Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:6555

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-09-2013
Datum publicatie
06-09-2013
Zaaknummer
21-004498-12
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2011:BQ3278, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het hof acht bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan belaging, wederspannigheid ten gevolge waarvan enig letsel is ontstaan (meermalen gepleegd), aan drie feiten betreffende vernieling of beschadiging, alsook aan huisvredebreuk.

Het hof acht de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar en ontslaat hem van alle rechtsvervolging.

Ter zake van de bewezenverklaarde belaging en wederspannigheid ten gevolge waarvan enig letsel is ontstaan, wordt aan de verdachte de maatregel van ter beschikking stelling met dwangverpleging opgelegd. Deze is in duur ongelimiteerd omdat de feiten ter zake waarvan de maatregel wordt opgelegd zich richten tegen of een gevaar opleveren voor de onaantastbaarheid van het lichaam. Anders dan de raadsman is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan met de plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004498-12

Uitspraak d.d.: 3 september 2013

TEGENSPRAAK

Promis

Verkort arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van 23 oktober 2012 in de strafzaak met parketnummer 05-700977-12 tegen

[verdachte] ,

geboren te Curaçao (Nederlandse Antillen) op [geboortedatum],

thans verblijvende in [Kliniek] te [plaats 1].

Het hoger beroep

De verdachte heeft tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting van het hof van 20 augustus 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd. Het hof heeft voorts kennis genomen van hetgeen door verdachte en zijn raadsman, mr R.A.C. Frijns, advocaat te Arnhem, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen omdat het tot een andere beslissing komt ten aanzien van de benadeelde partij [verbalisant 1].

Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

1.
hij op meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van mei 2012 t/m 29 juni 2012 te [plaats 2], gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, (telkens) wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, hierin bestaande dat verdachte gedurende deze periode een of meer (liefdes)brief/-ven en/of bloemen, gericht aan en/of bedoeld voor die [slachtoffer], heeft bezorgd en/of laten bezorgen op het adres[adres] te [plaats 2] en/of meermalen bij genoemde woning en/of op het erf van die woning heeft gestaan en/of vertoefd en/of (op of omstreeks 29 juni 2012) voornoemd erf en/of voornoemde woning is binnengedrongen en/of in en/of rond die woning diverse vernielingen heeft aangericht en/of heeft achtergelaten een wit papieren pakketje met als opschrift "[verdachte] voor [slachtoffer]" met daarin verpakt een ring, zulks terwijl verdachte bij vonnis van de arrondissementsrechtbank Arnhem van 03 mei 2011 (05-700050-12) is ontslagen van alle rechtsvervolging en is veroordeeld tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis wegens feitelijke aanranding van de eerbaarheid van diezelfde [slachtoffer].

2.
hij op of omstreeks 29 juni 2012 te [plaats 2], gemeente [gemeente], toen de aldaar dienstdoende opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en/of [verbalisant 3] en/of [verbalisant 4] en/of [verbalisant 1] verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 138 en/of 350 Wetboek van Strafrecht, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, had(den) aangehouden en vastgegrepen, althans vast had(den) teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar het hoofdbureau van politie te Nijmegen, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner/hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig te rukken en/of te trekken in een andere richting dan dat die ambtenaren hem trachtten te bewegen en/of zich een of meermalen heeft ontworsteld aan die ambtenaren, tengevolge waarvan de opsporingsambtenaar [verbalisant 3] enig lichamelijk letsel (een duimfractuur, althans een duim uit de kom en/of een gekneusde duim) bekwam.

3.
hij op of omstreeks 29 juni 2012 te [plaats 2], gemeente [gemeente], opzettelijk en wederrechtelijk een of meer ruit(en) en/of deur(en) van de woning [adres] heeft ingeslagen en/of ingetrapt en/of ingedrukt en/of kapot getrokken en/of een of meer bloembak(ken) van de vensterbank van die woning heeft geduwd en/of geslagen, althans kapot heeft gegooid, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [vader slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar heeft gemaakt.

4.
hij op of omstreeks 29 juni 2012 te [plaats 2], gemeente [gemeente], opzettelijk en wederrechtelijk een of meermalen tegen een personenauto (Alfa Romeo 166) heeft geschopt en/of getrapt en/of een of meermalen op het dak van die auto heeft staan springen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [vader slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar heeft gemaakt.

5.
hij op of omstreeks 29 juni 2012 te [plaats 2], gemeente [gemeente], opzettelijk en wederrechtelijk op het dak en/of motorkap van een personenauto (Renault Megane) is gesprongen en/of tegen de voorruit van die auto heeft getrapt, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf] B.V.(in gebruik bij [benadeelde]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en aldus die auto en/of die ruit heeft vernield en/of beschadigd en/of onbruikbaar heeft gemaakt.

6.
hij op of omstreeks 29 juni 2012 te [plaats 2], gemeente [gemeente], wederrechtelijk is binnengedrongen in een besloten erf en/of een woning gelegen aan de [adres] en in gebruik bij [vader slachtoffer] en/of diens gezin, althans bij een ander of anderen dan bij verdachte.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs 1

Ter zake van het onder 1 tenlastegelegde

Standpunt openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat het onder 1 tenlastegelegde feit bewezen dient te worden verklaard. Ter zake van dit feit kan volgens de advocaat-generaal bewezen worden dat sprake is van een stelselmatige en wederrechtelijke inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer].

