Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:6698

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
12-09-2013
Datum publicatie
12-09-2013
Zaaknummer
KS1462-11
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2015:48, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft ontkend degene te zijn geweest die het dodelijke letsel aan het slachtoffer heeft toegebracht. Het hof acht echter op grond van de in het arrest weergegeven bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ten laste gelegde moord. Verdachte krijgt hiervoor 14 jaren gevangenisstraf opgelegd. De door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf van tien jaren doet onvoldoende recht aan de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 24-001462-11

Uitspraak d.d.: 12 september 2013

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zwolle-Lelystad van 5 juli 2011 in de strafzaak met parketnummer 07-662593-10 tegen

[verdachte],

geboren te [plaats]op[geboortedatum] 1986,

thans verblijvende in[penitentiaire inrichting].

Het hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 2 februari 2012, 19 maart 2012, 26 juli 2012, 29 november 2012, 20 december 2012 en 29 augustus 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.


Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, strekkende tot veroordeling wegens moord tot een gevangenisstraf van 14 jaren met aftrek van voorarrest en toewijzing van de gehele vordering van de benadeelde partij met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsvrouw,

mr. J.A. van Gemeren, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen en daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 30 oktober 2010 in de gemeente [gemeente] opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] met kracht

- met een hard en/of scherp en/of puntig voorwerp op/in het hoofd geslagen/gestoken en/of

- vervolgens met de vuist in/tegen het gezicht geslagen/gestompt,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] in de periode van 31 oktober 2010 en 1 november 2010 is overleden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Door de raadsvrouw is ter zitting van het hof betoogd, dat er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, zodat hij moet worden vrijgesproken. Subsidiair heeft de raadsvrouw betoogd dat verdachte dient te worden vrijgesproken van moord omdat er geen wettig en overtuigend bewijs is voor de voorbedachte raad.

Het hof gaat uit van de volgende aan wettige bewijsmiddelen te ontlenen feiten en omstandigheden.

In augustus 2010 is de politie in het uitgaansleven van [gemeente] op zoek naar een vuurwapen. [slachtoffer] wordt in verband hiermee aangehouden. Het wapen wordt echter niet aangetroffen bij [slachtoffer], maar - naar het lijkt op aangeven van [slachtoffer] - bij [naam persoon], een vriend van verdachte. [naam persoon] wordt hiervoor vervolgens aangehouden en het vuurwapen wordt in beslag genomen. [naam persoon] en zijn vrienden, waaronder verdachte, rekenen dit [slachtoffer] aan. [slachtoffer] wordt onder druk gezet om voor het vuurwapen te betalen. Hij weigert dit te doen. In de weken erna wordt [slachtoffer] meerdere keren door verdachte fysiek belaagd.

In oktober 2010 vindt er in een uitgaansgelegenheid wederom een confrontatie plaats tussen verdachte en [slachtoffer]. Ditmaal is verdachte degene die het meeste geweld incasseert. Hij houdt er een blauw oog aan over. Datzelfde weekend bonkt verdachte ’s ochtends vroeg op de ramen van het huis van de zus van [slachtoffer], roepend: “Bel de begrafenisondernemer voor je broer. Zeg maar tegen je broer dat hij dood is”.

In de nacht van vrijdag 29 op zaterdag 30 oktober 2010 zijn verdachte en [slachtoffer] beiden in de uitgaansgelegenheid [uitgaansgelegenheid]. Verdachte is samen met zijn vriend [getuige1], die tevens de neef is van [slachtoffer]. Om 04:30/05:00 uur gaat de [uitgaansgelegenheid] dicht. Daarna gaan zowel [slachtoffer] als ook verdachte en [getuige1] naar de [uitgaansgelegenheid], een andere uitgaansgelegenheid. Getuigen zien dat verdachte die avond telkens naar binnen en buiten loopt, dat hij aangeeft problemen met ‘iemand’ te hebben en ook dat hij ‘iemand’ wil slaan. Aan [getuige1] geeft verdachte aan dat hij even weg moet omdat hij iets moet halen. De [uitgaansgelegenheid] is op dat moment nog open. [getuige1] ziet verdachte die nacht niet weer in de [uitgaansgelegenheid].

