Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:6448

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
03-09-2013
Datum publicatie
17-09-2013
Zaaknummer
200.119.021
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

(tegen)bewijsopdrachten ter zake van een vordering tot terugbetaling van afgetroggeld geld (onrechtmatige daad); verzet tegen eiswijziging in hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2013/440
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ARNHEM - LEEUWARDEN

afdeling civiel recht

locatie Arnhem

zaaknummer gerechtshof 200.119.021

(zaaknummer rechtbank Almelo 119829)

arrest van de tweede civiele kamer van 3 september 2013

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats appellant],

appellant,

hierna: [appellant],

advocaat: mr. E. Nijhoff,

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats geïntimeerde] ([land]),

geïntimeerde,

hierna: [geïntimeerde],

advocaat: mr. S. van den Berg.

1 Het geding in eerste aanleg

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar de inhoud van de vonnissen van 14 september 2011 en 3 oktober 2012 die de rechtbank Almelo tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde heeft gewezen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding in hoger beroep d.d. 7 december 2012,

- de memorie van grieven,

- de memorie van antwoord.

2.2.

Het hof heeft bepaald dat er arrest wordt gewezen.

3 De vaststaande feiten

Het hof gaat in hoger beroep uit van de feiten die staan beschreven in rechtsoverweging 2.1 van het tussenvonnis van 14 september 2011.

4 De motivering van de beslissing in hoger beroep

4.1.

[appellant] heeft in eerste aanleg van [geïntimeerde] betaling van € 20.000 in hoofdsom gevorderd op de grond dat [geïntimeerde] dat bedrag van [appellant] had geleend. [appellant] heeft daartoe gesteld dat de zwager van [geïntimeerde] (hierna: de zwager) in mei 2009, toen deze geld aan [appellant] verschuldigd was en [appellant] dringend behoefte had aan betaling van die schuld, heeft verteld dat hij de schuld zou kunnen aflossen indien een transactie met een woning in [provincie] zou doorgaan. De zwager heeft [appellant] daarop in contact gebracht met [geïntimeerde], omdat hij bij die transactie was betrokken. Tijdens daarop gevolgde besprekingen tussen [geïntimeerde] en [appellant] heeft [geïntimeerde] bevestigd wat de zwager aan [appellant] had verteld, waarbij [geïntimeerde] aan [appellant] voorts heeft laten weten dat de transactie pas kon worden uitgevoerd indien [appellant] daarvoor € 10.000 ter beschikking zou stellen. [appellant] heeft daarop het gevraagde bedrag contant aan [geïntimeerde] overhandigd. Vervolgens vroeg [geïntimeerde] om een tweede bedrag van € 10.000 ter beschikking te stellen omdat iemand anders een aanbod om € 10.000 ter beschikking te stellen intussen zou hebben ingetrokken. [appellant] is daarop met een kennis, [naam kennis], overeengekomen dat deze het bedrag van € 10.000 liet overboeken naar de bankrekening van de eenmanszaak [naam zaak], welke eenmanszaak feitelijk door [geïntimeerde] werd bestuurd, aldus nog steeds [appellant].

4.2.

In het bestreden eindvonnis van 3 oktober 2012 heeft de rechtbank de vorderingen van [appellant] afgewezen, met zijn veroordeling in de proceskosten. Deze beslissing berust op het oordeel dat [geïntimeerde] terecht heeft opgeworpen dat tussen partijen geen overeenkomst van geldlening is gesloten. [appellant] heeft in hoger beroep de vordering wel gehandhaafd, maar is bij memorie van grieven niet langer uitgegaan van geldlening, maar van onverschuldigde betaling, althans (subsidiair) onrechtmatig handelen van [geïntimeerde]. Dit betreft een wijziging van de grondslag van de vordering.

4.3.

Ten onrechte heeft [geïntimeerde] opgeworpen dat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd nu [appellant] in hoger beroep niet heeft bestreden dat van geldlening niet is gebleken. De wijziging van de grondslag moet immers gelijkgesteld worden met een grief, nu die wijziging strekt tot het geven van een andere beslissing dan in het bestreden vonnis is gegeven.

4.4.

