Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHARL:2013:6280

Instantie
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Datum uitspraak
27-08-2013
Datum publicatie
27-08-2013
Zaaknummer
21-004832-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Net als eerder de rechtbank acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van door beloften en het verschaffen van inlichtingen opzettelijk uitlokken van moord. Toepassing sanctierecht voor jeugdigen; geen toepassing van artikel 77b Sr.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2014/138 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer: 21-004832-12

Uitspraak d.d.: 27 augustus 2013

TEGENSPRAAK

Promis

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Arnhem van

12 november 2012 in de strafzaak tegen

[verdachte (hierna te noemen: P.)],

geboren te [geboorteplaats] op [1996],

thans verblijvende in [detentieadres].

Het hoger beroep

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het hiervoor genoemde vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen van het hof van 4 maart 2013, 11 juli 2013, 12 juli 2013 en 13 augustus 2013 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422 van het Wetboek van Strafvordering, het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal. Deze vordering is na voorlezing aan het hof overgelegd (zie voor de inhoud van de vordering bijlage I). Het hof heeft voorts kennisgenomen van hetgeen door verdachte en haar raadsman,

mr. D. Moszkowicz, naar voren is gebracht.

Het vonnis waarvan beroep

Het hof zal het vonnis waarvan beroep vernietigen om proceseconomische redenen en omdat het met betrekking tot de vorderingen van de benadeelde partij tot een andere beslissing komt. Het hof zal daarom opnieuw rechtdoen.

De tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

[JH.] op of omstreeks 14 januari 2012 te Arnhem,

opzettelijk, al dan niet met voorbedachten rade,

[slachtoffer] (geboren op [1996]) van het leven heeft beroofd,

immers heeft die [JH.] opzettelijk, al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, althans al dan niet na een (kort) tevoren genomen besluit, (met kracht) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans éénmaal, in de nek en/of de hals, althans in het lichaam van die [slachtoffer] gestoken,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] (op 19 januari 2012) is overleden,

welk feit zij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, in of omstreeks de periode van 1 december 2011 tot en met 14 januari 2012 te Rotterdam en/of te Arnhem en/of elders in Nederland, opzettelijk heeft uitgelokt,

door, al dan niet door tussenkomst van [W.], (bij) die [JH.]

-(meermalen) (dwingend en/of dreigend) door middel van Facebook en/of andere sociale media en/of e-mail en/of sms-berichten en/of (een) telefoongesprek(ken) en/of tijdens (een) ontmoeting(en), althans op een andere wijze, te vragen en/of er op aan te dringen om [slachtoffer] te doden en/of

-(daarbij) een geldbedrag aan te bieden en/of

-(daarbij) een papiertje met daarop het adres en/of het telefoonnummer van voorgenoemde [slachtoffer] te geven en/of

-(daarbij) inlichtingen te verschaffen over het tijdstip waarop voornoemde [slachtoffer] thuis zou (moeten) zijn, en/of

-(daarbij) te beloven om bij het uitgaan alle drankjes voor die [JH.] te betalen

-daarbij) (zakelijk weergegeven) (dreigend) te zeggen dat die [JH.] zelf vermoord zou worden, indien hij de opdracht om voornoemde [slachtoffer] om het leven te brengen niet (tijdig) uit zou voeren

en/of

zij op of omstreeks 14 januari 2012 in de gemeente Arnhem, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, [slachtoffer] (geboren op [1996]) van het leven heeft beroofd, immers heeft zij, verdachte, en/of haar, verdachtes mededader(s), opzettelijk, al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, althans al dan niet na een (kort) tevoren genomen besluit, (met kracht) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans éénmaal, in de nek en/of de hals, althans in het lichaam van voornoemde [slachtoffer] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] (op 19 januari 2012) is overleden.

Indien in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Overweging met betrekking tot het bewijs

Inleiding

[JH.] heeft op 14 januari 2012 in Arnhem [slachtoffer] (geboren op [1996]) opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven beroofd, door haar opzettelijk na kalm beraad en rustig overleg met een mes in de hals te steken, ten gevolge waarvan zij op

19 januari 2012 is overleden. [JH.] is hiervoor door de rechtbank Arnhem bij vonnis van 3 september 2012 veroordeeld. Dit vonnis is inmiddels onherroepelijk geworden.

