. Naar het oordeel van het hof ligt het alleszins voor de hand dat de medewerkers van [geïntimeerde], en [teamleidster van het verzorgingstehuis] in het bijzonder, zich door dit gedrag van [appellant] bedreigd en geïntimideerd hebben gevoeld. Indien [appellant] wil betogen dat zij zich ten onrechte bedreigd hebben gevoeld, heeft hij dat betoog onvoldoende onderbouwd.

4.23

Nu [appellant] zijn stellingen over de gebeurtenissen op 16 oktober 2009 in het licht van hetgeen door [geïntimeerde] is aangevoerd, onvoldoende heeft onderbouwd, is hij in zijn stelplicht tekort geschoten. Aan een bewijsopdracht komt het hof dan ook niet toe. Het door [appellant] gedane bewijsaanbod wordt om die reden gepasseerd.

4.24

Gelet op wat zich op 16 oktober 2009 had afgespeeld, stond het [geïntimeerde] vrij om [appellant] een lokaalverbod op te leggen vanwege “dreigende taal, handtastelijkheden en gedwongen vasthouding van een medewerkster”. Het hof tekent daarbij aan dat het gebruik van het woord “vasthouding” een minder gelukkige keuze is, maar dat het als letterlijke weergave van wat zich voor de kamer van de moeder van [appellant] heeft voorgedaan - te weten het vasthouden van [teamleidster van het verzorgingstehuis] door [appellant] - niet onjuist is, zodat [appellant] door de keuze van deze kwalificatie van de gebeurtenissen op 16 oktober 2009 niet in zijn eer en goede naam is aangetast.

4.25

Aan hetgeen het hof hiervoor heeft overwogen, doet niet af dat de stoffer en blik en het dekkleed van de scootmobiel van de moeder van [appellant] in het ongerede waren geraakt. Zelfs indien [geïntimeerde] hiervan een verwijt kan worden gemaakt, vormt dat geen rechtvaardiging voor de buitensporige reactie van [appellant].

4.26

De slotsom is dat de grieven falen. Het hof tekent daarbij aan dat het, anders dan de rechtbank, bij zijn oordeel geen enkele betekenis heeft toegekend aan de wijze waarop [appellant] zich bij gelegenheid van de comparitie in eerste aanleg heeft gepresenteerd. In het midden kan blijven of aan de wijze van presenteren ter terechtzitting gevolgtrekkingen kunnen worden verbonden voor de wijze waarop [appellant] zich buiten rechte gedraagt.

4.27

De vorderingen van [appellant] zijn niet toewijsbaar. De rechtbank heeft ze dan ook terecht afgewezen. [appellant] is om die reden terecht in de proceskosten in eerste aanleg veroordeeld. Grief X in het principaal appel, die zich keert tegen deze proceskostenveroordeling, faalt dan ook.

4.28

Het hof zal het vonnis waarvan beroep bekrachtigen [appellant] veroordelen in de proceskosten in het principaal appel (geliquideerd salaris van de advocaat: 2 punten, tarief II). Het incidenteel appel zal worden verworpen. [geïntimeerde] wordt verwezen in de proceskosten in het incidenteel appel (1/2 punt, tarief II).



De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten en begroot deze kosten, voor zover tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] gevallen, op € 291,-- aan verschotten en op € 1.788,- voor geliquideerd salaris van de advocaat;

verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

veroordeelt [geïntimeerde] in de proceskosten van het incidenteel appel en begroot deze kosten, voor zover tot op heden aan de zijde van [appellant] gevallen, op nihil aan verschotten en op € 447,-- voor geliquideerd salaris van de advocaat;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mr. L. Groefsema, mr. R.E. Weening en mr. A.M. Koene, en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 17 september 2013.