Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:6521

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-09-2013
Datum publicatie
16-09-2013
Zaaknummer
11/00657
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBARN:2012:1760, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Inkomstenbelasting.

Omkering en verzwaring bewijslast. Verkapte uitdeling ? woonplaats in Nederland of Zwitserland?.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/2083
FutD 2013-2332
NTFR 2014/2733
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Arnhem

nummer 11/00657

uitspraakdatum: 3 september 2013

Uitspraak van de tweede meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z], Zwitserland (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 23 augustus 2011, nummer AWB 09/2186 in het geschil tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst[P] (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is over het jaar 1999 een navorderingsaanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, berekend naar een belastbaar inkomen van ƒ 29.981.296 (€ 13.604.918). Tevens is, bij afzonderlijke beschikking een bedrag van ƒ 1.313.374 (€ 595.983) aan heffingsrente, in rekening gebracht.

1.2

De Inspecteur heeft bij in één geschrift vervatte uitspraken op bezwaar de navorderingsaanslag alsmede de beschikking heffingsrente gehandhaafd.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij de rechtbank Arnhem (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 23 augustus 2011 ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft, alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden 25 juni 2013 te Arnhem. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede zijn gemachtigde [.], bijgestaan door [A], [alsmede]de Inspecteur[.]. Tijdens het onderzoek ter zitting zijn als getuigen gehoord [A], [B], [C] en [D]. De laatste drie getuigen hebben hun verklaringen afgelegd in het Duits. Ter zake van deze verhoren is de heer[E] opgetreden als tolk in de Duitse taal.

1.7

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De feiten

2.1

De rechtbank heeft de volgende feiten vastgesteld.

“Eiser was in het onderhavige jaar gehuwd met [Y]. Samen hebben ze drie kinderen (geboren 1988, 1986 en 1984). De echtelijke woning was gelegen te [Q (NL)].

Eiser heeft zich per 1 februari 1999 uitgeschreven bij de gemeente [Q] in verband met het aannemen van een betrekking in [R], Zwitserland. De rest van het gezin is eiser medio 2000 gevolgd. De woning in [Q] is gedurende deze tijd aangehouden. Op 18 december 2003 is mevrouw[Y] samen met haar jongste dochter teruggekeerd naar Nederland.

Eiser was 100% aandeelhouder van [F] B.V. [F] B.V. hield 75% van de aandelen in [G]Holding B.V. De overige 25% van de aandelen waren in handen van [H] B.V. (zijnde een 100% deelneming van[de heer I]).

Op 24 november 1999 hebben [F] B.V. en [H] B.V. hun aandelen in [G]Holding B.V. verkocht en geleverd aan[J] B.V. [.] [toevoeging Hof: bedoeld zal zijn [J]N.V.[.]] De verkoopprijs voor de aandelen bedroeg voor [F] B.V. fl. 33.000.000 (zijnde fl. 1.222.222 per aandeel) en voor [H] B.V. fl. 16.644.000 (zijnde fl. 1.849.333 per aandeel).

[J. B.V.] is een joint venture tussen[K] AG (een naar Zwitsers recht opgerichte vennootschap waarvan alle aandelen in handen zijn van eiser[.]) en [L] B.V. Beide vennootschappen bezitten 49,95% van de aandelen [J] B.V. De overige 0,1% van de aandelen zijn in handen van [M] AG[.].

Bij de totstandkoming van de joint venture in [J] B.V. is tussen partijen overeengekomen dat[L] B.V. – via haar dochtervennootschap [N] B.V. – in [J] B.V. een onroerend-goed portefeuille zal inbrengen met een stille reserve van fl. 30.000.000. Ter compensatie van het voordeel dat [K] AG hierdoor verkrijgt is ten aanzien van verkoopprijs voor de aandelen [G] Holding B.V. een bedrag van fl. 30.000.000 in mindering gebracht op de oorspronkelijk overeengekomen prijs van fl. 63.000.000.

De aangifte IB/PVV over het jaar 1999 is namens eiser op 9 juni 2001 ingediend door [S] Registeracountants & Belastingadviseurs[.](hierna: [S] naar een belastbaar inkomen van negatief fl. 18.704. Deze aangifte is voorzien van een stempel met de tekst “concept”. De aanslag is met dagtekening 23 oktober 2002 opgelegd conform deze aangifte. Bij beschikking van 25 september 2002 is het verlies over 1999 verrekend met het belastbaar inkomen over 1998. De navorderingsaanslag is opgelegd op 31 december 2004.”