[geïntimeerde] heeft zich in zijn memorie van antwoord verzet tegen het wijzigen van de eis op de grond dat de voor het eerst in hoger beroep aangedragen gronden slechts in één feitelijke instantie kunnen worden beoordeeld en dat dit bezwaarlijk is, doordat er met betrekking tot de nieuwe gronden bewijslevering nodig is. Voorop staat dat [appellant] in beginsel bevoegd is om in hoger beroep zijn vordering en/of de daarvoor aangedragen gronden te wijzigen (zie artikel 130 lid 1 Rv en artikel 353 lid 1 Rv). Het enkele feit dat nieuwe gronden door slechts één feitenrechter worden beoordeeld staat (daarom) niet in de weg aan gebruikmaking van die bevoegdheid. Indien de onderhavige wijziging van de grondslagen zou leiden leid tot onredelijke vertraging, komt zij in strijd met de goede procesorde en is zij ontoelaatbaar. Te voorzien valt dat in dit geval de wijziging tot vertraging zal leiden doordat, zoals [geïntimeerde] heeft aangestipt, bewijslevering nodig is. Echter valt niet in te zien waarom die vertraging onredelijk is - [geïntimeerde] heeft dat niet onderbouwd. [geïntimeerde] heeft evenmin gesteld dat de wijziging op andere gronden in strijd is met de goede procesorde en het hof ziet daarvoor ambtshalve evenmin redenen. Dit betekent dat het verzet tegen de eiswijziging ongegrond is en dat het hof de vordering zal beoordelen op basis van de door [appellant] voor het eerst in hoger beroep daarvoor aangedragen gronden.

4.5.

[geïntimeerde] heeft erkend dat hij in mei 2009 met [appellant] besprekingen heeft gevoerd. Volgens hem gingen die gesprekken niet over de vordering die [appellant] op [geïntimeerde] meent te hebben (aldus, letterlijk, § 2 van de conclusie van antwoord in eerste aanleg). [geïntimeerde] heeft over de inhoud van de besprekingen verder niets aangevoerd. Hierdoor is, als door [appellant] gesteld en door [geïntimeerde] onvoldoende gemotiveerd bestreden, vast komen te staan dat [geïntimeerde] met [appellant] over de mogelijkheden tot betaling van de schuld van de zwager heeft gesproken, welke mogelijkheden in verband zijn gebracht met een op handen zijnde transactie met een woning in [provincie], waarbij aan [appellant] duidelijk is gemaakt dat uitvoering van de transactie afhankelijk was van het beschikbaar komen van  aanvankelijk  € 10.000 en  daarna  nog eens € 10.000. Evenmin heeft [geïntimeerde] gemotiveerd bestreden dat hij tijdens die gesprekken wist dat [appellant] dringend geld nodig had en dat [appellant] op zijn aanwijzing [naam kennis] heeft geïnstrueerd om de overschrijving van € 10.000 naar [naam zaak] te laten plaatsvinden. Van het verband tussen de overschrijving en de transactie blijkt voorts uit de door [naam kennis] bij de boekingsopdracht meegegeven betalingsreden: “Spoedoverboeking eigen inbreng e [appellant] inzake aankoop woning [provincie]” (zie productie 2 bij dagvaarding in eerste aanleg).

4.6.

In het kader van de subsidiaire grondslag, onrechtmatige daad, is niet relevant in hoeverre [geïntimeerde] werd bevoordeeld door de overboeking naar [naam zaak]: binnen dit kader is uitsluitend van belang in hoeverre [appellant] door de overboeking is benadeeld. [appellant] voert in dit verband aan dat de door [naam kennis] voorgeschoten € 10.000 door hem worden afgelost. Dat [naam kennis] wegens de overboeking van 27 mei 2009 een vordering op [naam zaak] of [geïntimeerde] heeft, is bovendien thans uitgesloten. [naam kennis] heeft weliswaar in een brief van 6 november 2009 (productie 1 bij conclusie van dupliek) jegens de schoonmoeder van [geïntimeerde], aan wie destijds de eenmanszaak [naam zaak] formeel toebehoorde, aanspraak gemaakt op terugbetaling van de € 10.000, maar heeft daarin tevens geschreven dat die overboeking plaats vond ‘voor’ (lees: voor rekening van) [appellant]. Dit strookt met de bij de overboeking opgegeven betalingsreden. In de akte van cessie van 6 juli 2012 (productie 1 bij akte d.d. 11 juli 2012 van [appellant], welke productie overigens ontbreekt in het door [appellant] aan het hof overgelegde dossier van de eerste aanleg) zijn [appellant] en [naam kennis] er weliswaar van uitgegaan dat [naam kennis] wegens de overboeking van 27 mei 2009 een vordering op [geïntimeerde] had, maar dit ondergraaft het beroep van [geïntimeerde] op [naam kennis] aanspraken doordat uit de cessieakte juist blijkt dat [naam kennis] uit hoofde van de overboeking niet of niet langer aanspraak maakt op een vordering op [geïntimeerde]. Nu daarentegen is gebleken dat de betaling voor rekening van [appellant] is gekomen, staat ook vast dat hij daardoor een schade van € 10.000 heeft geleden.

