Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:6476

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-09-2013
Datum publicatie
06-09-2013
Zaaknummer
BK 12/00127
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In geschil is het antwoord op de vraag of de Inspecteur terecht het bedrag aan rente en kosten in verband met de eigen woning heeft gecorrigeerd. Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof zijn grief met betrekking tot de giftenaftrek laten varen en desgevraagd meegedeeld dat zijn klachten met betrekking tot de onzorgvuldige behandeling die hij zijdens de Belastingdienst heeft ervaren niet tot een concrete grief leiden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2013/2019
V-N 2013/59.23.22
FutD 2013-2250
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

Afdeling belastingrecht

Locatie Leeuwarden

nummer 12/00127

uitspraakdatum: 3 september 2013

Uitspraak van de eerste meervoudige belastingkamer

op het hoger beroep van

[X] te [Z] (hierna: belanghebbende)

tegen de uitspraak van de rechtbank Leeuwarden van 6 maart 2012, nummer AWB 11/1909, in het geding tussen belanghebbende en

de inspecteur van de Belastingdienst/Noord/kantoor Leeuwarden (hierna: de Inspecteur)

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1

Aan belanghebbende is voor het jaar 2008 een aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd, berekend naar uitsluitend een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 26.874. Tevens is een beschikking heffingsrente opgelegd ten bedrage van € 238.

1.2

Op het bezwaarschrift van belanghebbende heeft de Inspecteur bij uitspraak op bezwaar de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 22.879.

1.3

Belanghebbende is tegen die uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank Leeuwarden (hierna: de Rechtbank). De Rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 6 maart 2012 ongegrond verklaard.

1.4

Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.5

Tot de stukken van het geding behoren, naast de hiervoor vermelde stukken, het van de Rechtbank ontvangen dossier dat op deze zaak betrekking heeft alsmede alle stukken die nadien, al dan niet met bijlagen, door partijen in hoger beroep zijn overgelegd.

1.6

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2013 te Leeuwarden. Daarbij zijn verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede mr. [A] namens de Inspecteur.

1.8

Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt dat aan deze uitspraak is gehecht.

2 De vaststaande feiten

2.1

Belanghebbende is geboren op 15 juni 1949 en is in het onderhavige jaar gehuwd.

2.2

Belanghebbende heeft zijn hoofdverblijf in een woning aan de [a-straat] 36 te [Z], waarvan hij eigenaar is (hierna: de eigen woning).

2.3

In de periode van 1995 tot en met 2000 heeft belanghebbende de eigen woning verbeterd en verbouwd. De werkzaamheden hebben onder meer bestaan uit de bouw van een carport, de uitbreiding van de garage, het plaatsen van een etage op de garage, de reparatie van het dak en de verbouwing van de badkamer. Voor een deel van de werkzaamheden heeft belanghebbende een aannemer in de arm genomen en voor het overige heeft hij de werkzaamheden zelf uitgevoerd.

2.4

Belanghebbende heeft de volgende leningen afgesloten in de periode van 1995 tot en met 2000:

Afsluitdatum Bank Omschrijving Rekeningnummer

A. 8 november 1996 Rabobank Hypotheek [00000000]

B. onbekend Rabobank Keuze Plus Hypotheek [00000001]

C. onbekend ING (v/h Postbank) Consumptief krediet [00000002]

D. 8 augustus 2000 Rabobank OpMaat Hypotheek [00000003]

De leningen worden hierna met de letters A, B, C of D aangeduid.

2.5

Belanghebbende heeft in zijn aangiften IB/PVV voor voorgaande jaren de volgende bedragen aan eigenwoningschuld vermeld:

Per 31 december 1994 ƒ 174.000 (€ 78.957,76)

Per 31 december 1999 ƒ 325.000 (€ 147.478,57)

Per 31 december 2001 ƒ 415.000 (€ 188.319,00)

Per 31 december 2002 € 188.319

Per 31 december 2003 € 185.378

Per 31 december 2004 € 185.378

Per 31 december 2005 € 218.000

Per 31 december 2006 € 218.000

Per 31 december 2007 € 218.000

2.6

In de aangiften IB/PVV 2003 en 2004 heeft belanghebbende een eigenwoningschuld van € 185.378 vermeld. Dit bedrag bestaat uit lening A met een hoofdsom van € 140.000 en lening D met een hoofdsom van € 45.378. Met deze leningen heeft belanghebbende (deels) eerder afgesloten leningen afgelost.