Voor de daaropvolgende gang van zaken gaat het hof – in tegenstelling tot wat de raadsvrouw heeft aangevoerd en in lijn met de visie van de advocaat-generaal en de rechtbank – uit van de verklaringen van [getuige1] om redenen zoals hierna uiteengezet. [getuige1] is door de politie meerdere keren gehoord en is tevens ter zitting van het hof gehoord. Uit zijn verklaringen blijkt het volgende. Na sluitingstijd van de [uitgaansgelegenheid], rond 06:00 uur, staat [getuige1] buiten voor de [uitgaansgelegenheid] met [slachtoffer] te praten. Er is op dat moment sprake van een rustige situatie. Plotseling wordt [slachtoffer] van achteren door een persoon benaderd en zonder aanleiding met een gebalde vuist boven op zijn hoofd geslagen. [slachtoffer] doet twee stappen, draait zich om naar zijn belager en wordt nogmaals, ditmaal tegen zijn hoofd/gezicht geslagen. [getuige1] herkent verdachte als de dader. Direct daarna valt [slachtoffer] trillend en schuddend op de grond. Verdachte rent weg. Hij springt op een fiets en rijdt hard weg. [getuige1] probeert samen met – naar later blijkt – getuigen [getuige2] en [getuige3], hulp te verlenen aan [slachtoffer], die een bloedende hoofdwond heeft.

[slachtoffer] wordt kort daarna door een ambulance naar het ziekenhuis gebracht en daar opgenomen. Op 1 november 2010 overlijdt hij. Uit het sectierapport, opgesteld door A. Maes, arts en patholoog, blijkt van een kleine wond bovenop het hoofd. Het betreft een spleetvormige perforatie in het schedeldak en het harde hersenvlies van circa 2 centimeter. Er is een steekkanaal te herleiden met perforatie van de hoofdhuid, het onderhuidse weefsel, het schedeldak en van het oppervlak van de rechter grote hersenhelft. De lengte van het steekkanaal is niet goed vast te stellen maar is meer dan 3 centimeter. De patholoog overweegt verder dat de perforatie bij leven is opgelopen als gevolg van uitwendig inwerkend scherprandig perforerend geweld zoals dat kan worden veroorzaakt door steken met een mes. Als gevolg van recent opgelopen uitwendig inwerkend botsend geweld, zoals veroorzaakt door een klap of een val, is er een blauwe en gezwollen onderlip met een afgebroken tand. Het overlijden is het directe gevolg geweest van verwikkelingen van opgelopen schedelhersenletsel. Ter zitting van het hof is Maes als deskundige gehoord.

Gelet op voorgaande concludeert het hof dat [slachtoffer] is overleden als gevolg van een steek in zijn hoofd.

Door de verdediging wordt betwist dat verdachte degene is die het dodelijk letsel bij [slachtoffer] heeft veroorzaakt. Verdachte heeft omtrent het ten laste gelegde verklaard [slachtoffer] noch te hebben gestoken, noch hem bovenop zijn hoofd te hebben geslagen. Hij verklaart hem slechts eenmaal, in zijn gezicht te hebben geslagen. De raadsvrouw heeft aangevoerd dat de verklaringen van [getuige1] onbetrouwbaar zijn en dienen te worden uitgesloten voor het bewijs, aangezien hij wisselend heeft verklaard en zijn verklaringen mogelijk zijn ingegeven door eigenbelang.

