Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:6834

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
17-09-2013
Datum publicatie
19-09-2013
Zaaknummer
200.112.460
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Rechtsvordering van kredietverstrekker jegens kredietnemer o.g.v. kredietovereenkomst. Is verjaring (o.g.v. art. 3:307 lid 1 BW) van de rechtsvordering gestuit door een van de sommatiebrieven van de kredietverstrekker aan kredietnemer?

Gelet op betwisting door kredietnemer lag het op weg van kredietverstrekker feiten of omstandigheden te stellen en zonodig te bewijzen waaruit volgt dat de sommatiebrieven zijn verzonden naar een adres waarvan zij redelijkerwijs mocht aannemen dat kredietnemer aldaar door haar kon worden bereikt en dat de verklaring aldaar is aangekomen. Kredietverstrekker heeft onvoldoende gesteld waaruit volgt dat kredietnemer de brieven heeft ontvangen. De enkele omstandigheid dat er een grote hoeveelheid brieven naar het adres van kredietnemer is gestuurd, is daarvoor niet toereikend, gelet op de betwisting door kredietnemer. Bovendien heeft kredietverstrekker in eerste aanleg noch in hoger beroep aangeboden te bewijzen dat die brieven ook inderdaad zijn aangekomen. Het hof ziet geen aanleiding kredietverstrekker ambtshalve het bewijs daarvan op te dragen. Gelet op het vorenstaande, kan er niet van worden uitgegaan dat de sommatiebrieven, of één ervan, kredietnemer tijdig hebben of heeft bereikt. Er moet dan ook van worden uitgegaan dat de verjaring niet is gestuit. Het verweer van kredietnemer dat de rechtsvordering is verjaard, slaagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Arnhem

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.112.460

(zaaknummer rechtbank Almelo, sector kanton, locatie Almelo 398444)

arrest van de eerste kamer van 17 september 2013

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats], gemeente Rijssen-Holten,

appellante,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. K.A. Schreurs,

tegen:

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

Defam B.V.,

gevestigd te Bunnik,

geïntimeerde,

hierna: Defam,

advocaat: mr. M.C.G. van Essen.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van het vonnis van
17 juli 2012 dat de rechtbank Almelo, sector kanton, locatie Almelo tussen [appellant] als gedaagde en Defam als eiseres heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 24 augustus 2012,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord met producties.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest aan het hof overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

3 De vaststaande feiten

3.1

Het hof gaat in hoger beroep uit van de volgende feiten.

3.2

Op grond van een overeenkomst van 15 november 1999 (hierna: de kredietovereenkomst) heeft Direktbank N.V. aan [appellant] en [ex-echtgenote] (hierna: [ex-echtgenote]) een doorlopend krediet tot een maximum van f 60.000,-- (€ 27.226,81) verstrekt. Op grond van die overeenkomst dienden [appellant] en [ex-echtgenote] maandelijks over het openstaande saldo rente te vergoeden, welke rente destijds 0.67% per maand bedroeg. Op de kredietovereenkomst zijn de algemene voorwaarden Doorlopende Kredieten Direktbank N.V. van toepassing verklaard.

3.3

[appellant] en [ex-echtgenote] zijn in 2002 van echt gescheiden. Voor de verplichtingen voortvloeiend uit de kredietovereenkomst zijn zij ieder hoofdelijk aansprakelijk. Na de echtscheiding hebben zij niet voldaan aan hun betalingsverplichtingen jegens Direktbank N.V. [ex-echtgenote] is in staat van faillissement verklaard.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1

Defam stelt dat Direktbank N.V. per 30 september 2005 haar rechten uit de kredietovereenkomst heeft overgedragen aan Direktbank Financieringen B.V. en dat Direktbank Financieringen B.V. vervolgens per 26 september 2006 is opgegaan in Defam Plus B.V., thans genaamd Defam B.V. Defam stelt dat [appellant] gedurende meer dan twee maanden achterstallig is in de betaling van een maandtermijn en dat zij, na ingebrekestelling, nalatig is gebleven in de volledige nakoming van haar verplichtingen uit de kredietovereenkomst. Volgens Defam zijn de op grond van de kredietovereenkomst door [appellant] verschuldigde bedragen daarom ineens opeisbaar. Defam heeft, naar zij stelt, aan Solvence B.V. (handelend onder de naam Unisolve) volmacht verleend haar vordering op [appellant] te incasseren. Defam heeft bij de rechtbank gevorderd dat [appellant] bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld tot voldoening, tegen behoorlijk bewijs van kwijting, aan haar van € 38.788,41 (€ 32.368,28 aan hoofdsom inclusief rentetermijnen tot 11 september 2009 plus € 18.400,48 aan contractuele rente tot en met 19 januari 2012 minus € 11.980,35 aan uitdeling uit het faillissement van [ex-echtgenote]), te vermeerderen met de contractuele rente van 10,608% per jaar daarover vanaf 20 januari 2012 tot aan de dag van de algehele voldoening, met veroordeling van [appellant] in de kosten van deze procedure, met bepaling dat [appellant] deze kosten binnen veertien dagen na het te wijzen vonnis aan Defam dient te voldoen, bij gebreke waarvan zij wettelijke rente verschuldigd wordt. Bij conclusie van repliek heeft Defam haar eis verminderd in die zin dat de door haar gevorderde rente in plaats van over € 38.788,41 over € 32.368,26 berekend dient te worden. [appellant] heeft de vordering bestreden met een aantal verweren. De rechtbank heeft vervolgens bij vonnis van 17 juli 2012 geen rekening gehouden met de eisvermindering en heeft de vordering toegewezen, met uitzondering van de gevorderde bepaling dat [appellant] de proceskosten binnen veertien dagen dient te betalen.

