Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:6702

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
10-09-2013
Datum publicatie
13-09-2013
Zaaknummer
200.070.795-01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vervolg op tussenarresten van 10 juli 2012 en 28 mei 2013. Toepassing HR 23-01-1998, LJN ZC2555 en HR 14-01-2000, LJN AA 4279. Ontbinding huurkoopovereenkomst leidt tot ontbinding van de daarmee verbonden financieringsovereenkomst. Financier echter niet aansprakelijk voor schade als gevolg van tekortschieten in de huurkoopovereenkomst, conform HR 20-01-2012, LJN BU3162.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RCR 2013/79
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.070.795/01

(zaaknummer rechtbank Groningen 342727 CV EXPL 07-12465)

arrest van de tweede kamer van 10 september 2013

in de zaak van

Agfaphoto Finance N.V.,

gevestigd te Mortsel (België) en kantoorhoudende te Rijswijk,

appellante,

in eerste aanleg: eiseres in conventie en verweerster in reconventie,

hierna: APF,

advocaat: mr. R.J.G. Van Brakel, kantoorhoudend te Utrecht,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde,

in eerste aanleg: gedaagde in conventie en eiser in reconventie,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. J.V. van Ophem, kantoorhoudend te Leeuwarden.

Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 28 mei 2013 hier over.

1 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

1.1

APF heeft een akte genomen. [geïntimeerde] heeft afgezien van het nemen van een antwoordakte.

1.2

Vervolgens zijn de stukken wederom overgelegd voor het wijzen van arrest en heeft het hof arrest bepaald.

2 De verdere beoordeling

2.1

In zijn arrest van 28 mei 2013 heeft het hof overwogen dat en waarom het voornemens is terug te komen op de bindende eindbeslissing als vervat in rechtsoverweging 38, laatste volzin, van het tussenarrest van 10 juli 2012 [per abuis aangeduid als: 10 juli 2010, hof] en de daarop gebaseerde rekensom (rechtsoverweging 41, slot van genoemd arrest) en heeft het hof aangegeven hoe het in plaats daarvan wenst te beslissen, waarbij het hof partijen de gelegenheid heeft gegeven zich hierover uit te laten.

2.2

APF heeft in haar laatste akte aangegeven dat zij het hierboven bedoelde voornemen van het hof onderschrijft. [geïntimeerde] heeft zich niet uitgelaten. Nu [geïntimeerde] zich niet heeft verzet en APF het eens is met het hof, zal het hof thans om redenen als vermeld in het arrest van 28 mei 2013 terugkomen op zijn eindbeslissingen als vervat in rechtsoverwegingen 38, laatste volzin, en 41, slot van het tussenarrest van 10 juli 2012.

2.3

Het hof zal gelet op het voorgaande beslissen dat voor verrekening in aanmerking komt de waarde van de prestaties van APF in de periode vanaf het begin van de overeenkomst (mei 2004) tot aan de ontbinding (30 oktober 2006). Het betreft hier 29 maanden. In het arrest van 28 mei 2013 is reeds overwogen dat de waarde van deze prestaties gelijk wordt gesteld aan de over die periode verschuldigde leasetermijnen Voor verrekening komt derhalve in aanmerking de waarde gelijk aan 29 leasetermijnen van € 2.824,74 = € 81.917,46.

2.4

Aangezien een bedrag van € 81.917,46 voor verrekening in aanmerking komt, behoeft de vraag of APF over de periode na 30 oktober 2006 (datum ontbinding) recht heeft op een gebruiksvergoeding uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking slechts dan beantwoord te worden indien de omvang van de als gevolg van het beslag gelegde schade meer is dan het verschil tussen de op [geïntimeerde] rustende verplichting tot ongedaanmaking ter waarde van € 81.917,46 en de op APF rustende verplichting tot terugbetaling van de leasetermijnen ad € 50.845,32. Dit verschil bedraagt: € 31.072,14. Indien dat namelijk niet het geval is, is de verrekenbare tegenvordering van APF altijd hoger dan de vordering van [geïntimeerde].

2.5

Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] niet aannemelijk gemaakt dat hij voor meer dan € 31.072,14 schade heeft geleden als gevolg van het beslag. [geïntimeerde] maakt met name onvoldoende onderscheid tussen enerzijds schade als gevolg van de vermeende gebreken aan het minilab en het niet meer nakomen van de service- en garantieverplichtingen door APN en anderzijds schade als gevolg van de beslaglegging als zodanig. Alleen laatstbedoelde schade komt voor vergoeding door APF in aanmerking. Meer in het bijzonder overweegt het hof het volgende.