Ter onderbouwing van zijn standpunt dat de verdachte stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer] heeft de advocaat-generaal gewezen op

het arrest van de Hoge Raad van 12 maart 2013, LJN BZ3625.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft ter zake van het onder 1 tenlastegelegde bepleit dat de verdachte dient te worden vrijgesproken. Volgens de raadsman kan niet worden bewezen dat de verdachte stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], omdat de periode waarin dit speelde relatief gering was, nu deze slechts twee maanden bedroeg en geen sprake is geweest van direct contact tussen de verdachte en [slachtoffer], waardoor de verdachte vooral inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de familie van aangeefster in plaats van aangeefster zelf. De raadsman heeft ter ondersteuning van zijn standpunt gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 12 maart 2013, LJN BZ3626.

Oordeel hof

Uit het dossier blijkt het volgende.

Uit het relaasproces-verbaal volgt dat de verdachte ongeveer anderhalf jaar geleden (het hof begrijpt: anderhalf jaar vóór 29 juni 2012) [slachtoffer] heeft aangerand. Naar aanleiding daarvan is hij veroordeeld tot de plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar. Sinds zijn ontslag uit dat ziekenhuis, na ommekomst van die termijn, viel de verdachte [slachtoffer] lastig.2

Voorgaande vindt bevestiging in het de verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 6 augustus 2013 waarin is opgenomen dat de verdachte op 3 mei 2011 door de meervoudige kamer van de rechtbank te Arnhem (zaak met parketnummer 05-700050-11) ter zake van feitelijke aanranding van de eerbaarheid, vernieling en mishandeling is ontslagen van alle rechtsvervolging en waarbij de maatregel plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis is opgelegd.3

Op 3 juli 2012 heeft [slachtoffer] aangifte4 gedaan van belaging, gepleegd door de verdachte. Voor wat betreft de voorgeschiedenis daarvan heeft zij verklaard dat zij in 2011 met de bus naar huis ging toen zij werd aangerand door een jongen die ook in bus zat. Deze jongen bleek de verdachte te zijn. Daarna werd het stil rondom die jongen.

De ouders van aangeefster hebben ongeveer vijf weken voordat aangeefster aangifte deed een brief ontvangen op het adres [adres] te [plaats 2]. De brief werd door de verdachte aan de moeder van aangeefster gegeven. De brief vermeldde dat de verdachte spijt had van het gebeuren in de bus. Diezelfde dag kwam de verdachte opnieuw naar de woning van de ouders van aangeefster om een brief af te geven. De vader van aangeefster vertelde de verdachte toen dat hij niet meer moest komen.

In de vijf weken voor de aangifte heeft aangeefster zeven brieven en/of kaarten gekregen van de verdachte. Ook kwam de verdachte al een keer eerder langs bij de ouders van aangeefster. Hij schreeuwde toen tegen de moeder van aangeefster dat zij de deur open moest doen. De moeder van aangeefster heeft de wijkagent gebeld. Daarnaast heeft de verdachte bloemen in de brievenbus van de ouders van aangeefster gedaan en heeft hij de poort versierd met geplukte bloemetjes.

Aangeefster is bang geworden voor de verdachte. Zij heeft overal waar zij kon haar gegevens afgeschermd en is een paar weken niet meer bij haar ouders geweest omdat zij daar niet naartoe durfde, bang als zij was om de verdachte tegen te komen. Ook was zij erg bang dat de verdachte haar familie iets zou aandoen.5

Op 9 juli 2012 verzocht aangeefster uitdrukkelijk om tot vervolging van de mogelijke dader(s) van het feit waarvan zij op 3 juli 2012 aangifte deed.6

De brieven en kaarten die door de verdachte zijn achtergelaten zijn aan de politie overhandigd. In een proces-verbaal van bevindingen is de inhoud van die brieven opgenomen. Uit die brieven blijkt dat de verdachte spijt heeft van het incident in de bus en dat hij verliefd is op aangeefster. Hij schrijft daarin onder meer dat hij graag met aangeefster wil afspreken, dat hij verliefd is op haar en van haar houdt, dat hij met haar naar Curaçao wil, dat zij niet vreemd moet gaan en dat aangeefster moet oppassen met wat zij doet, omdat zij wel slim is.7

De moeder van aangeefster, [moeder slachtoffer], heeft op 10 juli 2012 verklaard dat de verdachte

– nadat hij uit het psychiatrisch ziekenhuis is ontslagen – naar hun woning is gekomen en een brief voor aangeefster heeft afgegeven. Vervolgens kwam de verdachte wekelijks langs om brieven of kaarten te brengen. Hij zette ook rozen op het muurtje en meer van dat soort zaken. De echtgenoot van [moeder slachtoffer] heeft de verdachte meermalen gezegd dat hij niet meer bij hen moet komen. Aangeefster durft niet meer naar huis te komen.8

De broer van aangeefster, [broer slachtoffer], heeft op 29 juni 2012 verklaard dat de verdachte, nadat hij is vrijgekomen (het hof begrijpt: nadat hij uit het psychiatrisch ziekenhuis is ontslagen), brieven brengt en bij hen in de brievenbus doet. Tussen de verdachte en de familie van [broer slachtoffer] is vanaf de vrijlating van de verdachte tot 29 juni 2012 ongeveer 15 tot 20 keer contact geweest. Het contact bestond hieruit dat de verdachte brieven bij hen aan de deur bracht, dat hij af en toe een cadeautje bracht, dat hij brieven in de brievenbus stopte en dat hij over het terrein van de familie [familie] liep.9

Uit de verklaring die de [vader slachtoffer] (de vader van aangeefster) op 29 juni 2012 heeft afgelegd blijkt voor wat betreft het gebeurde op die dag dat de verdachte naar de familie [familie] is gegaan. [vader slachtoffer] zag de verdachte op zijn terrein, belde het alarmnummer en sommeerde de verdachte om weg te gaan. De verdachte bevond zich bij de poort en vernielde vervolgens de auto van [vader slachtoffer], die net buiten de poort stond.