2.7

In het jaar 2005 heeft belanghebbende de leningen A en D afgelost met geld verkregen uit nieuwe leningen van de Rabobank, rekeningnummers [00000004], ad € 185.000 (hierna: lening E) en [00000005], ad € 33.000 (hierna: lening F), derhalve met een totale hoofdsom van € 218.000. Op verzoek van de Rabobank zijn daarbij tevens afgelost de leningen B (saldo € 9.801,40) en C (saldo € 22.233,74) alsmede een schuld aan een creditcardmaatschappij van € 3.729,26.

2.8

Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar inzake de aanslagen IB/PVV 2005, IB/PVV 2006 en IB/PVV 2007 beroep aangetekend bij de Rechtbank. Daar was onder meer in geschil de hoogte van de renten en kosten in verband met de eigen woning. De Rechtbank heeft deze beroepen bij uitspraken van respectievelijk 2 december 2010, nr. AWB 10/30 en 1 september 2011, nrs. AWB 10/2151 en 10/2150 respectievelijk ongegrond, niet-ontvankelijk en ongegrond verklaard. Belanghebbende heeft hoger beroep ingesteld bij het Hof tegen de uitspraak van de Rechtbank over de aanslag IB/PVV 2005. Op 26 juni 2012 heeft het Hof dit hoger beroep ongegrond verklaard. Tegen de uitspraken van de Rechtbank inzake de aanslagen IB/PVV 2006 en 2007 heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld; dit hoger beroep is wegens het niet betalen van griffierecht door het Hof niet-ontvankelijk verklaard.

2.9

Belanghebbende heeft op 30 maart 2009 zijn aangifte IB/PVV 2008 ingediend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 20.959. In voormelde aangifte vermeldt belanghebbende - voor zover te dezen van belang is - een eigenwoningschuld van € 218.000 en een bedrag aan renten en kosten in verband met de eigen woning van € 8.315. Tevens claimt belanghebbende, na toepassing van de drempel van € 256, een giftenaftrek van € 1.244.

2.10

Bij de regeling van de aanslag IB/PVV 2008 corrigeert de Inspecteur voor zover hier van belang is de in aftrek gebrachte eigenwoningrente voor een bedrag van € 1.244 (€ 185.378/ € 218.000 x € 8.315= € 7.071 aftrekbaar) en weigert de Inspecteur de giftenaftrek van € 1.244.

Het verzamelinkomen wordt als volgt vastgesteld:

“Aangegeven verzamelinkomen € 20.959

Minder aftrek rente van schulden / kosten geldleningen eigen woning 1.244

De aftrek rente van schulden wordt vastgesteld op € 7.071

De eigenwoningschuld wordt vastgesteld op € 185.378

Geen aftrek ziektekosten en andere buitengewone uitgaven 3.427

Geen aftrek giften ] 1.244

----------

Vastgesteld verzamelinkomen € 26.874”

2.11` Bij uitspraak op bezwaar wordt het verzamelinkomen nader vastgesteld op € 22.879. Dit bedrag is als volgt opgebouwd:

“Vastgesteld verzamelinkomen € 26.874

Meer aftrek rente van schulden / kosten geldleningen 531 -/-

Aftrek ziektekosten en andere buitengewone uitgaven 3.464 -/ -

----------

Nader vastgesteld verzamelinkomen € 22.879”

Met betrekking tot de aftrekbare rente/kosten van geldleningen heeft de Inspecteur lening E volledig aangemerkt als eigenwoningschuld en lening F slechts ten dele. Hij heeft dit als volgt gemotiveerd:

“Bij de afhandeling van de aangifte 2005 is vastgesteld dat de betaalde rente als volgt dient te worden berekend:

- Rente lening [00000004] geheel aftrekbaar € 7.585

- Rente lening [00000005] 378/33.000 x € 1.485 - 17

---------

Aftrekbaar bedrag aan rente en kosten eigen woning € 7.602”

3 Het geschil, de standpunten en conclusies van partijen

3.1

In geschil is het antwoord op de vraag of de Inspecteur terecht het bedrag aan rente en kosten in verband met de eigen woning heeft gecorrigeerd. Belanghebbende heeft ter zitting van het Hof zijn grief met betrekking tot de giftenaftrek laten varen en desgevraagd meegedeeld dat zijn klachten met betrekking tot de onzorgvuldige behandeling die hij zijdens de Belastingdienst heeft ervaren niet tot een concrete grief leiden.