2.2

Afgezien van de vraag of belanghebbende voor 100% aandeelhouder is van [K] AG, dan wel voor 72% (en [mw. O] voor 28%), zijn deze feiten niet in geschil.

2.3

Het Hof stelt verder de volgende feiten vast. De waarde van de aandelen [G] Holding B.V. (hierna: [G] B.V.) bedroeg op 24 november 1999 ongeveer f 78 miljoen. De waarde van de 75% van de aandelen [G] B.V. die aan [F] B.V. toebehoorden bedroeg op 24 november 1999 ongeveer f 63 miljoen. De waarde van (de aandelen in) [G] B.V. was gebaseerd op – onder meer – de waarde van het dealerschap van [ABC] apparatuur in Nederland.

2.4

Belanghebbende huurde vanaf 1 juni 1999 een woning in [R] aan de[A-strasse 1]. Belanghebbende was gedurende geheel 1999 eigenaar van verschillende (on)roerende zaken in Nederland, waaronder een woonboot en een woning in [Q].

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is of de navorderingsaanslag IB/PVV 1999 en de daarbij behorende beschikking heffingsrente terecht zijn opgelegd. Meer in het bijzonder is in geschil of sprake is van een (verkapte) uitdeling van [F] B.V. aan belanghebbende en of belanghebbende op 24 november 1999 zijn woonplaats in Nederland heeft op grond van artikel 2, tweede lid, van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Zwitserse Bondsstaat ter voorkoming van dubbele belasting op het gebied van belastingen van het inkomen en van het vermogen, gesloten te ’s-Gravenhage op 12 november 1951, zoals gewijzigd bij de overeenkomst van 22 juni 1966 (hierna: het Verdrag).

3.2

Belanghebbende beantwoordt bovenstaande vragen ontkennend, de Inspecteur bevestigend.

3.3

Beide partijen hebben voor hun standpunt aangevoerd wat is vermeld in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

4 Beoordeling van het geschil

Getuigenaanbod

4.1

Het Hof zal veronderstellenderwijs ervan uitgaan dat, zoals belanghebbende stelt, [S] een brief aan de Belastingdienst gedateerd 6 april 2001 - waarin onder meer wordt vermeld dat “het gezin [X] is vertrokken in 2000” - zonder overleg met belanghebbende of zijn financieel adviseur, [A]heeft opgesteld en verzonden. Het Hof zal er verder veronderstellenderwijs van uitgaan dat [S] de aangifte zonder overleg met belanghebbende of [A] heeft opgesteld en ingediend. Gelet hierop zal het Hof belanghebbendes aanbod passeren om[T, U en V] (die allen kunnen verklaren over de manier waarop deze brief en de aangifte tot stand zijn gekomen) als getuigen te horen.

Omkering en verzwaring van de bewijslast

4.2

De Inspecteur heeft gesteld dat de bewijslast dient te worden omgekeerd en verzwaard op grond van artikel 27e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: AWR). Artikel 27e van de AWR was mutatis mutandis tot 1 september 1999 opgenomen in artikel 29 van de AWR.

4.3

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende voor het jaar 1999 was uitgenodigd aangifte te doen voor de IB/PVV als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de AWR. Het Hof is van oordeel dat de aangifte IB/PVV 1999 die door [S] op 9 juni 2001 namens belanghebbende is ingediend (hierna: de aangifte), niet de vereiste aangifte is als bedoeld in artikel 27e, aanhef, en onder a, van de AWR. Immers, indien - zoals belanghebbende stelt - ervan moet worden uitgegaan dat hij in de loop van 1999 is geëmigreerd naar Zwitserland, zou hij op grond van artikel 20a, zesde lid, aanhef en onder i, van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB), zijn aanmerkelijke belangen in onder andere [F] B.V. fictief hebben vervreemd. [F] B.V. ontleende haar waarde vóór november 1999 voornamelijk aan de (75%) deelneming in [G] B.V., gewaardeerd op f 63 miljoen. In de aangifte IB/PVV 1999 van belanghebbende is geen vervreemdingsvoordeel uit aanmerkelijk belang opgenomen. Ook is niet vermeld dat in 1999 (een) aanmerkelijk(e) belang(en) (door emigratie fictief) zou(den) zijn vervreemd. Niet in geschil is dat, indien sprake is van een emigratie van belanghebbende naar Zwitserland in 1999, zulks wel had gemoeten.