Het hof gaat hierin zoals voormeld niet mee. De verklaringen van [getuige1] zijn in de kern helder en consistent. Hij heeft ter zitting nadrukkelijk verklaard dat hij heeft gezien dat niemand anders dan verdachte geweld tegen [slachtoffer] heeft gebruikt, en dat hij verdachte beschouwt als degene die de dood van [slachtoffer] heeft veroorzaakt. Ook heeft hij ter zitting van het hof verklaard dat het gebeuren een traumatische ervaring voor hem is geweest en dat hij het heel lastig vond om een verklaring af te leggen omtrent het gebeurde, omdat het slachtoffer zijn neef was en verdachte een goede vriend. Het hof beschouwt het voorgaande als een aannemelijke verklaring voor het feit dat [getuige1] op het punt van zijn herkenning van verdachte als de dader aarzelend en terughoudend heeft verklaard. Dit doet geen afbreuk aan de betrouwbaarheid van zijn verklaringen omtrent het ten laste gelegde. Bovendien worden de verklaringen van [getuige1] in voldoende mate ondersteund door andere bewijsmiddelen.

Allereerst worden zijn verklaringen ondersteund door de verklaring van twee ooggetuigen; [getuige2] en [getuige3]. [getuige2] is die bewuste nacht ook in de [uitgaansgelegenheid] en loopt samen met [getuige3] na sluitingstijd naar buiten. Hij ziet [slachtoffer] en (naar later blijkt:) [getuige1] staan. Hij ziet een negroïde man op [slachtoffer] af rennen. [slachtoffer] staat met de rug naar de persoon toen. Op het moment dat de persoon bij [slachtoffer] is, springt hij omhoog en slaat hij met zijn hand op het hoofd van [slachtoffer]. Direct daarna zakt deze in elkaar en ziet de getuige een gat in het hoofd van [slachtoffer]. De dader rent weg. [getuige2] gaat direct op [slachtoffer] af om te helpen. [getuige3] verklaart dat hij [slachtoffer] ziet ‘struggelen’ met een jongen. Hij ziet armen zwaaien en ziet dat [slachtoffer] op de grond valt. De andere jongen rent weg, het lijkt wel of [slachtoffer] dood is. Hij ziet een andere jongen (naar later blijkt: [getuige1]) bij [slachtoffer] komen.

De verklaringen van [getuige1] worden tevens ondersteund door de verklaring van [getuige4]. Zij is zowel door de politie als door de raadsheer-commissaris gehoord. Bij de raadsheer-commissaris heeft zij verklaard dat verdachte haar de dag na het incident heeft verteld dat hij bij de [uitgaansgelegenheid] was met zijn groep en dat verdachte daar achter een pilaar had gestaan. Verder vertelde hij haar dat hij daarna achter de pilaar vandaan was gekomen, op [slachtoffer] was afgegaan en hem vervolgens in zijn hoofd had gestoken. Verder heeft zij bij de raadsheer-commissaris verklaard dat zij bij de politie geen volledige verklaring had afgelegd omdat zij bang is voor haar veiligheid. Het hof beschouwt dit als een aannemelijke verklaring voor het feit dat zij bij de politie -zoals zij zelf zegt- ‘stukjes heeft weggelaten’. De verklaring van [getuige4], afgelegd bij de raadsheer-commissaris, wordt ondersteund door de verklaring van [getuige5]. Ook zij is gehoord door zowel de politie als de raadsheer-commissaris. Zij heeft telkens verklaard dat [getuige4] haar de dag na het overlijden van [slachtoffer] heeft verteld dat verdachte haar op 30 oktober 2010 had verteld dat hij de avond daarvoor had gevochten met [slachtoffer] en dat hij [slachtoffer] had gestoken.

Gelet op de verklaringen van [getuige1], [getuige2], [getuige3], [getuige4] en [getuige5], in onderling verband en samenhang bezien, acht het hof de verklaring van verdachte, dat het enige geweld dat hij op 30 oktober 2010 op [slachtoffer] heeft uitgeoefend een slag in [slachtoffer] gezicht was, niet geloofwaardig.

Het hof acht op grond van voorgaande wettig en overtuigend bewezen dat verdachte [slachtoffer] met een mes dan wel een ander scherp en/of puntig voorwerp in zijn hoofd heeft gestoken, tengevolge waarvan [slachtoffer] is overleden. Dat de steekwond op een ander moment, door een ander persoon zou zijn toegebracht, zoals door de verdediging als mogelijkheid naar voren is gebracht, acht het hof reeds gelet op voorgaande, betrouwbaar geachte verklaringen niet aannemelijk geworden. Het hof heeft hiervoor bovendien in het dossier noch in het verhandelde ter zitting enig aanknopingspunt gevonden.

