Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:6707

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
05-09-2013
Datum publicatie
17-09-2013
Zaaknummer
P13-280
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na afwijzing van vordering verlenging door de rechtbank op grond van het ontbreken van een stoornis verlenging door hof van de maatregel van terbeschikking voor de duur van één jaar nu (nog) onvoldoende vast staat dat ook buiten het huidige TBS-kader de persoonlijkheidsstoornis van de terbeschikkinggestelde zal blijken te zijn verdwenen of zodanig verbleekt dat niet langer sprake is van recidivegevaar, terwijl de veiligheid van andere dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen de verlenging van de terbeschikkinggestelde nog eist.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

TBS P13/0280

Beslissing d.d. 5 september 2013

De kamer van het hof als bedoeld in artikel 67 van de Wet op de rechterlijke organisatie heeft te beslissen op het beroep van het openbaar ministerie in de zaak tegen

[naam terbeschikkinggestelde] ,

geboren te [geboorteplaats] (Joegoslavië) op [geboortedatum],

verblijvende in [kliniek].

Het beroep is ingesteld tegen de beslissing van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem, van 31 mei 2013, houdende afwijzing van de vordering tot verlenging van de terbeschikkingstelling.

Het hof heeft gelet op de stukken, waaronder:

- het arrest van het gerechtshof Arnhem van 3 december 2004 waarbij de terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege werd opgelegd;

- het verlengingsadvies van FPC Dr. S. van Mesdag van 7 januari 2013, met daarbij gevoegd de wettelijke aantekeningen over de periode van 19 oktober 2010 tot en met 23 mei 2012;

- het proces-verbaal van de zitting van het hof van 18 juni 2012;

- de tussenbeslissing van het hof van 2 juli 2012;

- het pro justitia rapport van het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie ( NIFP) locatie Pieter Baan Centrum, van 12 december 2012;

- de beslissing van het hof van 3 januari 2013;

- het pro justitia rapport van dr. [psychiater 1], psychiater, van 21 januari 2013;

- het pro justitia briefrapport van drs. [psycholoog 1] , psycholoog, van 6 februari 2013;

- het proces-verbaal van het onderzoek in eerste aanleg;

- de beslissing waarvan beroep;

- de akte van beroep van de officier van justitie van 31 mei 2013;

- de appelschriftuur van de officier van justitie van 13 juni 2013;

- de aanvullende informatie van FPC Dr. S. van Mesdag van 26 juli 2013, met als bijlage de wettelijke aantekeningen over de periode januari tot en met april 2013;

- de door de raadsman ter zitting overgelegd pleitnota.

Het hof heeft ter zitting van 22 augustus 2013 gehoord de terbeschikkinggestelde, bijgestaan door zijn raadsman mr. J.C. de Goeij, advocaat te Alkmaar, en de advocaat-generaal

mr M.J.M van der Mark. Tevens is ter zitting gehoord als deskundige mevrouw

[GZ-psycholoog], als GZ-psycholoog en behandelcoördinator verbonden aan FPC dr. S. van Mesdag te Groningen.

Overwegingen

Het standpunt van de kliniek

Bij de terbeschikkinggestelde zijn in eerder stadium een antisociale persoonlijkheidsstoornis en trekken van een narcistische persoonlijkheidsstoornis gediagnosticeerd. Er is in enige mate sprake van impulsiviteit, moeite zich in een ander te verplaatsen en een minder ontwikkelde gewetensfunctie, passend bij een antisociale persoonlijkheidsstoornis. De terbeschikkinggestelde heeft moeite met de lange termijn planning. Hij beschikt over gemiddelde cognitieve capaciteiten en is in staat tot zelfreflectie, wat een positieve invloed heeft op het behandelbeloop. Er is sprake van een goede samenwerking tussen de terbeschikkinggestelde en de kliniek. De kliniek heeft de verwachting dat als de terbeschikkinggestelde zijn inzet op deze wijze blijft vast houden hij weer zelfstandig in de maatschappij kan functioneren. Gezien de ontwikkelingen en de (begin) fase waarin het resocialisatietraject zich bevindt, is een voortzetting van terbeschikkingstelling van overheidswege geïndiceerd. Het resocialisatietraject moet stapsgewijs vervolgd worden.

Ter zitting van 22 augustus 2013 heeft mevrouw [GZ-psycholoog] aangegeven dat de kliniek niet eerder heeft meegemaakt dat een eerdere gestelde ernstige stoornis zó naar de achtergrond is getreden. De terbeschikkinggestelde heeft een zeer positieve ontwikkeling in zijn behandeling doorgemaakt. Er zou sprake kunnen zijn van een schijnaanpassing maar deze is nooit vastgesteld. Toch is voorzichtigheid geboden. De kliniek kan binnen een klinische setting geen stoornis meer diagnosticeren, maar niet voorspellen of deze zich in een vrijere setting wél zal manifesteren. Het resocialisatietraject zal stapsgewijs ingezet moeten worden. Bezien moet worden hoe de terbeschikkinggestelde met vrijheden zal omgaan.