[P.] en [W.] staan in hoger beroep terecht, omdat zij ervan worden verdacht dat zij samen [JH.] hebben uitgelokt deze moord te plegen en/of dat zij samen met [JH.] deze moord hebben gepleegd.

[JH.] heeft direct na zijn aanhouding bij de politie verklaard dat hij in opdracht van [W.] heeft gehandeld. Vervolgens is [W.] aangehouden. Hij heeft kort na zijn aanhouding verklaard dat zijn vriendin [P.] en hij samen [JH.] hebben gekozen om [slachtoffer] uit de weg te ruimen, dat hij [JH.] met instemming van [P.] heeft opgedragen om [slachtoffer] neer te steken en dat hij informatie over [slachtoffer], die hij van [P.] had gekregen, aan [JH.] heeft doorgegeven. Daarop is [P.] door de politie aangehouden en verhoord. Zij heeft tijdens haar tweede en derde verhoor verklaard dat zij [slachtoffer] dood wilde hebben, dat zij dit tegen [W.] heeft gezegd, dat zij erbij was toen [W.] en [JH.] met elkaar bespraken dat [slachtoffer] dood moest en dat zij heeft verteld waar [slachtoffer] woonde en wanneer [slachtoffer] thuis zou zijn.

In een later stadium zijn [JH.], [W.] en [P.] anders gaan verklaren althans hebben zij hun eerdere verklaringen anders ingekleurd, in die zin dat [W.] en [JH.] vooral [P.] zijn gaan beschuldigen en dat [P.] vooral [W.] is gaan beschuldigen. [JH.] is zowel in eerste aanleg ten overstaan van de rechter-commissaris als ter terechtzitting in hoger beroep teruggekomen op zijn eerste verklaring bij de politie, door te stellen dat hij niet in opdracht van [W.] maar in opdracht van [P.] heeft gehandeld en dat zij de aanstichtster van de moord is geweest.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal gaat uit van de eerste verklaringen van [W.] en [JH.] en de tweede en derde verklaring van [P.], die zij tegenover de politie hebben afgelegd. Hij acht deze verklaringen het meest betrouwbaar, omdat deze kort na het feit zijn afgelegd en zij elkaar op wezenlijke punten ondersteunen zonder dat overleg tussen [W.], [P.] en [JH.] heeft plaatsgevonden.

Op basis van deze verklaringen en de overige door de rechtbank gebruikte bewijsmiddelen stelt de advocaat-generaal zich op het volgende standpunt. [W.] en [P.] hebben samen het plan opgevat om [slachtoffer] te laten doden. Zij hebben [JH.] verzocht om [slachtoffer] te doden. Vervolgens heeft [W.] -na overleg met en/of in het bijzijn van [P.]- steeds contact gezocht met [JH.]. [W.] heeft [JH.] gezegd dat hij [slachtoffer], als ze niet zou luisteren, moest steken (of pijn moest doen). Er is door [P.], [W.] en [JH.] gedurende een langere periode meermalen gesproken over het doodmaken van [slachtoffer]. Op 25 december 2011 heeft [W.] in Prinsenbeek aan [JH.] in aanwezigheid van [P.] laten weten dat [slachtoffer] dood moest. [P.] heeft [JH.] geld geboden tijdens die ontmoeting. [P.] heeft daarnaast informatie over [slachtoffer] opgezocht in het schoolsysteem en die samen met informatie over het huis van [slachtoffer] en de tijdstippen waarop [slachtoffer] thuis zou zijn aan [W.] gegeven, die er op zijn beurt voor heeft gezorgd dat [JH.] de informatie kreeg. [P.] en [W.] hebben zich gedurende langere tijd nooit gedistantieerd van het plan om [slachtoffer] van het leven te laten beroven. [W.] was zelfs in staat om het plan stop te zetten en vervolgens weer te activeren. [P.] drong er meermalen op aan om het plan uit te voeren. [W.] heeft [JH.] meerdere deadlines gegeven en hij heeft [JH.] vuurwerk gegeven met het doel om [slachtoffer] te laten schrikken.

Gelet op deze gedragingen is er volgens de advocaat-generaal sprake van een bewuste en nauwe samenwerking tussen [W.], [P.] en [JH.]. De advocaat-generaal acht wettig en overtuigend bewezen dat [P.] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van uitlokking van moord en het medeplegen van moord.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft betoogd dat [P.] dient te worden vrijgesproken van het haar ten laste gelegde, omdat niet bewezen kan worden dat zij opzet - ook niet in voorwaardelijke zin - heeft gehad op de dood van [slachtoffer]. Daartoe heeft de raadsman het volgende aangevoerd.

