Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:6680

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-09-2013
Datum publicatie
11-09-2013
Zaaknummer
200.104.160-01
Rechtsgebieden
Verbintenissenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Levering rubbervloer voor ligboxenstal. Bewijs dat vloer gebreken vertoonde terecht aan kopen opgedragen. Bewijs niet geleverd. Geen tekortkoming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN

locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.104.160/01

(zaaknummer rechtbank Leeuwarden 99824/HA ZA 09-912)

arrest van de tweede kamer van 3 september 2013

in de zaak van

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

in eerste aanleg: eiser in conventie en verweerder in reconventie,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. M.J.H. van Baalen, kantoorhoudend te Wageningen,

tegen

1 Cowhouse International B.V.,

gevestigd te Surhuisterveen,

hierna: Cowhouse,

advocaat: mr. F.R.H. Kuiper, kantoorhoudend te Hattem,

2. Comfort Solutions Europe B.V.,

gevestigd te Ter Apel,

hierna: CSE,

advocaat: mr. W.H. Bussink, kantoorhoudend te Emmen,

geïntimeerden,

in eerste aanleg: gedaagden in conventie en eisers in reconventie,

hierna gezamenlijk te noemen: Cowhouse c.s.

1 Het geding in eerste aanleg

In eerste aanleg is geprocedeerd en beslist zoals weergegeven in de vonnissen van 17 maart 2010, 6 oktober 2010 en 14 december 2011 van de rechtbank Leeuwarden.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure is als volgt:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 8 maart 2012,

- de memorie van grieven tevens houdende vermeerdering van eis (met producties),

- de memorie van antwoord van Cowhouse (met producties),

- de memorie van antwoord van CSE,

- een akte van [appellant],

- een antwoordakte van Cowhouse,

- een antwoordakte van CSE.

2.2

Vervolgens hebben partijen de stukken voor het wijzen van arrest overgelegd en heeft het hof arrest bepaald.

2.3

De vordering van [appellant] luidt, na vermeerdering van eis bij memorie van grieven:

"1. het vonnis waarvan hoger beroep te vernietigen;

2. 2. opnieuw rechtdoende bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,
geïntimeerden in hoger beroep te veroordelen, des de een betalend des de ander

bevrijdend, om aan [appellant] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen:

a. een bedrag van € 45.145,-- ex. BTW, te vermeerderen met de wettelijke
rente vanaf 15 maart 2007, dan wel een nader door uw hof te bepalen datum;
b. een bedrag van € 34.507,60 ex. BTW, te vermeerderen met de wettelijke

rente vanaf 15 maart 2007, dan wel een nader door uw hof te bepalen
datum;

c. een bedrag van € 15.992,50 ex. BTW, te vermeerderen met de wettelijke

rente vanaf 18 juni 2007, zijnde de datum van betaling dan wel een nader

door uw hof te bepalen datum;

d. een bedrag van € 677,19 incl. BTW, vermeerderd met de wettelijke rente

vanaf 23 juli 2007, dan wel een nader door uw hof te bepalen datum;

3. geïntimeerden te veroordelen om al hetgeen [appellant] ter uitvoering van het
bestreden vonnis aan geïntimeerde(n) reeds zou hebben voldaan aan hen het hof leest: hem] terug te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der voldoening tot aan de dag van terugbetaling;

4. geïntimeerden te veroordelen in de kosten van de procedure in beide instanties,

te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien
dagen na betekening van het arrest en, voor het geval voldoening van de (na)kosten

niet binnen de gestelde termijn plaats vindt, te vermeerderen met de wettelijke

rente over de (na) kosten te rekenen vanaf de dag na het verstrijken van de
hiervoor bedoelde termijn van veertien dagen."

3 Ontvankelijkheid van het hoger beroep

3.1

CSE en Cowhouse hebben benadrukt dat [appellant] bij zijn appeldagvaarding niet in beroep is gekomen van het tussenvonnis van 6 oktober 2010. CSE meent dat [appellant], die in zijn memorie van grieven toch klachten tegen genoemd vonnis heeft geformuleerd, in zoverre niet ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn hoger beroep.