2.6

Uit de stukken valt af te leiden dat beslag is gelegd onder de Rabobank, op een onroerende zaak van [geïntimeerde] en op zijn foto- en computerapparatuur (producties 6 tot en met 8 inleidende dagvaarding).

2.7

Door [geïntimeerde] is een brief overgelegd d.d. 26 november 2012 van de Rabobank. Uit die brief valt volgens [geïntimeerde] af te leiden dat “de dreigende claim van Agfa” voor de Rabobank reden is geweest om [geïntimeerde] te laten vallen onder de afdeling Bijzonder Beheer. Voorts zou mede om die reden een aantal keer een financieringsaanvraag van [geïntimeerde] zijn afgewezen en is het rente- en kostentarief van de bestaande financiering mede om die reden verhoogd. Naar het oordeel van het hof volgt hier niet uit dat [geïntimeerde] als gevolg van het onder de Rabobank gelegde beslag op zijn rekening schade heeft geleden. Het toezicht door Bijzonder Beheer en de afwijzingen van de financiering zijn volgens de genoemde brief van de Rabobank immers (mede) veroorzaakt door de “dreigende claim van Agfa”. Het bestaan van een claim van Agfa is wat anders dan het beslag als zodanig. Dat de bank mogelijk door het leggen van het beslag op de hoogte raakte van de claim van Agfa, leidt het hof niet tot een ander oordeel, daar de bank hier hoe dan ook van op de hoogte zou zijn geraakt, omdat [geïntimeerde] bij het aanvragen van krediet de bank had dienen te informeren over zijn financiële situatie. Daartoe behoorde mede de vordering van en het geschil met Agfa. Daar komt bij dat uit de door [geïntimeerde] ter gelegenheid van de comparitie overgelegde brieven van de Rabobank d.d. 6 december 2010 en 25 juni 2012 blijkt dat een kredietaanvraag is afgewezen vanwege “onvoldoende bruto operationele cashflow” en dat [geïntimeerde] de hogere tarieven verschuldigd is vanwege “matige bedrijfsresultaten en het negatieve eigen vermogen” waarbij “ook de onzekere uitkomst van de gerechtelijke procedure tegen Agfa een rol heeft gespeeld”. Daaruit valt af te leiden dat de claim van Agfa een ondergeschikte rol heeft gespeeld bij het niet kunnen krijgen van een nieuw bankkrediet.

2.8

Van beslagschade zou naar het oordeel van het hof sprake kunnen zijn indien [geïntimeerde] op de beslagen rekening een positief saldo had staan dat door het beslag werd getroffen, met als gevolg dat [geïntimeerde] daarover niet langer vrij kon beschikken. Dat van die situatie sprake was, is echter gesteld noch gebleken. In tegendeel: APF heeft bij haar akte van 5 februari 2013 als productie 10 een verklaring derden beslagene overgelegd waarin de Rabobank verklaart dat na verrekening slechts een debetsaldo resteert. Het hof heeft in zijn arrest van 28 mei 2013 [geïntimeerde] uitdrukkelijk de gelegenheid geboden om op die productie te reageren, doch hij heeft daarvan afgezien. Daarmee kan als niet weersproken van de juistheid van bedoelde productie worden uitgegaan en worden aangenomen dat het beslag geen doel heeft getroffen.

2.9

Voorts heeft [geïntimeerde] verwezen naar de door hem in eerste aanleg overgelegde producties 38 en 39 en heeft hij deze producties opnieuw overgelegd. Het betreft hier verklaringen van accountantskantoor Smit van 11 december 2009 en 5 februari 2010. Het hof stelt vast dat in de verklaring van 11 december 2009 een berekening wordt gemaakt van de schade als gevolg van “het niet goed functioneren van het digitale AGFA minilab in uw onderneming”. Deze schade is andere schade dan beslagschade. Hiervoor is reeds beslist dat APF voor dergelijke 'andere' schade niet aansprakelijk is. Op de tweede bladzijde van deze verklaring wordt wel gesproken over beslagschade, echter zonder nadere onderbouwing en berekening. Ook de verklaring van 5 februari 2010 heeft voor het overgrote deel betrekking op andere schade dan beslagschade. Op bladzijde 2, 4e alinea, wordt wel een opmerking gemaakt over beslagschade. Opgemerkt wordt dat als gevolg van de beslaglegging de mogelijkheid tot het doen van verdere investeringen is geblokkeerd. Over welk beslag het hier gaat, wordt echter niet toegelicht, terwijl ook overigens een deugdelijke onderbouwing ontbreekt. Voor zover het gaat om beslag op de bankrekening, verwijst het hof naar hetgeen daarover hiervoor is overwogen.