Indien met betrekking tot de feiten en omstandigheden moet worden uitgegaan van hetgeen de Inspecteur daaromtrent heeft gesteld, is niet in geschil dat belanghebbende voor een bedrag ter grootte van het nagevorderde inkomen ten onrechte geen regulier voordeel uit aanmerkelijk belang in de aangifte opgenomen.

4.4

Belanghebbende heeft in dit verband gesteld dat Raad de aangifte heeft ingediend zonder overleg met hem of [A], hetgeen de Inspecteur gemotiveerd heeft betwist. Het Hof zal er, zoals hierboven vermeld, veronderstellenderwijs van uitgaan dat [S] de aangifte zonder overleg met belanghebbende of [A] heeft opgesteld en ingediend. Niet in geschil is dat [S] door belanghebbende was gemachtigd namens hem aangifte te doen en dat zulks ook is geschied. Belanghebbende heeft echter nimmer geïnformeerd of [S] alle informatie ter beschikking had die nodig was om de vereiste aangifte namens hem op te stellen en deze tijdig in te dienen. Noch tegen de primitieve aanslag met dagtekening 23 oktober 2002, noch tegen de beschikking van 25 september 2002 waarbij het verlies over 1999 is verrekend met het belastbare inkomen over 1998, heeft belanghebbende bezwaar gemaakt.

4.5

Belanghebbende heeft verder ter zitting aangevoerd dat hij naar aanleiding van een  blijkbaar mondeling  advies van[W] (een, naar zeggen van belanghebbende, vooraanstaand fiscalist die betrokken was bij de joint venture tussen [L] B.V. en [K] AG) ervan is uitgegaan dat hij met de uitschrijving in februari 1999 en een aansluitende emigratie naar Zwitserland geen verdere fiscale verplichtingen in Nederland zou hebben. Het Hof acht het echter, mede gelet op het grote vermogen van belanghebbende, waaronder zich in Nederland gelegen onroerende zaken en in Nederland gevestigde vennootschappen met een zeer aanzienlijke waarde bevonden, niet aannemelijk dat een dergelijk fiscaal advies ongeclausuleerd zou zijn gegeven dan wel dat belanghebbende daarop zou hebben vertrouwd. Het Hof vindt steun voor dit oordeel in het feit dat belanghebbende hiervan nimmer medewerkers van [S], die toch waren gemachtigd namens hem aangifte te doen en dit uiteindelijk ook hebben gedaan, op de hoogte heeft gebracht. Het Hof acht het aldus aannemelijk dat belanghebbende zich ervan bewust moet zijn geweest dat hij de aanmerkelijke kans op de koop toe heeft genomen dat namens hem een onjuiste aangifte zou worden ingediend. Onder deze omstandigheden dient naar het oordeel van het Hof het feit dat de aangifte zonder overleg met hem of [A] is ingediend voor rekening en risico van belanghebbende te komen en kan het niet afdoen aan het oordeel dat belanghebbende de vereiste aangifte niet heeft gedaan.

4.6

Gelet op het bovenstaande moet worden geoordeeld dat op grond van artikel 27e van de AWR de Rechtbank het beroep terecht ongegrond heeft verklaard, tenzij blijkt dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.

Uitdeling

4.7

Niet in geschil is dat de waarde van de (75%) deelneming van [F] B.V. in [G] B.V. op 24 november 1999 gesteld kan worden op f 63 miljoen. Bij notariële akte van eigendomsoverdracht van 24 november 1999 is deze deelneming aan [J] N.V. verkocht voor f 33 miljoen. De Inspecteur stelt dat [F] B.V. zich ten aanzien van deze verkoop een bedrag van f 30 miljoen (hierna: de uitdeling) heeft laten ontgaan ten behoeve van haar aandeelhouder (belanghebbende).

4.8

Belanghebbende heeft gesteld dat reeds op 31 oktober 1999 tussen [K] AG, [M] AG en [F] B.V. zou zijn overeengekomen dat de twee eerstgenoemde vennootschappen de aandelen [J] N.V. zouden houden “strictly on behalf, for the sole risk and account of exclusively [F]”. Door deze overeenkomst (hierna ook: de overeenkomst) is de economische eigendom van de aandelen [J] N.V. door [M] AG en [K] AG  voorafgaand aan de overdracht door [F] B.V. van de aandelen [G] B.V. aan [J] N.V. - overgedragen aan [F] B.V., zodat deze laatste nimmer is verarmd en aldus geen sprake kan zijn van een uitdeling.