Het traject van de verloven zou op een meer voortvarende wijze kunnen plaatsvinden dan dit normaal wordt gedaan. De deskundig raadt aan om de reclassering een onderzoek te laten doen naar de mogelijkheden van een voorwaardelijke beëindiging.

Het standpunt van de externe deskundigen

Naar aanleiding van de tussenbeslissing van dit hof van 2 juli 2012 is gerapporteerd door dr. [psychiater 2], psychiater en [psycholoog 2], psycholoog, op 12 december 2012 beiden verbonden aan het Nederlands Instituut voor Forensische Psychiatrie en Psychologie, locatie Pieter Baan Centrum (PBC).

Uit het rapport van de psychiater komt naar voren dat geen aanwijzingen zijn gevonden voor het nog bestaan van een enige vorm van psychopathologie. In classificerende zin kan niet meer gesproken worden van een (persoonlijkheids)stoornis, nu de terbeschikkinggestelde niet meer aan de hiervoor geldende criteria voldoet. In classificerende zin kan ook niet worden gesproken van een stoornis in psychiatrische zin. Er is geen reden om te veronderstellen dat bij de terbeschikkinggestelde sprake is van een (langdurige) schijnaanpassing.

De psychiater merkt hierbij nadrukkelijk op dat het hierbij gaat om classificatie binnen de bestaande context van terbeschikkingstelling. De psychiater houdt serieus rekening met de mogelijkheid dat ondanks de geslaagde persoonlijkheidsontwikkeling nog sprake is van persoonlijkheidsproblematiek in de vorm van een afgesloten niche van nog niet doorgewerkte gevoelens van vernedering, kwetsing en krenking, die zich binnen de beschermende context van de huidige terbeschikkingstelling niet manifesteert, maar zich onder voor een dergelijke problematiek ongunstiger omstandigheden van nog wél zou kunnen presenteren.

Ook de psycholoog geeft aan dat binnen de huidige omstandigheden de in 2004 gediagnosticeerde persoonlijkheidsstoornis niet meer aanwezig is in de destijds beschreven mate, ernst en omvang. De terbeschikkinggestelde voldoet binnen de huidige TBS-kaders niet meer aan de algemene criteria voor een persoonlijkheidsstoornis. Of nog sprake is van een gebrekkige ontwikkeling kan pas bij meer ervaren vrijheden worden getoetst.

Beide deskundigen komen tot de conclusie dat een stoornis of gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens op dit moment en onder de huidige omstandigheden kan worden aangetoond, noch uitgesloten. Zij merken op dat het zeer wel mogelijk en waarschijnlijk is dat sprake is van een succesvolle klinische behandeling - mede dankzij een start van die behandeling op relatief jonge leeftijd en een stabiele gezinsachtergrond. De deskundigen achten een beëindiging van de maatregel van terbeschikkingstelling of een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging echter prematuur.

De terbeschikkinggestelde heeft geen medewerking heeft verleend aan onderzoek door drs. [psycholoog 1] en dr. [psychiater 1]. Zij hebben om die reden niet kunnen rapporteren.

Het standpunt van de terbeschikkinggestelde en zijn raadsman

Er kan op verschillende manieren naar de diagnostiek worden gekeken. De terbeschikkingstelling kan alleen worden verlengd als de algemene veiligheid van personen of goederen die verlenging eist. Van een stoornis, gebrekkige ontwikkeling en/of van een dergelijk veiligheidsrisico is niet langer sprake. Het met ingang van 1 juli 2013 gewijzigde artikel 509t van het Wetboek van Strafvordering inhoudende dat beëindiging van de terbeschikkingstelling pas kan plaatsvinden nadat de verpleging gedurende ten minste één jaar voorwaardelijk beëindigd is geweest, is in onderhavige zaak dan ook niet aan de orde. De raadsman heeft het hof verzocht de vordering van de officier van justitie af te wijzen en genoemde wetswijziging op grond van artikel 94 van de Grondwet buiten toepassing te laten nu deze in strijd is met artikel 5 van het EVRM. Overigens spreekt het artikel over beëindigen van de maatregel en niet over afwijzen van een vordering tot verlenging ervan, zodat de rechter nog steeds over deze laatste mogelijkheid beschikt.

Het standpunt van het openbaar ministerie

Het hof heeft uiteenlopende uitspraken gedaan met betrekking tot de vraag of het nog bestaan van een stoornis van doorslaggevend belang is voor de verdere verlenging van de maatregel van terbeschikkingstelling. Deze jurisprudentie biedt ruimte voor een verlenging, ook indien niet langer een stoornis of gebrekkige ontwikkeling zou bestaan.

Aan het gevaarscriterium wordt nog voldaan.

