Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:6717

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-09-2013
Datum publicatie
13-09-2013
Zaaknummer
200.119.806-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Exhibitieplicht. Vordering van ex-werknemer van een garagebedrijf om inzage in werkbriefjes ter ondersteuning van zijn loonvordering. De ex-werknemer stelt dat hij jarenlang te weinig betaald heeft gekregen, omdat hij werk zou hebben verricht in een hogere functiegroep van de CAO. Het hof verwerpt het verweer van het bedrijf dat de ex-werknemer geen partij zou zijn bij de rechtsbetrekking waarop de werkbriefjes betrekking hebben. De ex-werknemer heeft de werkbriefjes zelf ingevuld als vertegenwoordiger van het bedrijf. Hij is daarmee als partij te beschouwen in de zin van art. 843a lid 1 Rv, aldus het hof, dat de vordering (grotendeels) heeft toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2013/458
AR-Updates.nl 2013-0714
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.119.806/01

(zaaknummer rechtbank Groningen 535218 \ CV EXPL 12-1605)

arrest van de eerste kamer van 10 september 2013 in het incident ex art. 843a Rv in de zaak van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats],

appellant,

tevens eiser in het incident,

in eerste aanleg eiser,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. A.A.M. Broos, kantoorhoudende te Utrecht,

tegen

[geïntimeerde] ,

gevestigd te [vestigingsplaats],

geïntimeerde,

tevens verweerster in het incident,

in eerste aanleg gedaagde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. H.G.B. van der Wal, kantoorhoudende te Winschoten.

De inhoud van het tussenarrest van 5 maart 2013 wordt hier overgenomen.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

Bij brief van 7 maart 2013 heeft [appellant] de raadsheer-commissaris (hierna: r-c) ten overstaan van wie de comparitie zou worden gehouden, verzocht om gebruik te maken van haar bevoegdheid ex art. 22 Rv en [geïntimeerde] te bevelen een aantal in de brief nader omschreven werkorders van [appellant] in het geding te brengen.

1.2

De griffier heeft (de gemachtigde van) [appellant] per brief van 14 maart 2013 laten weten dat de r-c in dit stadium van de procedure niet op dit verzoek beslist.

1.3

Ingevolge voormeld tussenarrest heeft op 27 maart 2013 een comparitie van partijen (na aanbrengen) plaatsgevonden. Aangezien partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen over een minnelijke regeling van hun geschil(len), is de zaak naar de rol verwezen voor doorprocederen.

1.4

[appellant] heeft zijn verzoek aan de r-c om gebruik te maken van de bevoegdheid
ex art. 22 Rv herhaald bij brief van 2 mei 2013. De griffier heeft (de gemachtigde van) [appellant] op 16 mei 2013 telefonisch laten weten dat de r-c geen bevel ex art. 22 Rv zal geven.

1.5

Op de rol van 18 juni 2013 heeft [appellant] een akte houdende een incidentele vordering ex art. 843a Rv genomen, genomen, met als conclusie:

"(…) [geïntimeerde] op grond van artikel 843a Rv te bevelen om aan [appellant] afschriften te verstrekken van de onder punt 11. hiervoor genoemde stukken, dit onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000,-- per dag voor elke dag dat [geïntimeerde] dit vanaf 7 dagen na betekening van het in dit incident te wijzen arrest nog nalaat, waarbij de te verbeuren dwangsommen worden gemaximeerd op € 50.000,--, dit met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van dit incident."

1.6

[geïntimeerde] heeft een conclusie van antwoord in incident ex artikel 843a lid 1 Rv genomen, met als conclusie:

"(…) bij vonnis, voor zover wettelijk toelaatbaar uitvoerbaar bij voorraad:

[appellant] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn incidentele vordering, althans hem deze te ontzeggen, een en ander met veroordeling van [appellant] in de kosten van deze procedure;"

1.7

Vervolgens heeft [appellant] de stukken overgelegd voor het wijzen van arrest in het incident.

