Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:6868

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-09-2013
Datum publicatie
20-09-2013
Zaaknummer
200.102.543-01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vraag of periodiek te betalen termijnen integraal opeisbaar worden in geval van doorverkoop van het gekochte door de koper. Partijen zijn dat niet uitdrukkelijk overeengekomen. Niet door aanvulling op grond van leemte in de overeenkomst en ook niet op grond van uitleg van de overeenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2014/142
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.102.543/01

(zaaknummer rechtbank Assen 86169 / HA ZA 11-275)

arrest van de tweede kamer van 17 september 2013

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant in het principaal hoger beroep,

geïntimeerde in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: gedaagde,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. M.S.J. Supicic, kantoorhoudend te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde in het principaal hoger beroep,

appellant in het incidenteel hoger beroep,

in eerste aanleg: eiser,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. I.M.F. van Emstede, kantoorhoudend te Amsterdam.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 1 mei 2012 hier over. Een comparitie van partijen heeft niet plaatsgehad.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

[appellant] heeft een memorie van grieven genomen, strekkende tot vernietiging van de bestreden vonnissen en afwijzing van de vordering. Daarop heeft [geïntimeerde] bij memorie geantwoord en van incidentele grieven gediend, onder wijziging van zijn eis. In incidenteel appel heeft [appellant] van antwoord gediend. Hierna zijn de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

2 De feiten

2.1

Tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 2 van het vonnis van 9 november 2011 is geen grief ontwikkeld en ook anderszins is niet van bezwaren daartegen gebleken, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan.

Deze feiten, aangevuld met feiten die in hoger beroep zijn komen vast te staan, luiden:

2.1.1

Op 11 juli 2003 heeft [geïntimeerde] zijn motorjacht, een [boot] 370, verkocht en geleverd aan [appellant]. De koopovereenkomst hebben partijen neergelegd in de daarvan door hen op 11 juli 2003 opgemaakte akte.

2.1.2

Artikel 1 van de akte luidt:

a Verkoper verkoopt aan koper, gelijk koper koopt van verkoper bovengenoemd vaartuig voor de prijs van € 275.000 (…).

b Betaling van bovengenoemde koopprijs zal als volgt plaatsvinden: Betaling contant € 160.000 (…).

c Het resterende bedrag groot € 115.000 (…) word voldaan in maandelijkse termijnen van € 500 (…), met de mogelijkheid grotere bedragen tussentijds af te lossen.

d "Koper is verplicht het motorjacht naar behoren te verzekeren en te onderhouden met veilige ligplaats tot het gehele bedrag is voldaan."

2.1.3

Artikel 9 van die akte luidt:

"Koper is met verkoper overeengekomen dat het resterende bedrag genoemd onder 1c groot € 115.000 (…) zal worden afgelost met € 500 euro ter maand minimaal zonder rente. En na 1 juli 2007 zal over het resterende bedrag rente worden berekend."

2.1.4

[appellant] heeft het motorjacht ingeruild tegen een kleinere boot. Hij heeft in verband met deze inruil een bedrag ontvangen ter grootte van € 100.000,-.

2.1.5

Het in artikel 9 van de akte bedoelde resterende deel van de koopsom is nog niet volledig aan [geïntimeerde] betaald.

3 Het geschil

3.1

[geïntimeerde] heeft betaling gevorderd van de onbetaald gebleven koopsom (thans ter hoogte van € 63.452,82), vermeerderd met rente. In eerste aanleg voerde hij daartoe aan dat partijen hebben afgesproken dat het in artikel 1c van de akte genoemde bedrag integraal opeisbaar zou worden indien en zodra [appellant] de [boot] aan een derde zou verkopen, althans dat [appellant] de [boot] niet aan een derde mocht verkopen zolang hij niet integraal aan zijn financiële verplichtingen jegens [geïntimeerde] had voldaan.

3.2

De rechtbank heeft de vordering (behoudens het in incidenteel appel aan de orde gestelde deel) toegewezen op grond van de overweging, kort gezegd, dat de overeenkomst een leemte bevat die in de door [geïntimeerde] verdedigde zin dient te worden aangevuld. Tegen dat oordeel is de principale grief van [appellant] gericht. [geïntimeerde] heeft op zijn beurt in incidenteel appel geklaagd over de afwijzing van een deel van zijn vordering, met dien verstande dat hij die vordering heeft verminderd.