4.9

De Inspecteur heeft op zijn beurt hiertegen ingebracht dat de economische eigendom van de aandelen [J] N.V. nimmer is overgedragen, althans niet vóór 24 november 1999, en dat de overeenkomst is geantedateerd. Voor zover niet kan worden geoordeeld dat dit het geval is, is volgens de Inspecteur aan de overeenkomst nimmer uitvoering gegeven.

4.10

Met betrekking tot de uitdeling stelt het Hof voorop dat in beginsel ervan moet worden uitgegaan dat de economische eigendom van aandelen ligt bij aandeelhouder. Voor wat betreft de aandelen [J] N.V. zijn dit - voor zover van belang - de vennootschappen [K] AG (voor 49,95%) en [M] AG (voor 0,1%). Voor zover een partij stelt dat de economische eigendom van aandelen elders ligt, dient deze partij zulks aannemelijk te maken. Het Hof acht belanghebbende, die deze stelling betrekt en op wie dus reeds op die grond de bewijslast rust, hierin niet geslaagd. Het Hof acht daarentegen aannemelijk dat de economische eigendom van de hier bedoelde aandelen ligt bij de aandeelhouder.

4.11

Indien het stuk van 31 oktober 1999 inderdaad op of omstreeks die datum is opgesteld en ondertekend - het Hof laat zulks expliciet in het midden - acht het Hof het aannemelijk dat partijen nimmer daarnaar hebben gehandeld

In de jaarstukken of de aangiftes van [F] B.V. staat geen deelneming in [J] N.V. vermeld. Voor zover belanghebbende heeft gesteld dat de aandelen [J] op 1 januari 2000 geen waarde meer hadden en dat het belang om die reden niet expliciet in voornoemde stukken is opgenomen, acht het Hof het volstrekt onaannemelijk dat zowel de aandelen [G] B.V. als de door [L] B.V. middellijk ingebrachte vastgoedportefeuille op die datum geen waarde meer vertegenwoordigden.

Het Hof constateert verder dat[A], na zijn vertrek bij [S] werkzaam als financieel adviseur voor belanghebbende en diens vennootschappen, onder ede heeft verklaard dat het onderbrengen van de aandelen [J] N.V. bij [K] AG onderdeel was van een beschermingsconstructie, omdat door de Ontvanger beslag was gelegd op de aandelen [F] B.V. Om die reden zou ook de vordering van f 33 miljoen van [F] B.V. op [J] N.V. eind 1999 zijn gecedeerd aan de Zwitserse vennootschap [AA] AG zonder dat voor deze cessie een zakelijke grondslag zou hebben bestaan. Naar het oordeel van het Hof is het ook tegen deze achtergrond aannemelijk dat nimmer de bedoeling heeft bestaan uitvoering te geven aan de overeenkomst, aangezien de “beschermingsconstructie” zoals die door belanghebbende is gesteld alleen dan zin heeft, indien het economische belang van de aandelen [J] N.V. juist niet bij [F] B.V. ligt.

In een door [A] opgesteld stuk getiteld “Overname 100% [K] Holding AG (en daarmee 50% [J] NV) door derde” van 17 april 2001, wordt [F] B.V. op geen enkele plaats genoemd. In het stuk wordt ervan uitgegaan dat een 100% belang in [K] AG direct een 50% belang in [J] N.V. vertegenwoordigt.

In een memo van 19 juni 2001 van [A] aan de Rabobank in het kader van een herfinanciering wordt gesteld dat [K] AG een belang van 50% in [G] B.V. en de door [L] B.V. ingebrachte onroerendgoedportefeuille heeft verkregen. Nergens wordt vermeld dat het economische belang hiervan via de economische eigendom van de aandelen [J] N.V. bij [F] B.V. zou liggen.

Uit geen enkele stuk of document blijkt dat partijen hebben gepoogd (een begin van) uitvoering te geven aan de overeenkomst.

Gelet op het bovenstaande acht het Hof het aannemelijk dat de overeenkomst een schijnhandeling vormt. Belanghebbende heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt - laat staan dat zou zijn gebleken - dat het economische belang van de aandelen [J]. N.V. niet bij de aandeelhouders ([K] AG en [M] AG) lag, doch bij [F] B.V. Het Hof acht het tegendeel aannemelijk.