De volgende vraag die het hof dient te beantwoorden is of er sprake is geweest van voorbedachte raad. Bij de beoordeling van die vraag heeft het hof in het bijzonder gelet op de overwegingen van de Hoge Raad in zijn arrest van 28 februari 2012 (LJN BR2342, NJ 2012/518).

‘Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel "voorbedachte raad" moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.

Bij de vraag of sprake is van voorbedachte raad gaat het bij uitstek om een weging en waardering van de omstandigheden van het concrete geval door de rechter, waarbij deze het gewicht moet bepalen van de aanwijzingen die voor of tegen het bewezen verklaren van voorbedachte raad pleiten. De vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden op het te nemen of het genomen besluit vormt weliswaar een belangrijke objectieve aanwijzing dat met voorbedachte raad is gehandeld, maar behoeft de rechter niet ervan te weerhouden aan contra-indicaties een zwaarder gewicht toe te kennen. Daarbij kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de omstandigheid dat de besluitvorming en uitvoering in plotselinge hevige drift plaatsvinden, dat slechts sprake is van een korte tijdspanne tussen besluit en uitvoering of dat de gelegenheid tot beraad eerst tijdens de uitvoering van het besluit ontstaat. Zo kunnen bepaalde omstandigheden (of een samenstel daarvan) de rechter uiteindelijk tot het oordeel brengen dat de verdachte in het gegeven geval niet met voorbedachte raad heeft gehandeld.

Mede met het oog op het strafverzwarende gevolg dat dit bestanddeel heeft, moeten - anders dan wel uit eerdere rechtspraak van de Hoge Raad wordt afgeleid - aan de vaststelling dat de voor voorbedachte raad vereiste gelegenheid heeft bestaan, bepaaldelijk eisen worden gesteld en dient de rechter, in het bijzonder indien de voorbedachte raad niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen volgt, daaraan in zijn motivering van de bewezenverklaring nadere aandacht te geven’

Het hof gaat uit van de hiervoor geschetste feiten en omstandigheden. Hieruit leidt het hof af dat er geen aanwijzingen zijn dat verdachte het besluit om [slachtoffer] in zijn hoofd te steken heeft genomen in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. Verdachte en [slachtoffer] hadden weliswaar een nog lopend confict met elkaar dat al enige malen tot een vechtpartij had geleid, maar deze avond en nacht hadden ze elkaar niet opgezocht in de uitgaansgelegenheden en was het rustig gebleven tussen beiden. Ook anderszins is niet gebleken dat verdacht direct voorafgaand aan het fatale incident niet in staat was na te denken over zijn voorgenomen daad en de mogelijke gevolgen daarvan. Verdachte heeft ook voldoende tijd en gelegenheid gehad om daarover na te denken. Getuige [getuige4] heeft verklaard dat verdachte tegen haar verteld heeft dat hij gedurende enige tijd achter een pilaar heeft staan wachten. Dit wordt niet weersproken door getuigenverklaringen; niemand heeft verklaard verdachte te hebben gezien voordat hij van onder de luifel vandaan zijn aanval inzette. In die situatie moet verdachte een steekwapen ter hand hebben genomen. Vervolgens is hij van achteren op [slachtoffer] afgerend, die op dat moment stond te praten met [getuige1], en heeft verdachte [slachtoffer] van achteren zonder dralen en doelgericht in zijn hoofd gestoken. Meteen daarna heeft verdachte zich zo snel mogelijk uit de voeten gemaakt.

Dit handelen van verdachte, in deze situatie, heeft naar zijn uiterlijke verschijningsvorm alle kenmerken van een tevoren beraamde aanslag en wordt door het hof bezien in het licht van de gewelddadige voorgeschiedenis van het slachtoffer met verdachte.