3.2

Het hof verwerpt dat standpunt. De rechtsstrijd in appel wordt naar vaste rechtspraak niet enkel en definitief omlijnd door de appeldagvaarding maar mede door de in de memorie van grieven voorgestelde grieven. Blijkens art. 343 lid 1 Rv hoeft de appeldagvaarding immers niet de middelen uit te drukken waarop het hoger beroep is gegrond, zodat de appellant bij het opstellen daarvan zijn aandacht nog niet op een scherpe omlijning van het hoger beroep hoeft te richten (HR 16 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT7494).

4 De feiten en de bespreking van grief I

4.1

Grief I is gericht tegen de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging
3 van het vonnis van 6 oktober 2010.

4.2

De grief klaagt dat onderdelen van het feitencomplex onderbelicht zijn gebleven.
De grief strekt ertoe de gepresenteerde feiten aan te vullen en waar nodig te corrigeren.
In de uitvoerige toelichting op de grief wordt evenwel niet duidelijk aangegeven welke van de door de rechtbank vastgestelde feiten onjuist zouden zijn.
Voor zover de grief inhoudt dat de weergave van de feiten door de rechtbank onvolledig is, overweegt het hof dat er geen rechtsregel is die de rechter verplicht alle door de ene partij gestelde en door de andere partij erkende of niet weersproken feiten als vaststaand in de uitspraak te vermelden. Het staat de rechter vrij uit de tussen partijen vaststaande feiten die selectie te maken welke hem voor de beoordeling van het geschil relevant voorkomt.

Hetgeen [appellant] in de toelichting op deze grief ter aanvulling van de feiten aanvoert, wordt op essentiële onderdelen door Cowhouse en CSE betwist bij hun memories van antwoord, zodat het hof de door [appellant] gegeven aanvulling niet als vaststaand zal aanmerken.

4.3

Grief I faalt.

4.4

De grieven II en III zijn gericht tegen (een deel van) de weergave van de vaststaande feiten in rechtsoverweging 3.2, 5.7 en 3.7 van genoemd vonnis van 6 oktober 2010 is. Voor het overige is tegen de vaststelling van de feiten door de rechtbank geen grief ontwikkeld en ook anderszins is niet van bezwaren daartegen gebleken, zodat ook in hoger beroep van die feiten zal worden uitgegaan, zulks met inachtneming van hetgeen hierna met betrekking tot de grieven II en III zal worden overwogen. Het gaat daarbij voor zover in dit hoger beroep van belang om het volgende.

4.5

[appellant] exploiteert een boerenbedrijf in [woonplaats]. In 2006 heeft [appellant] een nieuwe ligboxenstal voor zijn melkvee laten bouwen.

4.6

Op 3 augustus 2006 heeft Cowhouse aan [appellant] een offerte uitgebracht voor de levering van een rubber vloer, welke offerte [appellant] heeft geaccepteerd. In die periode werd de fundering van de ligboxenstal gelegd. Cowhouse heeft in maart 2007 een rubber vloer, bestaande uit rubber matten (hierna: de rubber vloer) aan [appellant] geleverd.

4.7

Cowhouse heeft de rubber matten van CSE gekocht en geleverd gekregen.

4.8

Op een vrijdag in maart 2007 is [Cowhouse dealer], handelend onder de naam ESL Agri, (hierna: [Cowhouse dealer]) begonnen met het leggen van de rubber vloer. [Cowhouse dealer] is bekend als een Cowhouse-dealer. De rubber vloer bestaat uit vier grote matten per loopgang. De matten worden bij elkaar gehouden door strips van kunststof. Op de roosters in de loopgang liggen rubber strips.

4.9

Het leggen van de rubber vloer heeft zo’n twee tot drie dagen in beslag genomen. De heer [namens CSE] van CSE was de eerste dag op verzoek van Cowhouse bij het leggen van de rubber vloer aanwezig, omdat [Cowhouse dealer] geen ervaring had met het leggen van dit soort rubber vloeren. Daarnaast was een monteur van Cowhouse bij het leggen van de rubber vloer aanwezig.

4.10

[namens CSE] heeft aan [Cowhouse dealer] laten weten dat de plaatsing van de gleuven van de mestroosters haaks op de mestschuif ertoe zou leiden dat de mest er minder goed doorheen zou vallen.

4.11

[Cowhouse dealer] heeft de mestschuiven geleverd en geplaatst.