Dat [C] en [D] als getuigen onder ede hebben verklaard dat zij de overeenkomst op of omstreeks 31 oktober 1999 mede hebben ondertekend, brengt het Hof niet tot een ander oordeel. Immers, het Hof kan niet anders dan vaststellen, onder meer juist ook door de verklaringen van deze getuigen, dat [C] en [D] als “treuhändischer Verwaltungsrat” op naam van en voor rekening en risico van de “Treuhandgeber” (en dus direct of indirect van belanghebbende) hebben gehandeld. Aldus hadden zij geen eigen wil of belang inzake de overeenkomst en werd deze uitsluitend gevormd door belanghebbende, als (middellijk) “Treuhandgeber”.

4.12

Of belanghebbende voor 100% aandeelhouder van [K] AG was, zoals de Inspecteur stelt, dan wel voor 72%, zoals belanghebbende stelt, acht het Hof niet van belang, nu niets is gesteld omtrent de feiten en omstandigheden waaronder[mw. O] het belang van 28% in [K] AG - voor zover zij al als “beneficial owner” hiervan moet worden aangemerkt - zou hebben verkregen.

Woonplaats

4.13

De feiten en omstandigheden zoals die hieronder zullen worden vermeld rechtvaardigen naar het oordeel van het Hof de conclusie dat belanghebbende op grond van artikel 4 van de AWR in Nederland woonde. Belanghebbende is derhalve terecht op grond van artikel 1, aanhef en onder a, van de Wet IB als binnenlandse belastingplichtige in de heffing betrokken.

4.14

Partijen zijn verdeeld over de vraag of belanghebbende op 24 november 1999 voor de toepassing van het Verdrag inwoner van Nederland of inwoner van Zwitserland was. Niet in geschil is dat belanghebbende vanaf 1 juni 1999 een woning in [R] huurde aan de [A-strasse 1] en dat hij in ieder geval vanaf dat moment in Zwitserland beschikte over een duurzame woongelegenheid als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Verdrag. Niet in geschil is verder dat belanghebbende in Nederland beschikte over een woonboot, zodat hij, wat er zij van de woning te [Q], ook in Nederland beschikte over een duurzame woongelegenheid. Op grond van het Verdrag wordt dan voor verdragsdoeleinden “als woonplaats beschouwd de plaats, waarmede de persoonlijke betrekkingen het nauwst zijn (middelpunt van de levensbelangen)”.

4.15

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende in 1999 veel in Zwitserland verbleef en dat zijn toenmalige echtgenote (hierna: [Y]) en hun drie schoolgaande kinderen veelal in Nederland verbleven. Belanghebbende verdedigt het standpunt dat [Y] en hun beider kinderen weliswaar in Nederland woonden doch dat het middelpunt van zijn levensbelangen in Zwitserland lag. Hij voert hiervoor aan dat de relatie met zijn toenmalige echtgenote in 1999 al enige tijd zeer slecht was.

4.16

Het Hof stelt in dit verband vast dat belanghebbende in 1999 nog gehuwd was met [Y]. De twee oudste kinderen zaten op de middelbare school, het jongste kind op de basisschool. [Y] en de drie kinderen zijn medio 2000 wederom één gemeenschappelijke huishouding gaan voeren met belanghebbende, in een nieuw gebouwde villa. De Inspecteur heeft in dat verband onweersproken gesteld dat [Y] zich in verregaande mate heeft beziggehouden met het ontwerp en de inrichting van deze woning. Eind 2003 is [Y] met de jongste dochter teruggekeerd naar Nederland en weer gaan wonen in de aangehouden woning te [Q]. Niet in geschil is dat in ieder geval vanaf die periode het huwelijk duurzaam is ontwricht en niet langer sprake is van een gemeenschappelijke huishouding. In 2011 is de echtscheiding tussen belanghebbende en [Y] uitgesproken.