4.7.

[appellant] heeft gesteld dat [geïntimeerde] de tijdens de besprekingen van eind mei 2009 bedoelde transactie van een [provincie] woning heeft verzonnen. Nu vast staat dat in of omstreeks mei 2009 geen transactie heeft plaatsgevonden als door [geïntimeerde] in het vooruitzicht is gesteld en redenen voor het uitblijven daarvan ontbreken, acht het hof [appellant] voorshands, behoudens door [geïntimeerde] te leveren tegenbewijs, geslaagd in het bewijs van zijn stelling dat de eind mei 2009 door [geïntimeerde] aan [appellant] vermelde plannen voor een transactie niet bestonden en dat [geïntimeerde] onrechtmatig heeft gehandeld door het bestaan van die plannen voor te spiegelen en met behulp daarvan [appellant] te bewegen om geld beschikbaar te stellen. [geïntimeerde], die een bewijsaanbod heeft gedaan, zal in de gelegenheid worden gesteld om tegenbewijs tegen dit voorshands bewezen feit.

4.8.

Bovendien is aan de orde of [appellant], zoals deze heeft gesteld, (bovendien) op 25 mei 2009 een bedrag van € 10.000 in contanten aan [geïntimeerde] heeft overhandigd. [geïntimeerde] heeft deze stelling ontkend en de daaraan ten grondslag gelegde feiten betwist, welke betwisting gelet op het karakter van de stelling en de daarop gegeven toelichtingen voldoende gemotiveerd is. Het hof zal [appellant] overeenkomstig zijn aanbod toelaten tot bewijslevering ter zake van de gestelde betaling van 25 mei 2009.

5 De slotsom

Het hof zal de partijen toelaten om over en weer op verschillende punten (tegen)bewijs te leveren. Verdergaande beslissingen moeten daarop wachten.

6 De beslissing

Het hof, recht doende in hoger beroep:

laat [appellant] toe tot het bewijs van feiten en omstandigheden waaruit blijkt dat hij op of omstreeks 25 mei 2009 aan [geïntimeerde] € 10.000 in contanten heeft overhandigd;

laat [geïntimeerde] toe tot het tegenbewijs tegen de stelling van [appellant], dat de mededelingen van [geïntimeerde] aan [appellant] over een in mei 2009 geplande transactie met een woning in [provincie] in strijd waren met de werkelijkheid;

bepaalt dat, indien partijen dat (tegen)bewijs (mede) door middel van getuigen wensen te leveren, het verhoor van deze getuigen zal geschieden ten overstaan van het hierbij tot raadsheer-commissaris benoemde lid van het hof mr. H.E. de Boer, die daartoe zitting zal houden in het paleis van justitie aan de Walburgstraat 2-4 te Arnhem en wel op een nader door deze vast te stellen dag en tijdstip;

bepaalt dat partijen in persoon bij het getuigenverhoor aanwezig dienen te zijn opdat hen naar aanleiding van de getuigenverklaringen vragen kunnen worden gesteld;

bepaalt dat eerst [appellant] het aantal door hem voor te brengen getuigen alsmede de verhinderdagen van beide partijen, van hun advocaten en van de getuigen zal opgeven op de roldatum 17 september 2013, waarna dag en uur van het verhoor (ook indien voormelde opgave van een of meer van partijen ontbreekt) door de raadsheer-commissaris zullen worden vastgesteld;

bepaalt dat [geïntimeerde] bij gelegenheid van het verhoor van getuigen aan de zijde van [appellant] zal kunnen opgeven in hoeverre hij het tegenbewijs wil leveren door getuigen te laten horen en dat, indien hij dat wil doen, de raadsheer-commissaris dag en uur van dat verhoor zal vaststellen;

bepaalt dat partijen telkens overeenkomstig artikel 170 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de namen en woonplaatsen van de getuigen tenminste een week voor het verhoor van die getuigen aan de wederpartij en de griffier van het hof dienen op te geven;

bepaalt dat indien een partij bij gelegenheid van het getuigenverhoor nog een proceshandeling wenst te verrichten en/of producties in het geding wenst te brengen, deze partij ervoor dient te zorgen dat het hof en de wederpartij uiterlijk twee weken voor de dag van de zitting een afschrift van de te verrichten proceshandeling of de in het geding te brengen producties hebben ontvangen;

houdt verdere beslissingen aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. H.E. de Boer, G.J. Rijken en Th.C.M. Willemse en is in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 3 september 2013.