4.12

Op 30 maart 2007 heeft Cowhouse aan [appellant] een bedrag van € 22.022,14 gefactureerd. [appellant] heeft aan Cowhouse een bedrag van € 15.992,50 betaald. Later heeft Cowhouse een bedrag van € 677,19 gecrediteerd. [appellant] heeft het resterende bedrag van € 5.352,45 onbetaald gelaten.

4.13

Medio 2009 heeft [appellant] de rubber vloer laten verwijderen en een nieuwe rubber vloer doen plaatsen.

5 Het geschil en de beslissing van de rechtbank

5.1

[appellant] heeft gevorderd Cowhouse en CSE hoofdelijk te veroordelen tot het betalen van (vervangende en aanvullende) schadevergoeding alsmede tot het betalen van buitengerechtelijke kosten. Cowhouse en CSE hebben verweer gevoerd. Cowhouse heeft in reconventie betaling van een openstaande factuur gevorderd.

5.2

De rechtbank heeft de vordering van [appellant] op CSE afgewezen daar [appellant] geen rechten kan ontlenen aan de garantie door CSE aan Cowhouse. Er is voorts geen sprake van een aanbod tot reparatie. CSE is jegens [appellant] niet tekortgeschoten.

5.3

[appellant] baseert zijn vordering op Cowhouse op toerekenbare tekortkoming en stelt daartoe dat de door Cowhouse geleverde vloer niet deugdelijk is. Cowhouse stelt dat de door [appellant] genoemde problemen niet aan haar zijn toe te rekenen. In het bij tussenvonnis opgedragen bewijs dat sprake was van gebreken aan de vloer en de koppelstrips ten tijde van de aflevering is [appellant] niet geslaagd, waarop zijn vordering is afgewezen. De reconventionele vordering van Cowhouse op [appellant] is toegewezen.

6 Vermeerdering van eis

Cowhouse en CSE hebben geen bezwaar gemaakt tegen de eiswijziging van [appellant]. Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Ter zake van de vordering van [appellant] zal derhalve recht worden gedaan op de gewijzigde eis.

7 Bespreking van de overige grieven

7.1

Grief II klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [appellant] een offerte heeft geaccepteerd voor de levering van een rubber vloer bestaande uit rubbermatten en dat tussen partijen vaststaat dat dit rubber van de rol betreft.

7.2

[appellant] stelt zich bij memorie van grieven voor het eerst op het standpunt dat Cowhouse een andere rubber vloer heeft geleverd dan partijen waren overeengekomen. Hij betoogt dat Cowhouse het contract dat [appellant] eerder met Wijsman had gesloten heeft 'overgenomen' en dat Cowhouse geen rolmatten maar puzzelmatten diende te leveren.

Cowhouse heeft een en ander gemotiveerd betwist.

7.3

Het hof overweegt dat uit de in het geding gebrachte stukken niet blijkt van een contractsovername. [appellant] heeft ook niet gesteld dat aan de vereisten voor contractsovername is voldaan (art. 6:159 BW) en dat is ook overigens niet gebleken.
heeft gesteld dat Cowhouse een vloer van puzzelmatten heeft geoffreerd. Cowhouse heeft bevestigd dat partijen aanvankelijk hebben gesproken over puzzelmatten, maar heeft benadrukt dat zij uiteindelijk levering van rolmatten zijn overeengekomen. [appellant] kwam zelf met de vraag of levering van rubber op rol tot de mogelijkheden behoorde, aldus Cowhouse.
en zijn echtgenote hebben ter gelegenheid van de comparitie van partijen in eerste aanleg blijkens het proces-verbaal van die zitting verklaard dat zij op advies van Cowhouse hebben gekozen voor matten van de rol. In de toelichting op grief II stelt [appellant] dat hij, als hij de door Cowhouse geleverde mat zou hebben gekend, die nooit, althans niet zonder meer zou hebben aangeschaft. Ook dit duidt erop dat partijen wel degelijk levering van rubber matten van de rol zijn overeengekomen.
Vast staat dat Cowhouse rubber matten van de rol aan [appellant] heeft geleverd. Als dat niet conform de overeenkomst was, had het voor de hand gelegen dat [appellant] ter zake onmiddellijk bij Cowhouse had gereclameerd en had geweigerd de matten in ontvangst te nemen. Daarvan is echter geen sprake geweest. Integendeel, [appellant] heeft de matten laten installeren door [Cowhouse dealer]. In de tussen partijen gevoerde correspondentie heeft [appellant] nimmer het standpunt ingenomen dat Cowhouse puzzelmatten had moeten leveren.
Voor zover [appellant] vordering is gebaseerd op de stelling dat de tekortkoming van Cowhouse is gelegen in het leveren van verkeerde matten, stuit die op het hiervoor overwogene af.