4.17

Bij de beantwoording van de vraag waar het middelpunt van de levensbelangen van belanghebbende in 1999 lag, acht het Hof de plaats waar zijn gezin (met jonge schoolgaande kinderen) verbleef van groot belang. Niet in geschil is dat het gezin in 1999 in Nederland woonde. Belanghebbende heeft weliswaar gesteld dat de huwelijksrelatie tussen belanghebbende en [Y] in 1999 reeds enige tijd zeer slecht was en dat de vraag waar zij en hun kinderen verbleven om die reden niet dan wel van minder groot belang is, doch het Hof merkt in dit verband op dat de huwelijksrelatie in ieder geval niet zo slecht was, dat deze eraan in de weg stond dat het gezin medio 2000 wederom één huishouden is gaan voeren, in de nieuw gebouwde villa in Zwitserland. Het Hof acht in dit verband de verklaring van [Y], inhoudende dat belanghebbende in 1999 in de weekends en soms ook op andere dagen verbleef in de woning in [Q], aannemelijk. Hetgeen belanghebbende hiertegenover heeft gesteld, te weten dat hij in eerste instantie regelmatig de weekeinden in Nederland verbleef, maar dat dit niet lang heeft geduurd, acht het Hof onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Aan de uitdraai van zijn elektronische agenda die hij daartoe heeft overgelegd kent het Hof onvoldoende bewijskracht toe, nu niet in geschil is dat het mogelijk is achteraf mutaties in deze agenda aan te brengen. Op grond van het bovenstaande acht het Hof het niet aannemelijk dat reeds in 1999 geen affectieve relatie meer bestond tussen belanghebbende en zijn toenmalige echtgenote. Het Hof acht aannemelijk dat hun beider wil in 1999 erop was gericht een gezamenlijke huishouding te gaan voeren in een daartoe te bouwen villa in Zwitserland. Voor zover belanghebbende ter zitting heeft willen stellen dat de relatie met de jongste dochter in 1999 al problematisch was, acht het Hof dit om dezelfde reden onaannemelijk.

4.18

Het Hof constateert verder dat de zakelijke belangen van belanghebbende tot 24 november 1999 voornamelijk bestonden uit het dealerschap van [ABC] apparatuur in Nederland via het (middellijk) belang van belanghebbende in [G] B.V. Verder werden de zakelijke belangen gevormd door de wens om een joint venture aan te gaan met [L] B.V., waarbij deze laatste een portefeuille van voornamelijk in Nederland gelegen onroerende zaken zou inbrengen. Na de totstandkoming van de joint venture hield belanghebbende middellijk een belang in deze voornamelijk op Nederland betrekking hebbende activiteiten. Zowel in Nederland als in Zwitserland had belanghebbende verder onroerende zaken in bezit, hield hij bankrekeningen aan en waren verschillende van de door hem gecontroleerde vennootschappen gevestigd.

4.19

Nu zowel het privéleven als de zakelijke belangen van belanghebbende zich in 1999 in doorslaggevende mate in Nederland afspeelden, is het Hof van oordeel dat het middelpunt van belanghebbendes levensbelangen in 1999 in Nederland lag. Hetgeen belanghebbende hieromtrent verder aan de orde heeft gesteld, bijvoorbeeld de vraag of en zo ja, in hoeverre belanghebbende en/of zijn gezin in 1999 rechtmatig verblijf in Zwitserland konden houden, alsmede het feit dat belanghebbende in 1999 ook in Zwitserland vriendschappelijk relaties had opgebouwd, zoals onder meer blijkt uit de verklaringen van [B], is, evenals hetgeen belanghebbende verder in dit verband heeft aangevoerd, van onvoldoende gewicht om aan dit oordeel af te doen. Het bovenstaande brengt mee dat voor toepassing van het Verdrag belanghebbende zijn woonplaats in Nederland heeft. Voor dat geval is niet in geschil dat Nederland niet wordt beperkt in het recht inkomstenbelasting ter zake van de uitdeling te heffen en dat de aanslag terecht en tot een juist bedrag is opgelegd.

Heffingsrente

4.20

Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de heffingsrente (zie Hoge Raad 27 november 2009, nr. 07/13621, LJN BJ7907). Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte heffingsrente aangevoerd. Ook overigens is niet gebleken dat de bepalingen met betrekking tot de heffingsrente onjuist zijn toegepast.

slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep van belanghebbende ongegrond. Het Hof zal de uitspraak van de Rechtbank bevestigen.

5 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.A.V. Boxem, voorzitter, mr. J.P.M. Kooijmans en mr. J. van de Merwe, in tegenwoordigheid van mr. A. Vellema als griffier.

De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 september 2013.

De griffier, De voorzitter,

(A. Vellema) (R.A.V. Boxem)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 3 september 2013

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.