De terbeschikkinggestelde heeft weliswaar positieve ontwikkelingen in zijn behandeling doorgemaakt, maar nog slechts met beperkte vrijheden geoefend. De reclassering is nog niet bij verloven betrokken. Het is van belang dat nu getoetst wordt hoe de terbeschikkinggestelde zich in de maatschappij staande zal houden. Gelet op artikel 509t van het Wetboek van Strafvordering kan de terbeschikkingstelling van overheidswege ook niet zonder meer beëindigd worden. Voor een voorwaardelijke beëindiging van de verpleging is het thans nog te vroeg. Het transmuraal verlof zou wel meer uitgebreid kunnen worden.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beslissing van de rechtbank en verlenging van de terbeschikkingstelling met een jaar, waarna ter gelegenheid van een volgende verlengingszitting een maatregelrapport kan worden opgemaakt.

Het oordeel van het hof

Vernietiging

Het hof zal de beslissing van de rechtbank vernietigen, daar het tot een andere beslissing komt.

Stoornis en recidivegevaar

Blijkens het rapport van het NIFP kan het (nog) bestaan van een stoornis en/of een gebrekkige ontwikkeling onder de huidige gunstige omstandigheden, binnen het bestaande beschermende kader van de terbeschikkingstelling, niet worden aangetoond maar ook niet volledig worden uitgesloten. Onder minder gestructureerde omstandigheden met meer vrijheden kan zich een persoonlijkheidsproblematiek in de vorm van nog niet doorgewerkte gevoelens van vernedering, kwetsing en krenking manifesteren. Op dit moment is naar het oordeel van het hof nog onvoldoende getoetst of de terbeschikkinggestelde zich ook onder minder gestructureerde omstandigheden in de maatschappij veilig zal kunnen handhaven en daarmee of van de indertijd gediagnosticeerde stoornis kan worden gezegd dat deze niet meer aanwezig is.

Verlenging

Het hof is van oordeel dat, nu (nog) onvoldoende vast staat dat ook buiten het huidige TBS-kader de persoonlijkheidsstoornis van de terbeschikkinggestelde zal blijken te zijn verdwenen of zodanig verbleekt, dat niet langer sprake is van recidivegevaar, de algemene veiligheid van personen of goederen de verlenging van de terbeschikkingstelling nog eist.

Om die reden zal het hof de maatregel van terbeschikkingstellingvoor de duur van één jaar verlengen. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat het - gelet op de inhoud van over de terbeschikkinggestelde uitgebrachte rapportages en het verhandelde ter terechtzitting -overweegt de verpleging van de terbeschikkinggestelde voorwaardelijk te beëindigen.

Aanhouding van de beslissing omtrent voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege

Het hof acht het in verband met de mogelijkheid de verpleging van de terbeschikkinggestelde voorwaardelijk te beëindigen voor de vorming van zijn oordeel op dit punt noodzakelijk dat de reclassering rapporteert over de wijze waarop en over de voorwaarden waaronder de terugkeer van de terbeschikkinggestelde in de samenleving zou kunnen geschieden. Het hof zal daarom het onderzoek in zoverre heropenen en met toepassing van artikel 509t, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering, zijn beslissing in zoverre voor bepaalde tijd aanhouden en de stukken met voormeld doel in handen stellen van de advocaat-generaal.

Het hof acht het tevens noodzakelijk dat de rapporteur van de reclassering tegen de volgende zitting als deskundige wordt opgeroepen.

Tussenbeslissing

Het hof:

Vernietigt de beslissing van de rechtbank Gelderland, locatie Arnhem van 31 mei 2013 met betrekking tot de terbeschikkinggestelde [naam terbeschikkinggestelde].

Verlengt de terbeschikkingstelling met een termijn van één jaar.

Houdt aan de beslissing omtrent voorwaardelijke beëindiging van de verpleging van overheidswege tot de zitting van 28 november 2013 te 14.00 uur.

Stelt de stukken in handen van de advocaat-generaal met het verzoek zorg te dragen voor de rapportage, zoals hiervoor omschreven.

Het hof wenst uiterlijk één week voor de voornoemde zittingsdatum te beschikken over de rapportage van Reclassering Nederland.

Beveelt voorts de oproeping van de rapporteur van de reclassering en de terbeschikkinggestelde tegen de zitting van 28 november 2013 te 14.00 uur met tijdige kennisgeving hiervan aan de raadsman.

Aldus gedaan door

mr J.A.W. Lensing als voorzitter,

mr. J.W. Rijkers en mr B.F.A. van der Krabben als raadsheren,

en prof. dr. W.J. Schudel en dr. W. van Kordelaar als raden,

in tegenwoordigheid van B. Moorlag als griffier,

en op 5 september 2013 in het openbaar uitgesproken.

Mr B.F.A. van der Krabben en de raden zijn buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.