7.4

Grief XI klaagt dat de rechtbank [appellant] standpunt niet volledig heeft weergegeven aangezien [appellant] de gebreken aan de mat tevens wijdt aan het feit dat de mat niet aan de overeenkomst beantwoordt. Het hof begrijpt deze grief - evenals Cowhouse - bij gebreke van een duidelijke toelichting aldus dat [appellant] ook hier doelt op zijn eerst in hoger beroep ingenomen standpunt dat partijen levering van puzzelmatten zijn overeengekomen. Deze grief stuit af op hetgeen hiervoor in r.o. 7.3 is overwogen.

7.5

Grief XI faalt.

7.6

[appellant] heeft in de toelichting op grief II voorts gesteld dat uit de factuur van Cowhouse blijkt dat partijen ook de montage van de vloer zijn overeengekomen, nu daarvoor € 560,- excl. btw in rekening is gebracht. Ook grief VII houdt in dat er tussen [appellant] en Cowhouse niet slechts sprake is van een koopovereenkomst, maar tevens van een aannemingsovereenkomst voor het (laten) leggen van de rubberen mat.

[appellant] geeft voor deze, door Cowhouse gemotiveerd betwiste stelling geen andere onderbouwing dan door te verwijzen naar de factuur van Cowhouse, waarbij Cowhouse aanvankelijk een bedrag van € 560,- excl. btw aan montagekosten in rekening bracht.

7.7

Cowhouse heeft gemotiveerd uiteen gezet dat dit bedrag ten onrechte in rekening is gebracht aangezien er exclusief montage was geoffreerd en dat zij [appellant] een creditfactuur heeft gestuurd voor dat bedrag. Cowhouse heeft benadrukt dat [appellant] naar aanleiding van de door Cowhouse gegeven specificatie en creditering niet heeft geprotesteerd. [appellant] heeft dat niet weersproken.
Bovendien staat tussen partijen vast dat [Cowhouse dealer] belast was met het leggen van de rubber vloer en dat [appellant] hem daarvoor heeft betaald (mvg sub 14).

Nu verder iedere onderbouwing voor de stelling dat partijen tevens waren overeengekomen dat Cowhouse de door haar geleverde vloer zou leggen ontbreekt, is voor bewijslevering op dit punt geen plaats, nog daargelaten dat daartoe ook geen voldoende concreet en gespecificeerd aanbod is gedaan.

7.8

De grieven II en VII falen.

7.9

Grief III houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat het door [appellant] ingeschakelde bouwbedrijf voor het leggen van de vloer veranderingen heeft aangebracht aan de betonnen vloer. [appellant] stelt dat de vloer monolitisch was afgewerkt en strak, glad en naar behoren was opgeleverd.
Cowhouse en CSE betogen daarentegen dat de betonnen vloer gebreken vertoonde.
CSE stelt dat zij [appellant] al bij de start van de werkzaamheden heeft gezegd dat de vloer daardoor ongeschikt was voor het leggen van rubber matten. Cowhouse stelt dat de vloer met name rond de geleiderail voor de mestschuif niet was afgewerkt en dat met snelbeton getracht is daarvoor een oplossing te vinden.

7.10

Het hof stelt vast dat het verweer van Cowhouse en CSE op dit punt wordt ondersteund door de verklaringen die in eerste aanleg zijn afgelegd door de getuigen
[namens CSE], [betrokkene] en [Cowhouse dealer].
[namens CSE] heeft verklaard:

"Ik heb vastgesteld, samen met [Cowhouse dealer], dat de vloer op sommige plekken geëgaliseerd moest worden en dat de roosters in de verkeerde richting lagen. Verder moest bij de geleidebaan nog beton worden aangebracht."

[betrokkene] heeft verklaard:

"Ik weet nog dat er discussie was over een aantal zaken die niet goed waren. Zo is er gesproken dat de vloer er niet helemaal strak in lag."