[vader slachtoffer] belde nogmaals het alarmnummer, ging een slagwapen zoeken en zag toen dat de verdachte weer de oprit opliep. [vader slachtoffer] hoorde het geluid van brekend glas en liep, overigens zonder slagwapen, terug naar de woning. Hij zag dat de verdachte met zijn hoofd door het gebroken raam van zijn woonkamer naar buiten kwam. De politie was vervolgens ter plaatse en sloeg verdachte met moeite in de boeien. [vader slachtoffer] zag dat de deur in de hal naar de woonkamer vernield was, de raampjes in die deur waren kapot geslagen. Daarnaast waren de bloembakken die op de vensterbank in de woonkamer stonden, vernield en was de deur van de bijkeuken vernield. De woning was besmeurd met bloed en glas. Verbalisant heeft [vader slachtoffer] een wit papieren pakketje laten zien dat op de rode vernielde auto van [vader slachtoffer] lag. Op het pakketje staat de tekst: ‘[verdachte] voor [slachtoffer]’.10

Uit de kennisgeving van inbeslagneming volgt dat het pakketje een doosje bevatte waarin een zilverkleurig ringetje met een steentje zat.11

Uit het proces-verbaal van bevindingen gedateerd 30 juni 2012 betreffende de forensische opsporing blijkt dat op de personenauto, merk Alfa Romeo, kenteken [kenteken], een cadeauverpakking lag tussen de voorruit en de motorkap. In de woning gelegen aan de [adres] te [plaats 2] waren ruitjes van een deur in de hal kapot alsook het glas van een thermopaneruit in de woonkamer en vazen die op de vensterbank voor die ruit in de woonkamer stonden. Daarnaast hing één van de dubbele deuren nog maar aan één bevestigingsschroef en was bloed te zien aan de deur. In het plaatsje achter de woning waren eveneens bloeddruppels te zien.12

Tegenover politie heeft de verdachte verklaard dat hij op 29 juni 2012 inderdaad de woning van de familie [familie] is ingegaan en dat hij aldaar vernielingen heeft aangericht.13

Uit de verklaring die de verdachte tegenover de rechtbank heeft afgelegd blijkt dat de verdachte al vanaf de tweede keer dat hij bij de woning van de familie [familie] kwam wist dat hij daar niet meer mocht komen.14

Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of op grond van voorgaande bewijsmiddelen kan worden geoordeeld dat de verdachte een stelselmatige en wederrechtelijke inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer].

Vooropgesteld moet worden dat de vraag of stelselmatig inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer volgens bestendige rechtspraak van de Hoge Raad moet worden beoordeeld aan de hand van de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijk leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer (HR 12 maart 2013, LJN BZ3625).

Uit het dossier blijkt dat de verdachte in een tijdsbestek van twee maanden een zevental liefdesbrieven bij de ouderlijke woning van [slachtoffer] heeft gebracht, dat hij aldaar bloemen heeft bezorgd en dat hij meermalen naar het adres van die ouderlijke woning is gegaan om [slachtoffer] op te zoeken, ook nadat hem dringend was verzocht daar niet meer te komen.

De verdachte begon met deze handelingen nadat hij was ontslagen uit een psychiatrisch ziekenhuis waar hij één jaar had verbleven op grond van een vonnis van de rechtbank Arnhem van 3 mei 2011, waarbij bewezen is verklaard dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid van diezelfde [slachtoffer].

De situatie is op 29 juni 2012 geëscaleerd, toen de verdachte – naar later bleek – een wit papieren pakketje met daarin verpakt een ring en met opschrift ‘[verdachte] voor [slachtoffer]’ wilde afgeven op het adres [adres] te [plaats 2]. Zoals hiervoor reeds overwogen heeft de verdachte daarbij allerlei vernielingen aangericht en schade veroorzaakt.

Voor wat betreft de aard en intensiteit van de gedragingen van de verdachte is het hof van oordeel dat deze dusdanig waren dat daarmee sprake was van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer]. De verdachte begaf zich immers telkenmale naar de ouderlijke woning van die [slachtoffer], om daar brieven, kaarten en bloemen af te geven voor haar. Uit de tekst van die brieven en kaarten blijkt dat de verdachte verliefd was op [slachtoffer], dat hij wilde afspreken, dat [slachtoffer] niet vreemd moest gaan en dat zij moest oppassen wat zij allemaal deed.

Het verrichten van deze handelingen in het licht (en naar aanleiding) van de eerdere aanranding van [slachtoffer] door de verdachte, leidde er toe dat zowel [slachtoffer] als haar familie bang is geworden en dat zij in de angst leefden dat (één van) hen (opnieuw) iets zou worden aangedaan door de verdachte. [slachtoffer] heeft haar persoonlijke gegevens zoveel mogelijk afgeschermd en durfde zelfs enige tijd niet meer bij haar ouderlijke woning te komen omdat zij bang was de verdachte tegen te komen, welk gegeven een grote invloed had op het persoonlijk leven van [slachtoffer] en haar familie.

Behalve uit de aard en intensiteit van de door de verdachte verrichte gedragingen, volgt naar het oordeel van het hof ook uit voornoemde omstandigheden (die leidden tot het gedrag van de verdachte) en de invloed die het geheel had op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], dat de verdachte stelselmatig inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de [slachtoffer].