4.2

Met vier grieven keert [appellant] zich tegen de verwerping door de rechtbank van haar verweren tegen de vordering van Defam.

4.3

Grief 1 betreft de betwisting door [appellant] van de stelling dat Direktbank N.V. haar rechten (vordering) uit de kredietovereenkomst heeft overgedragen aan Direktbank Financieringen B.V. en dat Defam dientengevolge op grond van die overeenkomst een vordering op haar heeft. Grief 2 betreft de betwisting dat Defam aan Solvence B.V. volmacht heeft verleend haar vordering op [appellant] te incasseren. Grief 4 betreft het verweer dat Defam haar recht heeft verwerkt om nakoming van de kredietovereenkomst te vorderen en het verweer dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn als Defam die nakoming nog zou kunnen vorderen. Het hof kan in het midden laten of deze verweren zijn gegrond en dus of deze grieven slagen, omdat het met grief 3 aan de orde gestelde verweer gegrond is.

4.4

Grief 3 betreft het verweer dat de rechtsvordering van Defam is verjaard op grond van artikel 3:307 lid 1 BW. [appellant] stelt in hoger beroep dat de verjaringstermijn van vijf jaar primair is gaan lopen op 10 november 2004, zijnde de datum van de brief waarbij Direktbank N.V. de overeenkomst heeft opgezegd en het totale bedrag ineens heeft gevorderd, en dat deze termijn is geëindigd op 9 november 2009. [appellant] stelt subsidiair dat die termijn is gaan lopen op 8 september 2005, toen haar werkgever bij brief van die datum had gereageerd op een sommatiebrief van 9 augustus 2005 van B.V. Centraal Incassobureau, en dat die termijn is geëindigd op 7 dan wel 8 september 2010. Overigens heeft [appellant] in eerste aanleg subsidiair gesteld dat de verjaringstermijn is gaan lopen op 9 augustus 2005. [appellant] stelt dat de verjaring niet is gestuit. [appellant] betwist de stelling van Defam dat in de periode 10 oktober 2006 tot en met 21 maart 2011 tweeëntwintig sommatiebrieven naar [appellant] zijn verzonden door Solvence B.V. (door Defam overgelegd als productie 5 bij inleidende dagvaarding) en dat deze brieven [appellant] hebben bereikt. Defam heeft aangevoerd dat, indien de in de periode 10 oktober 2006 tot en met 4 maart 2009 verstuurde sommatiebrieven [appellant] niet hebben bereikt, omdat [appellant] was verhuisd, dit te wijten is aan [appellant]. Defam stelt dat [appellant] in dat geval immers in strijd met artikel 18 van de algemene voorwaarden niet heeft gemeld dat zij was verhuisd. [appellant] heeft, zo constateert het hof, niet betwist dat zij was verhuisd en dat zij heeft nagelaten dat aan Defam te melden. De negen sommatiebrieven van 9 december 2009 tot en met 26 augustus 2010 zijn volgens Defam geadresseerd aan het adres [adres] te [woonplaats], zijnde het huidige adres van [appellant]. [appellant] heeft dat niet betwist. Defam heeft voorts aangevoerd dat zij wel wil geloven dat bij de posterijen soms een of twee brieven in het ongerede raken, maar niet negen brieven.

4.5

Het staat tussen partijen vast, zo constateert het hof, dat de sommatiebrieven, daargelaten de vraag of deze [appellant] hebben bereikt, stuiting van de verjaring opleveren. Het hof is van oordeel dat de verjaringstermijn van vijf jaar is gaan lopen op de in eerste aanleg subsidiair gestelde datum 9 augustus 2005. In dat geval, maar ook in het geval er met Defam van wordt uitgegaan dat die verjaringstermijn is gaan lopen 8 september 2005, moet worden beoordeeld of de verjaring tijdig (door een van de hiervoor genoemde sommatiebrieven van Solvence B.V.) is gestuit. Bij de beoordeling daarvan stelt het hof het volgende voorop.