[Cowhouse dealer] heeft verklaard:

"Er was sprake van een ongelijk en niet strakke vloer en het beton was op sommige plekken van slechte kwaliteit. Ik heb [appellant] daarop gewezen."

Deze verklaringen zijn op dit punt niet weerlegd door verklaringen van andere getuigen.
[appellant] heeft bij memorie van grieven in dit kader bewijs aangeboden door de getuigenverklaringen van [betrokkene 2] en [betrokkene 3] van het feit dat er na het verwijderen van de oude vloer en voor het plaatsen van de nieuwe vloer geen aanpassingen aan de betonnen ondervloer zijn aangebracht en dat de ondervloer geen bandensporen vertoont. Daar deze feiten echter niet kunnen toe- of afdoen aan de beslissing, gaat het hof aan het aanbod tot bewijs daarvan voorbij.
[appellant] heeft voorts aangeboden [bedrijfsverzorger], bedrijfsverzorger, als getuige te doen horen, die zou kunnen verklaren dat de vloer was uitgehard toen de rolmatten werden gelegd. [appellant] biedt evenwel niet aan te bewijzen dat de vloer egaal en glad was, terwijl dat nu juist cruciaal is, gelet op het door Cowhouse en CSE gevoerde verweer.

7.11

Het hof passeert het bewijsaanbod dan ook als niet ter zake doende.

7.12

Grief III faalt.

7.13

Grief IV houdt in dat de vaststelling door de rechtbank dat [appellant] een nieuwe rubber vloer heeft doen plaatsen onvolledig is nu de rechtbank daarbij niet heeft vermeld dat de nieuwe vloer uit puzzelmatten bestaat. Zoals het hof reeds in het kader van de bespreking van grief I heeft overwogen, staat het de rechter vrij uit de tussen partijen vaststaande feiten die selectie te maken welke hem voor de beoordeling van het geschil relevant voorkomt.

7.14

De grief - waarvan het hof het belang niet vermag in te zien - is vergeefs voorgedragen.

7.15

De grieven V en VI zien op de afwijzing van [appellant] vordering op CSE en lenen zich voor een gezamenlijke bespreking.

7.16

[appellant] heeft niet gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank dat hij geen rechten kan ontlenen aan de garantie die CSE aan Cowhouse heeft verstrekt, zodat dat niet langer in geschil is.

7.17

[appellant] klaagt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hij niet had mogen begrijpen dat CSE hem onvoorwaardelijk heeft aangeboden tot reparatie van de rubberen vloer over te gaan. [appellant] beroept zich in dat verband op e-mails van CSE van 24 september 2008, 20 oktober 2008 en 10 november 2008. Uit die e-mails blijkt evenwel niet meer dan dat CSE zich heeft ingespannen om te bemiddelen tussen Cowhouse en [appellant] om tot een oplossing van de problemen te komen. Een toezegging dat CSE zelf voor reparatie zal zorg dragen blijkt daaruit niet.

7.18

[appellant] klaagt voorts dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat van enige tekortkoming van CSE jegens [appellant] niet is gebleken. [appellant] stelt dat CSE
"ten behoeve van [appellant] is ingeschakeld om het installatieproces te begeleiden" en dat CSE daarin tekort is geschoten.
CSE heeft nadrukkelijk betwist dat er sprake is van een contractuele relatie tussen haar en [appellant]. Zij heeft de door [appellant] aangewezen installateur slechts van adviezen voorzien. [appellant] stelt zelf ook niet dat hij ter zake een overeenkomst met CSE is aangegaan: hij voert aan dat CSE ten behoeve van hem is ingeschakeld. Door wie CSE is ingeschakeld en hoe dat zou hebben geleid tot een overeenkomst tussen CSE en [appellant] maakt [appellant] niet duidelijk.

7.19

De grieven V en VI zijn vergeefs voorgedragen.

7.20

Grief VIII houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat op het feit dat de rubberen vloer geen koordlaag had c.q. niet met nylon was verstevigd geen tekortkoming kan worden gebaseerd.
[appellant] maakt niet duidelijk waarom het ontbreken van een koordlaag of nylon een tekortkoming oplevert, nu niet is gesteld of gebleken dat dit tussen partijen was overeengekomen. Van een tekortkoming kan daarmee geen sprake zijn.