Voor zover de raadsman heeft gewezen op het arrest van de Hoge Raad van 12 maart 2013 (LJN BZ3626) is het hof van oordeel dat onderhavige zaak afwijkt van die zaak vanwege de context waarin de belaging in het onderhavige geval heeft plaatsgevonden alsook vanwege het gegeven dat het hof – anders dan in de zaak waaraan de raadsman heeft gerefereerd – ook de aard en inhoud van de door de verdachte geschreven brieven en kaarten heeft betrokken.

Ter zake van het onder 2 tenlastegelegde

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde feit.

De raadsman heeft zich ter zake van dit feit gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Het hof acht het onder 2 tenlastegelegde feit bewezen en volstaat met een opsomming van de bewijsmiddelen, nu de verdachte dit feit heeft bekend. Het hof heeft de volgende bewijsmiddelen voor het bewijs gebezigd:

  • -

    Het proces-verbaal van aanhouding, opgemaakt door [verbalisant 4] en [verbalisant 1], agent resp. hoofdagent van politie Gelderland-Zuid, als bijlage op p. 158 van het proces-verbaal OPS-dossiernummer [dossiernummer].

  • -

    Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt door [verbalisant 2] en [verbalisant 3], agenten van politie Gelderland-Zuid, als bijlage op p. 44 van het proces-verbaal OPS-dossiernummer [dossiernummer].

  • -

    Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte, als bijlage op p. 101 van het proces-verbaal OPS-dossiernummer [dossiernummer].

  • -

    De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 20 augustus 2013.

Ter zake van het onder 3, 4 en 6 tenlastegelegde

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van deze tenlastegelegde feiten.

De raadsman heeft zich ter zake van deze feiten gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Het hof acht de onder 3, 4 en 6 tenlastegelegde feiten bewezen en volstaat met een opsomming van de bewijsmiddelen, nu de verdachte deze feiten heeft bekend. Het hof heeft de volgende bewijsmiddelen voor het bewijs gebezigd:

Ter zake van de 3, 4 en 6 tenlastegelegde feiten:

- Het proces-verbaal van verhoor van [vader slachtoffer], als bijlage op p. 67 van het proces-verbaal OPS-dossiernummer [dossiernummer].

Ter zake van het onder 3 tenlastegelegde bovendien:

  • -

    Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte, als bijlage op p. 101 van het proces-verbaal OPS-dossiernummer [dossiernummer].

  • -

    Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 9 oktober 2012 van de meervoudige kamer in de rechtbank Arnhem betreffende de verklaring van de verdachte.

Ter zake van het onder 4 tenlastegelegde bovendien:

- Het proces-verbaal van verhoor van [naam], als bijlage op p. 94 van het proces-verbaal OPS-dossiernummer [dossiernummer].

- De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 20 augustus 2013.

Ter zake van het onder 6 tenlastegelegde bovendien:

  • -

    Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte, als bijlage op p. 101 van het proces-verbaal OPS-dossiernummer [dossiernummer].

  • -

    Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 9 oktober 2012 van de meervoudige kamer in de rechtbank Arnhem betreffende de verklaring van de verdachte.

Ter zake van het onder 5 tenlastegelegde

De advocaat-generaal heeft gerekwireerd tot een bewezenverklaring van het onder 5 tenlastegelegde feit.

De raadsman heeft zich ter zake van dit feit gerefereerd aan het oordeel van het hof.

Het hof acht het onder 5 feit bewezen en volstaat met een opsomming van de bewijsmiddelen, nu de verdachte dit feit heeft bekend. Het hof heeft de volgende bewijsmiddelen voor het bewijs gebezigd:

- Het proces-verbaal van verhoor van de [benadeelde], als bijlage op p. 91 van het proces-verbaal OPS-dossiernummer [dossiernummer].

- De verklaring van de verdachte, afgelegd ter terechtzitting van het hof d.d. 20 augustus 2013.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarbij de inhoud van elk bewijsmiddel – ook in onderdelen – slechts wordt gebezigd tot het bewijs van dat tenlastegelegde feit waarop het blijkens de inhoud kennelijk betrekking heeft, en waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging verkregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

1.


hij op meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van mei 2012 t/m 29 juni 2012 te [plaats 2], gemeente [gemeente], in elk geval in Nederland, (telkens) wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, hierin bestaande dat verdachte gedurende deze periode een of meer (liefdes)brief/-ven en/of bloemen, gericht aan en/of bedoeld voor die [slachtoffer], heeft bezorgd en/of laten bezorgen op het adres [adres] te [plaats 2] en/of meermalen bij genoemde woning en/of op het erf van die woning heeft gestaan en/of vertoefd en/of (op of omstreeks 29 juni 2012) voornoemd erf en/of voornoemde woning is binnengedrongen en/of in en/of rond die woning diverse vernielingen heeft aangericht en/of heeft achtergelaten een wit papieren pakketje met als opschrift "[verdachte] voor [slachtoffer]" met daarin verpakt een ring, zulks terwijl verdachte bij vonnis van de arrondissementsrechtbank Arnhem van 03 mei 2011 (05-700050-12) is ontslagen van alle rechtsvervolging en is veroordeeld tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis wegens feitelijke aanranding van de eerbaarheid van diezelfde [slachtoffer].