3.2

Belanghebbende beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 – vermelde vraag ontkennend en concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar en tot vermindering van de aanslag overeenkomstig de door hem ingediende aangifte met dien verstande dat de door hem opgevoerde giftenaftrek van – met in achtneming van de daarvoor geldende drempel - € 1.244, moet worden gecorrigeerd.

3.3

De Inspecteur beantwoordt de hiervoor – onder 3.1 – vermelde vraag bevestigend en concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.4

Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken. Daaraan hebben zij ter zitting toegevoegd hetgeen is vermeld in het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van de zitting.

4 Beoordeling van het geschil

4.1

Ingevolge artikel 3.120 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB, tekst 2008; hierna: de Wet) zijn de aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning het gezamenlijke bedrag van - voor zover hier van belang - renten van schulden, kosten van geldleningen daaronder begrepen, die behoren tot de eigenwoningschuld.

4.2

Onder de eigenwoningschuld wordt ingevolge artikel 3.119a van de Wet verstaan het gezamenlijke bedrag van de schulden die zijn aangegaan ter verwerving van een eigen woning. De eigenwoningschuld wordt verhoogd met het gezamenlijke bedrag van de schulden die zijn aangegaan voor verbetering of onderhoud van de woning. Een schuld is aangegaan voor verbetering en onderhoud van de eigen woning als deze is afgesloten met het oogmerk het geleende geld te besteden aan verbetering en onderhoud (vgl. HR 22 oktober 2004, nr. 39.082, LJN BI8825, BNB 2005/135).

4.3

Uit de arresten van de Hoge Raad van 21 september 2007, nr. 42.215, LJN AY9000, BNB 2008/92 en nr. 42.260, LJN AY9004, BNB 2008/93, volgt dat de inspecteur met betrekking tot schulden die zijn aangegaan vóór 1 januari 2001 bewijs kan vragen van het oogmerk waarmee deze schulden zijn aangegaan. De belastingplichtige kan daarbij niet worden tegengeworpen dat, indien hij deze schulden is aangegaan met het oogmerk daarmee onderhouds- en verbeteringskosten te financieren, hij de verbetering en het onderhoud niet met schriftelijke bescheiden kan staven. Belanghebbende kan ook op andere wijze dan door middel van schriftelijke bescheiden het bewijs leveren dat (de verhoging van) de geldlening betrekking heeft op onderhoud en/of verbetering van de eigen woning.

4.4

Belanghebbende stelt dat lening F volledig is aangegaan voor de verwerving, het onderhoud en de verbetering van de eigen woning dan wel de herfinanciering van de eigenwoningschuld.

4.5

De Inspecteur betwist de juistheid van deze stelling van belanghebbende. Naar zijn mening is lening F slechts zeer ten dele (te weten: voor 378/33.000 gedeelte) aangegaan voor onderhoud of verbetering van de eigen woning en heeft belanghebbende niet met schriftelijke bescheiden gestaafd dat ook deze lening volledig voor de betaling van de kosten van onderhoud of verbetering is aangewend. Zijns inziens heeft hij door het accepteren van een eigenwoningschuld van € 185.378 op voldoende wijze rekening gehouden met de schulden die belanghebbende is aangegaan voor verwerving, verbetering en onderhoud van de eigen woning.

4.6

De bewijslast met betrekking tot de hoogte van de geclaimde kosten rust op belanghebbende. Hij dient derhalve aannemelijk te maken dat de hoogte van de schuld in verband met de eigen woning in totaal € 218.000 bedraagt.