7.21

Voor zover [appellant] in de toelichting op deze grief betoogt dat de tekortkoming in de koopovereenkomst daarin is gelegen dat er een heel ander type mat is geleverd dan was overeenkomen (mat van de rol in plaats van puzzelstukken), stuit dit betoog af op de bij de bespreking van grief II (in r.o. 7.3) genoemde gronden.

7.22

[appellant] heeft verder aangevoerd dat Cowhouse wist althans behoorde te weten

welke mestschuif [appellant] wilde gaan gebruiken. Hij is van mening dat Cowhouse, als zij meende dat deze mestschuif geen goede combinatie met de vloer vormde, een andere vloer of een andere mestschuif had moeten leveren.

Cowhouse heeft als verweer gevoerd dat de mestschuif heel goed samen kan gaan met de vloer, maar dat de omstandigheden bij [appellant] niet goed waren waardoor er problemen ontstonden. Het aanbod van Cowhouse om herstelwerkzaamheden te verrichten en de - niet door haar maar door [Cowhouse dealer] geleverde - mestschuif van rubberen strips te voorzien geschiedde louter coulancehalve en hield geen erkenning van aansprakelijkheid in, aldus Cowhouse.

7.23

Cowhouse heeft aan haar toezegging om herstelwerkzaamheden te verrichten de voorwaarde verbonden dat [appellant] eerst de openstaande facturen zou voldoen. Cowhouse stelt zich immers op het standpunt dat de ontstane problemen niet aan de kwaliteit van de door haar geleverde mat zijn te wijten, maar aan omstandigheden die voor rekening van [appellant] komen. Volgens Cowhouse is de oorzaak gelegen in een (combinatie van een) aantal factoren, te weten: oneffenheid van de betonnen ondervloer, de constructie van de mestroosters die haaks op de mestschuif waren aangebracht, het feit dat de mestschuif van een metalen blad was voorzien en de omstandigheid dat [appellant] naliet de mest die niet in de roosters werd afgeschoven handmatig te verwijderen. [appellant] is niet tot betaling van de openstaande factuur overgegaan en heeft zich op enig moment zelf op een opschortingsrecht beroepen. Het hof overweegt dienaangaande dat [appellant] slechts de bevoegdheid heeft om zich op een opschortingsrecht te beroepen, als komt vast te staan dat Cowhouse in haar verplichtingen jegens [appellant] tekort is geschoten. Het is aan [appellant] daartoe feiten en omstandigheden te stellen en gezien de gemotiveerde betwisting van Cowhouse te bewijzen, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen.

7.24

Grief VIII faalt.

7.25

Uit hetgeen in r.o. 7.3 en 7.23 is overwogen volgt dat ook grief IX, die inhoudt dat de rechtbank [appellant] ten onrechte met het bewijs van de ondeugdelijkheid van de geleverde matten heeft belast, vergeefs is voorgedragen.

7.26

De rechtbank heeft geoordeeld dat [appellant] niet in het hem opgedragen bewijs is geslaagd. Tegen dat oordeel heeft [appellant] geen grief gericht.
Nu niet is komen vast te staan dat Cowhouse jegens [appellant] tekort is geschoten, falen ook de grieven X en XII en XIII.

Slotsom

7.27

De vonnissen waarvan beroep zullen worden bekrachtigd. [appellant] zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep. Deze kosten worden tot aan deze uitspraak wat betreft het geliquideerd salaris voor de advocaat zowel aan de zijde van Cowhouse als aan de zijde van CSE begroot op € 1.631,-
(1 punt tarief IV), waarbij de proceskostenveroordeling ten gunste van CSE zoals door haar gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad wordt verklaard.

De beslissing

Het gerechtshof:

bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Leeuwarden waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep en begroot die tot aan deze uitspraak voor zover gevallen aan de zijde van Cowhouse op € 1.815,-- aan verschotten en op € 1.631,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat en aan de zijde van CSE op

€ 1.815,-- aan verschotten en op € 1.631,-- aan geliquideerd salaris voor de advocaat;

verklaart de proceskostenveroordeling ten gunste van CSE uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mr. K.M. Makkinga, mr. M.M.A. Wind en mr. G. van Rijssen en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op dinsdag 3 september 2013.