2.


hij op of omstreeks 29 juni 2012 te [plaats 2], gemeente [gemeente], toen de aldaar dienstdoende opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en/of [verbalisant 3] en/of [verbalisant 4] en/of [verbalisant 1] verdachte op verdenking van het overtreden van artikel 138 en/of 350 Wetboek van Strafrecht, in elk geval op verdenking van het gepleegd hebben van enig strafbaar feit, op heterdaad ontdekt, had(den) aangehouden en vastgegrepen, althans vast had(den) teneinde hem ten spoedigste voor te geleiden voor een hulpofficier van justitie en hem daartoe over te brengen naar het hoofdbureau van politie te Nijmegen, zich met geweld heeft verzet tegen bovengenoemde opsporingsambtena(a)r(en), werkzaam in de rechtmatige uitoefening zijner/hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig te rukken en/of te trekken in een andere richting dan dat die ambtenaren hem trachtten te bewegen en/of zich een of meermalen heeft te ontworstelen aan die ambtenaren, tengevolge waarvan de opsporingsambtenaar [verbalisant 3] enig lichamelijk letsel (een duimfractuur, althans een duim uit de kom en/of een gekneusde duim) bekwam.

3.
hij op of omstreeks 29 juni 2012 te [plaats 2], gemeente [gemeente], opzettelijk en wederrechtelijk een of meer ruit(en) en/of deur(en) van de woning [adres] heeft ingeslagen en/of ingetrapt en/of ingedrukt en/of kapot getrokken en/of een of meer bloembak(ken) van de vensterbank van die woning heeft geduwd en/of geslagen, althans kapot heeft gegooid, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [vader slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd. en/of onbruikbaar heeft gemaakt.

4.
hij op of omstreeks 29 juni 2012 te [plaats 2], gemeente [gemeente], opzettelijk en wederrechtelijk een of meermalen tegen een personenauto (Alfa Romeo 166) heeft geschopt en/of getrapt en/of een of meermalen op het dak van die auto heeft staan springen, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [vader slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, heeft vernield en/of beschadigd. en/of onbruikbaar heeft gemaakt.

5.
hij op of omstreeks 29 juni 2012 te [plaats 2], gemeente [gemeente], opzettelijk en wederrechtelijk op het dak en/of motorkap van een personenauto (Renault Megane) is gesprongen en/of tegen de voorruit van die auto heeft getrapt, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [bedrijf] B.V.(in gebruik bij [benadeelde]), in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, en aldus die auto en/of die ruit heeft vernield en/of beschadigd. en/of onbruikbaar heeft gemaakt.
6.
hij op of omstreeks 29 juni 2012 te [plaats 2], gemeente [gemeente], wederrechtelijk is binnengedrongen in een besloten erf en/of een woning gelegen aan de [adres] en in gebruik bij [vader slachtoffer] en/of diens gezin. althans bij een ander of anderen dan bij verdachte.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

belaging.

het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben, meermalen gepleegd.

het onder 3, 4 en 5 bewezen verklaarde levert op:

telkens:

opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen of beschadigen.

het onder 6 bewezen verklaarde levert op:

in de woning bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.

Strafbaarheid van de verdachte

Standpunt openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is en derhalve van alle rechtsvervolging ontslagen dient te worden.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft zich aangesloten bij het standpunt van de advocaat-generaal.

Oordeel hof

Het hof is – met de advocaat-generaal en de raadsman – van oordeel dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar is.

Bij dit oordeel heeft het hof de conclusies van een aantal deskundigen betrokken.

Naar aanleiding van een eerdere strafzaak tegen de verdachte hebben de volgende deskundigen gerapporteerd:

- [psycholoog], GZ-psycholoog, concludeerde in het rapport van 31 maart 2011 dat de verdachte ontoerekeningsvatbaar beschouwd dient te worden omdat sprake is van een ziekelijke stoornis in de vorm van een schizofreniform proces of van een psychotische stoornis NAO, alsook van verslavingsproblematiek aan alcohol en cannabis. Daarnaast is sprake van een gebrekkige ontwikkeling die bestaat uit een zwakbegaafd niveau van intellectueel functioneren en antisociale en narcistische persoonlijkheidstrekken.

- [psychiater], psychiater, heeft bij rapport van 13 april 2011 de conclusie getrokken dat de verdachte een psychotische stoornis NAO heeft en dat sprake is van misbruik van alcohol en cannabis, naast zwakbegaafdheid. Gedacht moet worden aan schizofrenie en – kort gezegd – middelenmisbruik. Er is sprake van ontoerekeningsvatbaarheid.

Naar aanleiding van onderhavige strafzaak is in de eerste fase van het strafproces onder meer gerapporteerd door [psychiater 2].

- Bij rapport van 2 oktober 2012 heeft [psychiater 2], psychiater, geconcludeerd dat de verdachte lijdende is aan een ernstige psychotische stoornis, mogelijk in het kader van schizofrenie, geluxeerd door cannabismisbruik. Verder heeft hij geconcludeerd dat de verdachte zwakbegaafd is en antisociale persoonlijkheidstrekken heeft. Gelet op dit ziektebeeld acht [psychiater 2] de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar. [psychiater 2] heeft deze conclusie getrokken naar aanleiding van eerder uitgebracht pro justitia rapportages, alsook naar aanleiding van het gesprek dat hij had met de verdachte en diens begeleider.

Op grond van voorgaande is het hof van oordeel dat de verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht.

Naar aanleiding van onderhavige strafzaak is in hoger beroep opnieuw een multidisciplinair onderzoek bevolen, welk onderzoek heeft geresulteerd in een psychologisch en psychiatrisch onderzoek pro justitia d.d. 19 resp. 26 maart 2013. Uit die rapportages blijkt niet dat sprake is van gewijzigde omstandigheden. De verdachte stelde zich nauwelijks onderzoekbaar op en aannemelijk werd geacht dat sprake was van forse ontregeling en (psychiatrische) problemen.