4.7

Naar het oordeel van het Hof, is belanghebbende niet in de op hem rustende bewijslast geslaagd nu hij noch schriftelijke bescheiden heeft overgelegd, noch op enige andere manier aannemelijk heeft gemaakt dat het volledige bedrag van € 218.000 is gebruikt voor de aanschaf, de verbetering of het onderhoud van de eigen woning. Uit het voorgaande volgt dat de Inspecteur de eigenwoningschuld terecht heeft beperkt tot € 185.378 en over het jaar 2008 terecht de aftrek van renten en kosten in verband met de eigen woning heeft beperkt tot € 7.602. Het Hof overweegt in dat verband nog het volgende. Lening E en 378/33.000 gedeelte van lening F, in totaal € 185.378, zijn samen ruim voldoende om daaruit de herfinanciering van de eigenwoningschuld ultimo 1994 van € 78.958 en het totaalbedrag van de door belanghebbende bewaarde bonnen van € 28.618 te voldoen. Belanghebbende heeft met hetgeen hij heeft aangedragen niet aannemelijk gemaakt, dat hij naast een totaalbedrag van € 185.378 aan eigenwoningschuld tevens het resterende gedeelte van lening F is aangegaan met het oogmerk het onderhoud of de verbetering van de eigen woning daarmee te financieren. Hij heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat de laatstbedoelde geleende bedragen op het onderhoud of de verbetering betrekking hebben.

4.8

Belanghebbende beklaagt zich erover dat hij in zijn bewijspositie is geschaad, doordat de Inspecteur heeft nagelaten in een eerder stadium toen hij, naar hij stelt, nog wel over schriftelijke bescheiden beschikte, om een onderbouwing van de verhogingen van de eigenwoningschuld te vragen. Voor zover hij stelt dat de Inspecteur door het niet stellen van vragen naar aanleiding van de in de aangiften vermelde verhogingen van de eigenwoningschuld bij belanghebbende de indruk heeft gewekt dat die gedragslijn berustte op een weloverwogen standpuntbepaling, zodat belanghebbende een gerechtvaardigd beroep op het vertrouwensbeginsel toekomt, overweegt het Hof het volgende. Een beroep op opgewekt vertrouwen door het volgen van de aangifte is slechts mogelijk, indien de kwestie uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde is gesteld. Het in de aangifte opvoeren van een hogere eigenwoningschuld dan voorheen, is niet te beschouwen als het uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde stellen van het punt in kwestie (vgl. HR 21 september 2007, nr. 42.575, LJN AY9013, BNB 2008/95).

4.9

Belanghebbende heeft zich in hoger beroep voor wat betreft de aftrekbare kosten met betrekking tot een eigen woning subsidiair beroepen op het vertrouwensbeginsel, omdat de Inspecteur in de jaren 1992 tot en met 2004 deze aftrek steeds conform de aangifte heeft geaccepteerd. Nog daargelaten dat de enkele omstandigheid dat de Inspecteur bij de aanslagregeling in eerdere jaren de aangifte heeft gevolgd zonder dat daarin uitdrukkelijk en gemotiveerd een bepaalde kwestie aan de orde is gesteld, niet het rechtens te beschermen vertrouwen rechtvaardigt voor de jaren daarna, faalt belanghebbendes grief reeds omdat in de desbetreffende jaren niet een (renteaftrek behorend bij een) eigenwoningschuld van € 218.000 is opgevoerd, en derhalve het niet om de rechtens en feitelijk zelfde situatie gaat als in het onderhavige jaar. Voor de jaren 2003 en 2004 heeft de Inspecteur niet meer aftrek van rente geaccepteerd dan hij voor het onderhavige jaar doet.

4.10

Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur de aanslag IB/PVV 2008 tot het juiste bedrag heeft vastgesteld.

4.11

Het Hof ziet geen aanleiding om af te wijken van de beslissing van de Inspecteur om de beschikking heffingsrente over 2008 te handhaven.

Slotsom

Op grond van het vorenstaande is het hoger beroep ongegrond.

5 Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten.

6 Beslissing

Het Hof bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Deze uitspraak is gedaan door mr. P. van der Wal, voorzitter, mr. J.A. Monsma en mr. G.J. van Leijenhorst, in tegenwoordigheid van mr. K. de Jong-Braaksma als griffier.

De beslissing is op 3 september 2013 in het openbaar uitgesproken.

De griffier, De voorzitter,

(K. de Jong-Braaksma)

(P. van der Wal)

Afschriften zijn aangetekend per post verzonden op 4 september 2013

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij

de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer),

Postbus 20303,

2500 EH Den Haag.

Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. de dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

d. de gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.