2.10

In productie 31 (overgelegd in eerste aanleg) spreekt [geïntimeerde] over het niet kunnen vervangen van bedrijfsmiddelen omdat er beslag op lag. Kennelijk gaat het hier om het genoemde beslag op roerende zaken. [geïntimeerde] heeft dit in zijn akte na comparitie in hoger beroep niet nader toegelicht, laat staan bedragen genoemd.

2.11

Het hof wil wel aannemen dat [geïntimeerde] in zoverre enige beslagschade heeft geleden, doch ieder aanknopingspunt dat die schade meer bedraagt dan € 31.072,14 ontbreekt.

2.12

Het vorenstaande brengt mee dat, uitgaande van een verrekenbare vordering ad € 81.917,46, het beroep op verrekening ertoe leidt dat APF per saldo niets aan [geïntimeerde] verschuldigd is. Of APF daarnaast nog een vordering heeft op [geïntimeerde] uit hoofde van ongerechtvaardigde verrijking, kan (bij gebreke van een in deze procedure tijdig ingediende daarop betrekking hebbende vordering) onbesproken blijven.

De slotsom

2.13

De grieven IV en V gericht tegen het vonnis van 21 april 2010 slagen. Dit vonnis kan niet in stand blijven nu daarin ten onrechte is beslist dat APF tot schadevergoeding is gehouden. De grieven I tot en met III gericht tegen het tussenvonnis van 21 oktober 2009 falen echter. Dit vonnis zal, met verbetering van gronden, worden bekrachtigd. In het arrest van 28 mei 2013 heeft het hof overwogen dat het de zaak na vernietiging zelf kan en zal afdoen. Tevens heeft het hof daarin een overzicht gegeven van de tot dan toe genomen beslissingen. Het hof verwijst daar thans naar. Aan deze beslissingen kan worden toegevoegd hetgeen hiervoor is geconcludeerd in rechtsoverwegingen 2.3 en 2.12.

De (oorspronkelijk conventionele) vordering van APF tot betaling van niet betaalde leasetermijnen zal (inclusief nevenvorderingen) worden afgewezen. Haar vordering tot afgifte van het minilab op straffe van verbeurte van een dwangsom zal als na te melden worden toegewezen. Het hof wijst er daarbij op dat sprake is van een haalschuld, omdat het lab zich onder [geïntimeerde] bevond toen de verbintenis tot ongedaanmaking ontstond (artikel 6: 41, aanhef en onder a BW). Dit betekent dat [geïntimeerde] het lab ter beschikking van APF dient te stellen en aan APF of een door haar in te schakelen derde dient mee te geven.

De (oorspronkelijk reconventionele) vordering van [geïntimeerde] strekkende tot ontbinding dan wel ontbondenverklaring van de financial leaseovereenkomst zal als na te melden worden toegewezen. Zijn overige vorderingen zullen worden afgewezen.

APF zal als de in het overwegende mate in het ongelijk te stellen partij worden verwezen in de proceskosten van beide instanties, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begroot op:

in eerste aanleg:

in conventie € 1.136,- aan verschotten en € 7.105,- aan geliquideerd salaris van de advocaat (5 punten in tarief V);

in reconventie: nihil aan verschotten en € 1.130,- aan geliquideerd salaris van de advocaat (2 ½ punten in tarief II);

in hoger beroep: € 1.188,- aan verschotten en € 10.528,- aan geliquideerd salaris van de advocaat (4 punten in tarief V);

De beslissing

Het Gerechtshof:

vernietigt het vonnis van de rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen, d.d.

21 april 2010 en, opnieuw recht doende:

verklaart voor recht dat de financial leaseovereenkomst tussen partijen bij brief van 30 oktober 2006 buitengerechtelijk is ontbonden;

veroordeelt [geïntimeerde] om binnen veertien dagen na betekening van dit arrest het minilab Agfa

D-lab 1 aan APF af te geven, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,- voor iedere keer dat [geïntimeerde] daarmee in gebreke blijft met een maximum van € 50.000,-;

veroordeelt APF in de kosten van beide instanties, tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] begoot op:

in eerste aanleg in conventie: € 1.136,- aan verschotten en € 7.105,- aan geliquideerd salaris van de advocaat; in reconventie: nihil aan verschotten en € 1.130,- aan geliquideerd salaris van de advocaat;

in hoger beroep: € 1.188,- aan verschotten en € 10.528,- aan geliquideerd salaris van de advocaat;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt het tussenvonnis van de rechtbank Groningen, sector kanton, locatie Groningen van 21 oktober 2009;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mr. L. Janse, mr. G. van Rijssen en mr. R.A. van der Pol en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 10 september 2013.