4 De beoordeling van de grief van [appellant] in het principaal appel

De grief keert zich onder meer tegen het oordeel van de rechtbank dat de overeenkomst een leemte bevat - en in het verlengde daarvan, dat die leemte moet worden ingevuld op een wijze zoals de rechtbank heeft gedaan. Het gaat daarbij om de vraag of partijen zijn overeengekomen dat het bedrag van € 115.00,- opeisbaar wordt als [appellant] de [boot] aan een derde verkoopt en, zo nee, of een zodanige verplichting op grond van de redelijkheid en billijkheid kan worden aangenomen. Beslissend voor de beoordeling van deze vragen is welke zin partijen over en weer redelijkerwijs aan de overeenkomst mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (Hoge Raad

13-03-1981, LJN: AG4158; Haviltex).

4.1

In eerste aanleg heeft [geïntimeerde] onder meer aangevoerd dat partijen zijn overeengekomen dat [appellant] de [boot] niet aan een derde mocht verkopen zolang hij niet integraal aan zijn financiële verplichtingen jegens [geïntimeerde] zou hebben voldaan. In hoger beroep herhaalt hij dat standpunt in die zin, dat uit de in artikel 1d van de overeenkomst opgenomen verplichtingen, 'te goeder trouw geïnterpreteerd', valt af te leiden dat het [appellant] tot dat moment niet vrij stond de [boot] te verkopen.

4.2

Het hof leest in artikel 1d binnen de context van de overige bepalingen van de overeenkomst geen verbod voor [geïntimeerde] om de boot te verkopen zolang het bedrag van € 115.000,- niet geheel is voldaan, laat staan het daaraan klaarblijkelijk door [appellant] verbonden overeengekomen rechtsgevolg dat bij overtreding het restant verschuldigde geheel opeisbaar wordt. Feiten en omstandigheden op grond waarvan indachtig de hiervoor geformuleerde maatstaf toch tot een dergelijke uitleg van de overeenkomst kan worden gekomen, zijn gesteld noch gebleken. Evenmin zijn voldoende feiten en omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan naar dezelfde maatstaf moet worden geoordeeld dat, nu partijen ter zake niets zijn overeengekomen, sprake is van een leemte die op de door de rechtbank gevolgde wijze moet worden aangevuld. Uit het bepaalde in artikel 1d valt geenszins af te leiden dat partijen voor ogen stond dat de mogelijkheid om in termijnen te betalen gekoppeld was aan het voortdurende bezit van de boot (als verhaalsobject) door [geïntimeerde] en dat zij als het ware verzuimd hebben een regeling te treffen voor het geval van dat voortdurende bezit niet langer sprake zou zijn. Feiten of omstandigheden waaruit zou kunnen volgen dat partijen een dergelijke koppeling voor ogen stond, zijn in onvoldoende mate gesteld of gebleken.

4.3

Het voorgaande betekent dat er in rechte niet van kan worden uitgegaan dat de onbetaalde koopsom integraal opeisbaar wordt bij doorverkoop van de [boot] door [appellant]. De grief treft dus doel.

5 De grief van [geïntimeerde] in het incidenteel appel

5.1

Omdat de grief in het principaal appel doel treft en leidt tot integrale afwijzing van de vordering, komt het hof niet toe aan de bespreking van de incidentele grief.

6 Slotsom

6.1

De grief in het principaal appel slaagt, zodat het bestreden vonnis van 9 november 2011 moet worden vernietigd. Het incidenteel appel behoeft geen inhoudelijke beoordeling. Het hof zal [geïntimeerde] als de in het ongelijk te stellen partij in de kosten van beide instanties veroordelen.

6.2

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten

nihil

- griffierecht

1.158,-

totaal verschotten

1.158,-

en voor salaris advocaat/gemachtigde overeenkomstig het liquidatietarief: IV

2 punten x € 894,-

1.788,-

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] in het principaal appel zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten

90,64

- griffierecht

666,-

totaal verschotten

756,64

en voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief: IV

1 punten x € 1.631,-

1.631,-

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] in het incidenteel appel zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten

nihil

- griffierecht

nihil

totaal verschotten

nihil

en voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief: IV

0,5 punt x € 1.631,-

815,50

7 De beslissing

In het principaal appel

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank te Assen van 9 november 2011 en doet opnieuw recht;

wijst de vordering af;

In het principaal en het incidenteel appel

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties, tot aan de bestreden uitspraak aan de zijde van [appellant] wat betreft de eerste aanleg vastgesteld op € 1.788,- voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 1.158,- voor verschotten; wat betreft het hoger beroep vastgesteld op € 2.446,50 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief en op € 756,64 voor verschotten,

verklaart dit arrest (voor zover het de hierin vermelde vernietiging en proceskostenveroordeling betreft) uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. M.W. Zandbergen, mr. W. Breemhaar en mr. L. Janse en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 17 september 2013.