[deskundige] heeft gerapporteerd dat er sterke aanwijzingen zijn dat sprake is van een pathologische weigering, dat wil zeggen dat de weigering voortkomt uit een psychiatrisch (psychotisch) toestandsbeeld.

Het hof is van oordeel dat de verdachte op grond van de rapporten van [psycholoog] en [psychiater 2] ontoerekeningsvatbaar moet worden geacht. Na het opmaken van deze rapporten is geen verandering is de situatie van de verdachte geconstateerd, zodat deze conclusie nog onverkort geldt.

De verdachte is ten aanzien van het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 bewezen verklaarde niet strafbaar en dient derhalve te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

Oplegging van of maatregel ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde

Standpunt openbaar ministerie

De advocaat-generaal heeft geëist dat aan de verdachte de maatregel van ter beschikking stelling met dwangverpleging wordt opgelegd. De terbeschikkingstelling dient volgens de advocaat-generaal ongelimiteerd te worden opgelegd.

Standpunt verdediging

De raadsman heeft betoogd dat terbeschikkingstelling nog niet aan de orde dient te zijn, omdat er nog alternatieven bestaan. Volgens de raadsman ligt de plaatsing van de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis met daarna een opname aldaar op grond van de Wet BOPZ meer in de rede.

De rapportages die in het dossier aanwezig zijn rechtvaardigen ook niet de oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling aldus de raadsman.

Oordeel hof

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan belaging van [slachtoffer] en daarmee inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer]. In het algemeen geldt dat slachtoffer van dergelijke strafbare feiten nog lang de gevolgen daarvan ondervinden. Dat zal in dit geval in nog sterkere mate gelden, nu het slachtoffer al eerder slachtoffer is geweest, namelijk van de door verdachte gepleegde aanranding.

Daarnaast heeft de verdachte zich verzet tegen zijn aanhouding, waarbij één van de verbalisanten bovendien letsel heeft bekomen. Daarmee is inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van deze verbalisant.

Uit het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 6 augustus 2013 blijkt dat de verdachte in het verleden is veroordeeld ter zake van onder meer het plegen van feitelijke aanranding van de eerbaarheid, mishandeling en vernieling, alsook ter zake van diefstal en afpersing.

Zoals hiervoor overwogen, onder het kopje ‘strafbaarheid van de verdachte’, beschouwt het hof de verdachte als volledig ontoerekeningsvatbaar. Het hof ziet zich voor de vraag gesteld of aan de verdachte een maatregel dient te worden opgelegd.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte volgt behalve hetgeen hiervoor is overwogen uit de in het dossier aanwezige rapportages het volgende.

Naar aanleiding van een eerdere strafzaak tegen de verdachte hebben de volgende deskundigen gerapporteerd:

- [psycholoog], GZ-psycholoog, concludeerde in het rapport van 31 maart 2011 zoals hiervoor overwogen. Daarnaast constateerde zij dat bij de verdachte ieder ziektebesef of ziekte-inzicht ontbreekt en dat het grensoverschrijdende gedrag de laatste jaren is toegenomen. Schizofrenie heeft zich aangekondigd maar nog niet volledig geopenbaard. De verdachte zou op grond van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht opgenomen moeten worden in een psychiatrisch ziekenhuis vanwege de grote kans op recidive, de ontoerekeningsvatbaarheid en de ernst van de problematiek. Dit zou tenuitvoer moeten worden gelegd in een forensische setting met een hoog beveiligingsniveau, waarbij na één jaar gekeken kan worden of op grond van de Wet BOPZ verder behandeling nodig is.

- [psychiater], psychiater, heeft bij rapport van 13 april 2011 geconcludeerd zoals hiervoor overwogen. Daarnaast concludeert hij dat de verdachte geen ziektebesef heeft en dat hij gelet op de hoge redivicekans, de ontoerekeningsvatbaarheid en de ernst van de problematiek op grond van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis dient te worden opgewezen, waarna eventueel behandeling kan plaatsvinden op grond van de Wet BOPZ. Behandeling in een forensische setting is aangewezen.

Naar aanleiding van onderhavige strafzaak is in de eerste fase van het strafproces onder meer gerapporteerd door [psychiater 2] en [forensisch psycholoog].

- [psychiater 2], psychiater, heeft op 2 oktober 2012 gerapporteerd zoals hiervoor overwogen. Voor wat betreft de behandeling is opgemerkt dat behandeling van de verdachte voor de duur van twee jaar geïndiceerd is, nu een opname van één jaar te kort is gebleken. Vanuit behandeloogpunt verdient het de voorkeur om TBS op te leggen met dwangverpleging. Wanneer dit juridisch niet haalbaar is dient de verdachte voor een periode van twee jaar in een psychiatrisch ziekenhuis te worden geplaatst, ex artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht.

- In het rapport van 7 september 2012 heeft [forensisch psycholoog], forensisch psycholoog, is gerapporteerd dat de verdachte niet mee wilde werken aan het onderzoek. Op basis van de opgedane indrukken en overleg met de mederapporteur wordt vermoed dat sprake is van een manifest psychotisch toestandsbeeld en van mogelijke onderbehandeling na afloop van de klinische opname in het kader van de maatregel van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht.

In hoger beroep is vervolgens opnieuw gerapporteerd.

-[psychiater 3], psychiater, rapporteerde op 26 maart 2013 dat hij adviseerde om aan de verdachte TBS met dwangverpleging op te leggen, dan wel behandeling in een forensisch psychiatrische setting. Wanneer nader onderzoek nodig werd geacht, zou dit vanwege de problematiek van de verdachte slechts kunnen plaatsvinden door middel van een klinische observatie.