Art. 3:37 lid 3 BW houdt, voor zover thans van belang, in dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring, om haar werking te hebben, die persoon moet hebben bereikt. Met betrekking tot een schriftelijke verklaring geldt als uitgangspunt dat deze de geadresseerde heeft bereikt als zij door hem is ontvangen. Indien de ontvangst van de verklaring wordt betwist, brengt een redelijke, op de behoeften van de praktijk afgestemde, uitleg van genoemd artikellid mee dat de afzender in beginsel feiten of omstandigheden dient te stellen en zonodig te bewijzen waaruit volgt dat de verklaring door hem is verzonden naar een adres waarvan hij redelijkerwijs mocht aannemen dat de geadresseerde aldaar door hem kon worden bereikt, en dat de verklaring aldaar is aangekomen. Als adres in vorenbedoelde zin kan in beginsel - behoudens andersluidend beding - worden aangemerkt de woonplaats van de geadresseerde in de zin van art. 1:10 BW, dan wel, indien de mededeling een zakelijke kwestie betreft, het zakelijke adres van de geadresseerde, en voorts het adres waarvan de afzender op grond van verklaringen of gedragingen van de geadresseerde mocht aannemen dat deze aldaar door hem kon worden bereikt, bijvoorbeeld diens postbus, e-mailadres of

ander adres dat bij recente contacten tussen partijen door de geadresseerde is gebruikt (Hoge Raad, 14 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ4104).

4.6

Gelet op de betwisting door [appellant] lag het op de weg van Defam feiten of omstandigheden te stellen en zonodig te bewijzen waaruit volgt dat de meergenoemde sommatiebrieven door Solvence B.V. zijn verzonden naar een adres waarvan zij redelijkerwijs mocht aannemen dat [appellant] aldaar door haar kon worden bereikt en dat de verklaring aldaar is aangekomen. Defam heeft onvoldoende gesteld waaruit volgt dat [appellant] de brieven heeft ontvangen. De enkele omstandigheid dat er een grote hoeveelheid brieven naar het adres van [appellant] is gestuurd, is daarvoor niet toereikend, gelet op de betwisting door [appellant]. Bovendien heeft Defam in eerste aanleg noch in hoger beroep aangeboden te bewijzen dat die brieven ook inderdaad zijn aangekomen. Het hof ziet geen aanleiding Defam ambtshalve het bewijs daarvan op te dragen. Gelet op het vorenstaande, kan er niet van worden uitgegaan dat de sommatiebrieven, of één ervan, [appellant] tijdig hebben of heeft bereikt. Er moet dan ook van worden uitgegaan dat de verjaring niet is gestuit. Dit brengt mee dat het verweer van [appellant] dat de vordering van Defam is verjaard, slaagt. Grief 3 treft dus doel.

4.7

Gezien het vorenoverwogene moet de vordering van Defam worden afgewezen.

4.8

De slotsom is dat grief 3 slaagt en dat de grieven 1, 2 en 4 geen bespreking behoeven. Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen en de vordering van Defam alsnog afwijzen. Het hof zal Defam, overeenkomstig de vordering van [appellant] in hoger beroep, veroordelen tot (terug)betaling van al hetgeen [appellant] aan haar heeft voldaan uit hoofde van het bestreden vonnis als hierna te vermelden.

4.9

Als de in het ongelijk te stellen partij zal het hof Defam in de kosten van beide instanties veroordelen.

De kosten voor de procedure in eerste aanleg aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:

- griffierecht nihil

subtotaal verschotten nihil

- salaris advocaat € 800,-- (2 punten volgens het toepasselijke liquidatietarief

(staffel salarissen in rolzaken kanton))

Totaal € 800,--

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [appellant] zullen worden vastgesteld op:

- explootkosten € 90,64

- griffierecht € 291,--

subtotaal verschotten € 381,64

- salaris advocaat € 1.158,-- (1 punt volgens het toepasselijke liquidatietarief

gerechtshoven)

Totaal € 1.539,64

4.10

[appellant] heeft gevorderd dat Defam wordt veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente over de uit te spreken proceskostenveroordeling, indien en voor zover betaling van de proceskostenveroordeling niet binnen twee dagen na betekening van het te wijzen arrest heeft plaatsgevonden. Defam heeft die vordering niet bestreden. Het hof zal de vordering tot betaling van wettelijke rente toewijzen als hierna te vermelden. Overeenkomstig de daartoe strekkende vordering van [appellant] zal het arrest uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

5. De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Almelo, sector kanton, locatie Almelo, van
17 juli 2012 en doet opnieuw recht;

wijst de vordering van Defam af;

veroordeelt Defam tot (terug)betaling van al hetgeen [appellant] aan haar heeft voldaan uit hoofde van voormeld vonnis, te vermeerderen met de wettelijke rente ex artikel 6:119 BW daarover vanaf het moment van de betaling door [appellant] tot het moment van de volledige terugbetaling door Defam;

veroordeelt Defam in de kosten van beide instanties, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [appellant] vastgesteld op € 800,00 in eerste aanleg en € 1.539,64 in hoger beroep, te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit arrest, en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;

verklaart dit arrest wat betreft voornoemde veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. van P.H. van Ginkel, Ch.E. Bethlem en F.J.P. Lock en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 17 september 2013.