Op grond van voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan de moord op [slachtoffer]. Het hof verwerpt de verweren.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:


hij op 30 oktober 2010 in de gemeente [gemeente] opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, die [slachtoffer] met kracht

- met een scherp en/of puntig voorwerp in het hoofd gestoken

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] op 1 november 2010 is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

moord.

Strafbaarheid van het feit en de verdachte

Voor zover de verdediging beoogt heeft een beroep te doen op noodweer danwel noodweerexces wordt dit verweer verworpen, nu verdachte niet onderhevig is geweest aan een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding.

Verdachte is strafbaar aangezien ook anderszins geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan moord, een delict dat algemeen wordt beschouwd als één van de ernstigste delicten die het Nederlandse strafrecht kent. De verdachte heeft welbewust een jong mensenleven beëindigd en daarmee een onomkeerbaar verlies teweeg gebracht. Door dit gewelddadig optreden heeft verdachte het slachtoffer beroofd van het meest fundamentele recht van een mens, namelijk het recht op leven en is aan de familie en naaste omgeving van het slachtoffer immens en onherstelbaar leed aangedaan. De familie van het slachtoffer zal verder moeten leven zonder de zorg en steun van hun zoon en broer, hetgeen blijkens de schriftelijke verklaring van de moeder van [slachtoffer], die ter zitting door de voorzitter is voorgelezen, een bijzonder zware last voor hen is.

Door een delict als het onderhavige wordt de rechtsorde zeer ernstig geschokt; het brengt in de maatschappij gevoelens van onrust en onveiligheid teweeg.

Verdachte heeft ontkend het feit te hebben gepleegd. Het hof komt desondanks tot een bewezenverklaring. Het hof stelt vast dat verdachte niet de verantwoordelijkheid heeft genomen voor zijn handelen. Getoond besef van verantwoordelijkheid kan onder omstandigheden voor de rechter aanleiding zijn tot enige mildheid omdat strafvervolging mede ten doel heeft verdachte tot inkeer te brengen. In het geval van verdachte is dat doel (nog) niet bereikt. Voor clementie om die reden bestaat vooralsnog dan ook geen grond.

Door de ontkenning van verdachte wordt het de nabestaanden moeilijker gemaakt het verlies van [slachtoffer] te verwerken. De ervaring leert dat dergelijke gebeurtenissen beter verwerkt kunnen worden indien de dader inzicht geeft in het waarom van zijn handelen en de verantwoordelijkheid voor zijn daden neemt.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte overweegt het hof voorts dat hij blijkens het hem betreffend uittreksel uit het justitieel documentatieregister d.d. 17 juli 2013 eerder meermalen onherroepelijk is veroordeeld wegens vermogensdelicten.

Gelet op het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien, dient naar oordeel van het hof een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van lange duur opgelegd te worden. Het hof is met de advocaat-generaal van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 14 jaren een passende en geboden bestraffing is. De door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf van tien jaren doet onvoldoende recht aan de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan.

Benadeelde partij

De benadeelde partij [benadeelde] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 737,-. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

De verdediging heeft de vordering inhoudelijk niet weersproken. Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het primair bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 36f en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het primair bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 (veertien) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde] ter zake van het primair bewezen verklaarde tot het bedrag van € 737,00 (zevenhonderdzevenendertig euro) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 8 juni 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [benadeelde], een bedrag te betalen van € 737,00 (zevenhonderdzevenendertig euro) als vergoeding voor materiële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 14 (veertien) dagen hechtenis, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat voormelde betalingsverplichting ter zake van de materiële schade vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 8 juni 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de Staat daarmee zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij in zoverre komt te vervallen en andersom dat, indien de verdachte heeft voldaan aan zijn verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee zijn verplichting tot betaling aan de Staat in zoverre komt te vervallen.

Aldus gewezen door

mr. J.A.A.M. van Veen, voorzitter,

mr. W. Foppen en mr. J. Dolfing, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. M. Zevenhuizen, griffier,

en op 12 september 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. Foppen is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.