Zoals hiervoor overwogen volgt uit het Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 6 augustus 2013 dat bij vonnis van de rechtbank Arnhem van 3 mei 2011 bewezenverklaard is dat de verdachte zich schuldig had gemaakt aan feitelijke aanranding van de eerbaarheid. Voor dat feit is hij ontslagen van alle rechtsvervolging en is hem de maatregel ex artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht opgelegd. Uit het dossier volgt dat het slachtoffer in die zaak (eveneens als in onderhavige zaak) [slachtoffer] was.

Bijna onmiddellijk na afloop van de maatregel die hem in dit kader is opgelegd, is de verdachte gerecidiveerd. Uit de aangifte van [slachtoffer] in onderhavige zaak, gedateerd 29 juni 2012, blijkt immers dat de verdachte vijf weken voor de aangifte, derhalve ongeveer in de periode van half tot eind mei 2012, voor het eerst een brief voor [slachtoffer] heeft afgegeven op het adres van haar ouders.

De hiervoor genoemde rapporten van [psycholoog] en [psychiater] – inhoudende dat de maatregel van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht zou moeten worden opgelegd aan de verdachte – dateren van vóór het vonnis van de rechtbank Arnhem, waarbij deze maatregel ook is bevolen.

Uit het samenstel van de rapporten van [psychiater 2], [forensisch psycholoog] en [psychiater 3], die zijn opgemaakt nadat de verdachte de maatregel als bedoeld in artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht heeft ondergaan en vervolgens is gerecidiveerd door het begaan van het bewezenverklaarde feitencomplex, blijkt dat behandeling van de verdachte voor de periode van één jaar te kort is gebleken en dat sprake was van onderbehandeling van de verdachte na één jaar behandeling in een psychiatrisch ziekenhuis. Zowel [psychiater 2] als [psychiater 3] adviseert de oplegging van de TBS-maatregel met dwangverpleging.

Gelet op de inhoud van de meest recente rapporten en het gegeven dat de verdachte vrijwel direct nadat hij werd ontslagen uit het psychiatrisch ziekenhuis is gerecidiveerd, is het hof van oordeel dat niet kan worden volstaan een hernieuwde plaatsing van de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis. Behandeling aldaar kan slechts één jaar bedragen, waarna bovendien onzeker is of behandeling zal worden voortgezet op grond van de Wet BOPZ, terwijl langere behandeling door [psychiater 2] als [psychiater 3] noodzakelijk wordt geacht. Het hof heeft bij dit oordeel mede in aanmerking genomen dat uit het rapport van [psychiater 2] blijkt dat hij contact heeft gehad met [deskundige], werkzaam bij Hoeve Boschoord (de inrichting waar de verdachte is geplaatst in het kader van de eerder opgelegde maatregel ex artikel 37 van het Wetoboek van Strafrecht) en dat uit dat contact naar voren is gekomen dat ook [deskundige] behandeling voor de duur van twee jaar noodzakelijk acht, waarbij hij opmerkt dat hij verwacht dat de verdachte op termijn 24-uurs toezicht nodig heeft. [deskundige] adviseert opname op grond van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht voor de duur van twee jaar. Voor dit laatste biedt de wet echter geen ruimte nu de maximale duur van een maatregel ex artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht één jaar bedraagt.

Het hof is van oordeel dat op grond van deze conclusies aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling met een bevel tot verpleging van overheidswege opgelegd dient te worden. Oplegging van de maatregel van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht biedt onvoldoende mogelijkheid voor behandeling en beveiliging van en voor de verdachte, bij wie elk ziektebesef thans nog ontbreekt, alsook onvoldoende beveiliging voor de maatschappij. Ter beschikkingstelling met voorwaarden ligt niet in de rede, nu de deskundigen hier niet toe adviseren en op grond van het vorenstaande ook niet te verwachten is dat verdachte in staat zal zijn de voorwaarden na te komen.

Daarbij is in aanmerking genomen dat is geconstateerd dat het onder 2 bewezenverklaarde feit een misdrijf betreft waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld en het onder 1 bewezenverklaarde in artikel 37a, eerste lid aanhef en onder 1°, van het Wetboek van Strafrecht is vermeld, terwijl de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van voornoemde maatregel eist.

Wat betreft de vraag of het hier al dan niet om een gemaximeerde ter beschikking stelling gaat, oordeelt het hof dat het hier misdrijven betreft die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. Het onder 1 tenlastegelegde feit is in dit geval te duiden als een misdrijf dat gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, nu verdachte eerder is overgegaan tot aanranding van [slachtoffer] (voor welk feit hij reeds op 3 mei 2011 is veroordeeld door de rechtbank in Arnhem). Verdachte heeft beide feiten in dezelfde waan gepleegd en in zijn brieven de beide feiten ook uitdrukkelijk aan elkaar gekoppeld. De verdachte heeft voorts door het plegen van het onder 2 tenlastegelegde letsel veroorzaakt bij een verbalisant.

Vordering van de benadeelde partij [verbalisant 3]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 750,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Vordering van de benadeelde partij Regiopolitie Gelderland-Zuid

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 74,55. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Vordering van de benadeelde partij [verbalisant 1]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 400,00. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 150,00. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van haar oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 2 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden. Gebleken is dat [verbalisant 1] ook thans nog de gevolgen ondervindt van de verwonding die de verdachte bij hem heeft aangebracht tijdens de aanhouding. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering zal worden toegewezen.

Vordering van de benadeelde partij [vader slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 8.918,58.