2 De beoordeling in het incident

2.1

Het gaat in deze zaak, kort samengevat, om het volgende. [appellant] is van 15 maart 1999 tot 1 april 2011 in dienst geweest van (de rechtsvoorganger van) [geïntimeerde], in wiens bedrijf [appellant] laatstelijk de functie van eerste monteur, tevens APK-keurmeester, heeft uitgeoefend. Na zijn dienstverband heeft [appellant] [geïntimeerde] in rechte betrokken en (onder meer) achterstallig salaris gevorderd. Deze vordering van [appellant] is gebaseerd op zijn stelling dat hij ten onrechte niet conform de geldende CAO Motorbedrijf en Tweewielerbedrijf is beloond. Het geschil in eerste aanleg spitste zich toe op de vraag of [appellant], op grond van zijn opleiding en de door hem verrichte werkzaamheden, in functiegroep E zou moeten worden ingedeeld (zoals [appellant] stelt) of in functiegroep D (zoals [geïntimeerde] stelt en waarnaar hij [appellant] steeds heeft uitbetaald). In het aangevallen vonnis heeft de kantonrechter geoordeeld (samengevat) dat [appellant] onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij over voldoende kennis en ervaring beschikt om te kunnen voldoen aan de eisen van functiegroep E. Voor zover de loonvordering van [appellant] op indeling in functiegroep E was gebaseerd, heeft de kantonrechter deze dan ook afgewezen.

2.2

Ter onderbouwing van zijn incidentele vordering ex art. 843a Rv heeft [appellant] aangevoerd dat hij zijn stelling dat hij werkzaamheden in functiegroep E verrichtte, alleen kan aantonen met werkorders. Oud-collega's van [appellant] zijn niet bereid om voor hem te getuigen, omdat zij nog in dienst zijn van [geïntimeerde]. [appellant] wenst dan ook inzage in en afschrift van de navolgende werkorders, die volgens hem een representatief beeld geven van de werkzaamheden die hij gedurende de laatste 2½ jaar van zijn dienstverband bij [geïntimeerde] heeft uitgevoerd:

November 2009: week 45 (2 t/m 6 november) en week 48 (23 t/m 27 november);

Februari 2010: week 5 (1 t/m 5 februari) en week 7 (15 t/m 19 februari);

Maart 2010: week 10 (8 t/m 12 maart) en week 11 (15 t/m 19 maart);

Mei 2010: week 18 (3 t/m 7 mei) en week 21(24 t/m 28 mei);

September 2010: week 36 (6 t/m 10 september) en week 38 (20 t/m 24 september);

November 2010: week 45 (8 t/m 12 november) en week 47 (22 t/m 26 november);

Februari 2011: week 6 (7 t/m 11 februari) en week 8 (21 t/m 25 februari);

Mei 2011: week 18 (2 t/m 6 mei) en week 21(23 t/m 27 mei);

September 2011: week 36 (5 t/m 9 november) en week 38 (19 t/m 23 november);

November 2011: week 45 (7 t/m 11 november) en week 47 (21 t/m 25 november);

Januari 2012: week 2 (9 t/m 13 januari) en week 4 (23 t/m 27 januari);

Februari 2012: week 6 (6 t/m 10 februari) en week 8 (20 t/m 24 februari).

[geïntimeerde] is echter - anders dan volgens [appellant] viel af te leiden uit haar proceshouding tijdens de comparitie van 27 maart 2013 - niet bereid om (afschriften van) deze werkorders af te staan, reden waarom de onderhavige vordering is ingesteld. Aldus tot zover [appellant].

2.3

[geïntimeerde] heeft ten verwere (onder meer) aangevoerd dat deze vordering te laat is ingesteld, omdat [appellant] in eerste aanleg ruimschoots de gelegenheid heeft gehad om bewijs aan te dragen. De werkorders waar [appellant] om vraagt, zullen hem volgens [geïntimeerde] overigens niet verder helpen, reeds omdat [appellant] het voor functiegroep E vereiste opleidingsniveau niet heeft. [geïntimeerde] betwist verder dat de werkorders bescheiden zijn aangaande een rechtsbetrekking waarbij [appellant] partij is, omdat het gegevens betreft die van belang zijn in de rechtsbetrekking tussen [geïntimeerde] en de desbetreffende klant. Bovendien is het verzamelen van de door [appellant] gevraagde gegevens onnodig bezwarend, omdat een medewerker hier een hele dag mee bezig zal zijn, aldus [geïntimeerde]. Ten slotte heeft [geïntimeerde] bezwaar gemaakt tegen de eventuele oplegging van een dwangsom.

2.4

Het hof overweegt dat een exhibitievordering ex art. 843a lid 1 Rv in beginsel voor toewijzing in aanmerking komt indien is voldaan aan de volgende, cumulatieve voorwaarden:
(1) degene die de vordering instelt, dient een rechtmatig belang te hebben, en
(2) het moet gaan om bepaalde bescheiden (3) aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser of zijn rechtsvoorganger partij is.
Is aan deze voorwaarden voldaan, dan bestaat op grond van art. 843a lid 4 Rv desalniettemin geen gehoudenheid tot overlegging van de bescheiden indien daarvoor gewichtige redenen bestaan, of indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.