De vordering bestaat uit de volgende schadeposten:

- € 6.858,58 schade aan de Alpha Romeo

- € 300,- kosten opruimen woning

- € 1.760,- omzetverlies

€ 8.918,58 totaal

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 7.738,58. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat een bedrag van € 7.158,58 (betreffende de schade aan de auto en het opruimen van de woning) wordt toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 3 en 4 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag. Het hof is – met de advocaat-generaal – dat de kosten betreffende de schade aan de auto en het opruimen van de woning voor toewijzing vatbaar zijn, derhalve een bedrag van € 7.158,58.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Vordering van de benadeelde partij [bedrijf]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 4.234,83.

De vordering bestaat uit de volgende schadeposten:

- € 3.535,44 reparatiekosten

- € 68,00 expertisekosten

- € 280,00 waardevermindering

- € 74,71 administratiekosten

- € 276,65 bedrijfsschade

- € 4.234,83 totaal

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 3.958,18, betreffende de reparatiekosten, expertisekosten, de waardevermindering en de administratiekosten. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep niet opnieuw gevoegd. Het hof heeft in hoger beroep te oordelen over de gevorderde schadevergoeding voor zover deze in eerste aanleg is toegewezen.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de schade, conform het vonnis van de rechtbank, tot een bedrag van € 3.958,18 zal worden toegewezen.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het onder 5 bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden tot na te melden bedrag.

Het hof is, met de rechtbank en de advocaat-generaal dat de reparatiekosten, expertisekosten, de waardevermindering en de administratiekosten voor vergoeding in aanmerking komen. Dit komt neer op een bedrag van € 3.958,15.

Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden zodat de vordering tot dat bedrag zal worden toegewezen.

Voor het overige is het hof van oordeel dat behandeling van de vordering een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. In zoverre kan de benadeelde partij daarom thans in haar vordering niet worden ontvangen en kan zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 37a, 37b, 57, 138, 181,285b en 350 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit als hiervoor vermeld.

Verklaart verdachte niet strafbaar ter zake van het onder 1, 2, 3, 4, 5 en 6 bewezen verklaarde en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging.

Ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Vordering van de benadeelde partij [verbalisant 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [verbalisant 3] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij Regiopolitie Gelderland-Zuid

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij Regiopolitie Gelderland-Zuid ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 74,55 (vierenzeventig euro en vijfenvijftig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [verbalisant 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [verbalisant 1] ter zake van het onder 2 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 400,00 (vierhonderd euro) ter zake van immateriële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [vader slachtoffer]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [vader slachtoffer] ter zake van het onder 3 en 4 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 7.158,58 (zevenduizend honderdachtenvijftig euro en achtenvijftig cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [bedrijf]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [bedrijf] ter zake van het onder 5 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 3.958,15 (drieduizend negenhonderdachtenvijftig euro en vijftien cent) ter zake van materiële schade en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen een behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Verklaart de benadeelde partij in haar vordering voor het overige niet-ontvankelijk en bepaalt dat zij in zoverre haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Bepaalt dat voormeld toegewezen bedrag aan materiële schadevergoeding vermeerderd wordt met de wettelijke rente vanaf 29 juni 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr P.A.H. Lemaire, voorzitter,

mr H.G.W. Stikkelbroeck en mr B.F.A. van der Krabben, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr L.J.J.G. Verhaeg, griffier,

en op 3 september 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr B.F.A. van der Krabben is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 In de hierna te melden bewijsmiddelen wordt telkens tenzij anders aangegeven verwezen naar de bijlagen van het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal, OPS-dossiernummer [dossiernummer], gesloten en getekend op 27 juli 2012 door [ambtenaar], brigadier van politie, regio Gelderland-Zuid.

2 Het relaasproces-verbaal, als bijlage op p. 3 van het proces-verbaal OPS-dossiernummer [dossiernummer].

3 Een geschrift als bedoeld in artikel 344, eerste lid, aanhef en onder 5° van het Wetboek van Strafvordering, te weten het de verdachte betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 6 augustus 2013, als los exemplaar in het dossier.

4 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer], als bijlage op p. 129 van het proces-verbaal OPS-dossiernummer [dossiernummer].

5 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer], als bijlage op p. 129 van het proces-verbaal OPS-dossiernummer [dossiernummer].

6 Het proces-verbaal van ontvangst klacht door hulpofficier van justitie, als bijlage op p. 132 van het proces-verbaal OPS-dossiernummer [dossiernummer].

7 Het proces-verbaal van bevindingen, als bijlage op p. 134 van het proces-verbaal OPS-dossiernummer [dossiernummer].

8 Het proces-verbaal van verhoor van [moeder slachtoffer], als bijlage op p. 158 van het proces-verbaal OPS-dossiernummer [dossiernummer].

9 Het proces-verbaal van verhoor van [broer slachtoffer], als bijlage op p. 155 van het proces-verbaal OPS-dossiernummer [dossiernummer].

10 Het proces-verbaal van verhoor van [vader slachtoffer], als bijlage op p. 67 van het proces-verbaal OPS-dossiernummer [dossiernummer].

11 De kennisgeving van inbeslagneming, als bijlage op p. 167 van het proces-verbaal OPS-dossiernummer [dossiernummer].

12 Het proces-verbaal van bevindingen, als bijlage op p. 52 van het proces-verbaal OPS-dossiernummer [dossiernummer].

13 Het proces-verbaal van verhoor van de verdachte, als bijlage op p. 101 e.v. van het proces-verbaal OPS-dossiernummer [dossiernummer].

14 Het proces-verbaal ter terechtzitting d.d. 9 oktober 2012 van de meervoudige kamer in de rechtbank Arnhem betreffende de verklaring van de verdachte.