2.5

Het hof verwerpt het verweer van [geïntimeerde] dat [appellant] zijn exhibitievordering eerder had moeten instellen en dat hij thans, zo begrijpt het hof de stellingen van [geïntimeerde], zijn recht daartoe heeft verwerkt. Niet alleen miskent [geïntimeerde] met haar stelling de herkansingsfunctie van het hoger beroep, maar de wet stelt - anders dan [geïntimeerde] lijkt te veronderstellen - geen beperkingen aan het moment waarop een vordering ex art. 843a Rv kan worden ingesteld.

2.6

Omdat [appellant] met de werkorders zou kunnen aantonen welke werkzaamheden hij heeft verricht, heeft hij belang bij inzage daarvan. Het hebben van een rechtens relevant belang is nog niet voldoende voor het opleggen aan [geïntimeerde] van de verplichting om afschriften van de werkorders aan [appellant] te verstrekken (HR 18 februari 2000,

LJN: AA4877). Het moet ook gaan om stukken die zien op een rechtsbetrekking waarbij [appellant] partij is. [geïntimeerde] heeft ten verwere aangevoerd dat hieraan niet wordt voldaan, omdat de werkorders enkel gegevens bevatten die van belang zijn voor de rechtsbetrekking tussen [geïntimeerde] en de desbetreffende klant van de garage. Het hof verwerpt dit verweer. Weliswaar zijn de werkorders de basis voor de facturering door [geïntimeerde] aan de klanten van het door haar gedreven garagebedrijf, maar niet kan worden volgehouden dat [appellant] daar part noch deel aan heeft. De werkorders zijn immers stukken die door [appellant] (als vertegenwoordiger van [geïntimeerde]) zijn opgesteld en/of ingevuld, maar worden gehouden door [geïntimeerde]. Naar het oordeel van het hof is [appellant] daarmee als partij te beschouwen in de zin van art. 843a lid 1 Rv.

2.7

De conclusie luidt dan ook dat de incidentele vordering voor toewijzing in aanmerking komt. Dat [geïntimeerde] hierdoor tijd zal moeten besteden aan het verzamelen van de stukken, leidt niet tot een ander oordeel. Te meer niet nu de toewijzing zal worden beperkt tot de periode gedurende welke [appellant] bij [geïntimeerde] in dienst is geweest, derhalve tot 1 april 2011, zodat bezwaarlijk van een onaanvaardbare last voor [geïntimeerde] kan worden gesproken. [appellant] heeft niet aannemelijk gemaakt waarom hij belang zou hebben bij inzage in werkorders van na die datum, nog daargelaten dat hij zelf na 1 april 2011 geen werkorders meer zal hebben opgesteld/ingevuld.

2.8

Gelet op het belang van [appellant] bij de gevraagde stukken en gelet op de weigering van [geïntimeerde] tot nu toe, zal het hof aan het bevel om afschriften te verstrekken op na te melden wijze een (gemaximeerde) dwangsom verbinden.

2.9

De beslissing omtrent de kosten van het incident zal worden gereserveerd tot de einduitspraak.

2.10

De hoofdzaak zal naar de rol worden verwezen om voort te procederen. Aan [appellant] zal een zodanige termijn worden gegund, dat hij na ontvangst van de werkorders voldoende tijd heeft voor het formuleren van zijn grieven.

De beslissing:

Het gerechtshof:

in het incident

beveelt [geïntimeerde] - op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat zij hiermee in gebreke blijft, één en ander tot een maximum van € 5.000,00 - om uiterlijk binnen twee weken na betekening van dit arrest aan [appellant] afschriften te verstrekken van alle door [appellant] ingevulde werkorders in de navolgende tijdvakken:

- november 2009: week 45 (2 t/m 6 november) en week 48 (23 t/m 27 november);

- februari 2010: week 5 (1 t/m 5 februari) en week 7 (15 t/m 19 februari);

- maart 2010: week 10 (8 t/m 12 maart) en week 11 (15 t/m 19 maart);

- mei 2010: week 18 (3 t/m 7 mei) en week 21(24 t/m 28 mei);

- september 2010: week 36 (6 t/m 10 september) en week 38 (20 t/m 24 september);

- november 2010: week 45 (8 t/m 12 november) en week 47 (22 t/m 26 november);

- februari 2011: week 6 (7 t/m 11 februari) en week 8 (21 t/m 25 februari);

bepaalt dat omtrent de kosten van het incident zal worden beslist bij einduitspraak in de hoofdzaak.

in de hoofdzaak

verwijst de (hoofd)zaak naar de rol van dinsdag 19 november 2013 voor memorie van grieven aan de zijde van [appellant].

Dit arrest is gewezen door mr. H. de Hek, mr. J.H. Kuiper en mr. A.M. Koene en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag
10 september 2013.