Alle verklaringen van [W.] en de verklaringen van [JH.] tegenover de rechter-commissaris en het hof zijn dermate onbetrouwbaar dat zij van het bewijs moeten worden uitgesloten. Het hof zou in elk geval meer waarde moeten hechten aan de verklaringen van [P.] en de verklaringen van [JH.] die zijn afgelegd op het moment dat zij nog geen inzage hadden gehad in de processtukken en andermans verklaringen. De eerste verklaringen van [JH.] tegenover de politie zijn helder, (in grote lijnen) consistent en erg gedetailleerd. Bovendien vinden deze verklaringen steun in de verklaringen van andere getuigen. Er is geen reden om aan te nemen dat [JH.] in zijn eerdere verhoren niet naar waarheid verklaart. [JH.] verklaart bij de rechter-commissaris ineens anders, zonder dat hij voor die wijziging een aannemelijke verklaring heeft. Ook is opvallend dat de verklaringen van [JH.] wijzigen, nadat hij en [W.] bij elkaar in de leefgroep in detentie verblijven. Niet valt uit te sluiten dat zij overleg hebben gepleegd over de af te leggen verklaringen. [W.] en [JH.] hebben hun verklaringen aangepast nadat zij het dossier hebben gelezen, terwijl [P.] over de meeste punten een consistente en plausibele verklaring heeft afgelegd.

Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs dat [P.] [W.] en/of [JH.] onder druk heeft gezet of heeft bedreigd en een geldbedrag of iets anders heeft beloofd. [P.] erkent weliswaar dat zij het adres van [slachtoffer] aan [W.] heeft gegeven en aan [W.] heeft aangegeven wanneer [slachtoffer] thuis zou zijn, maar daarmee staat nog niet vast dat zij ook wilde dat [slachtoffer] zou komen te overlijden. Er kan niet buiten redelijke twijfel worden uitgesloten dat de wil van [P.] op iets anders was gericht dan op de dood van [slachtoffer], bijvoorbeeld op mishandeling van [slachtoffer]. [P.] heeft aanvankelijk gezegd dat zij wilde dat [slachtoffer] doodging, maar dat was slechts een uiting van frustratie en geen opdracht. [P.] heeft niet kunnen voorzien dat [W.] en [JH.] daadwerkelijk het plan hadden opgevat om [slachtoffer] om het leven te brengen.

Oordeel van het hof

Gebruik en waardering verklaringen [JH.], [W.] en [P.]

Het hof constateert dat [JH.] en [W.] hun verklaringen hebben aangepast nadat zij bij elkaar in een busje van justitie hebben gezeten. Verder volgt uit het dossier dat [JH.] en [W.] vóór het eerste verhoor van [JH.] bij de rechter-commissaris (op 5 juni 2012) vanaf 27 februari 2012 in [justitiële jeugdinrichting] in dezelfde leefgroep hebben verbleven, waar zij contact met elkaar hebben gehad. Volgens de gedragsdeskundige drs. J.K. Oomen, die in [justitiële jeugdinrichting] werkzaam is, wilde [JH.] in die periode vrienden met [W.] worden. Het hof acht het niet aannemelijk dat [JH.] en [W.] toen niet inhoudelijk met elkaar over deze zaak hebben gesproken. [JH.] heeft op 5 juni 2012 bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting van het hof van 11 juli 2013 verklaard dat hij bij de politie anders heeft verklaard omdat hij bang was voor [P.]. Voor deze stelling is in het dossier evenwel geen steun te vinden. Voorts heeft [JH.] desgevraagd ter zitting van het gerechtshof op 11 juli 2013 geen althans geen aannemelijke verklaring gegeven voor de (door hem gestelde) omstandigheid dat [P.] hem (buiten de aanwezigheid van [W.]) zou hebben benaderd om [slachtoffer] te vermoorden, terwijl [P.] hem -in tegenstelling tot [W.]- nauwelijks kende. Volgens de latere verklaring van [JH.] zou hij niet met [W.] maar met [P.] via Facebook en via de telefoon hebben gesproken over het vermoorden van [slachtoffer]. [P.] zou daarbij gebruik hebben gemaakt van het Facebookaccount en de telefoon van [W.]. Uit het dossier volgt dat het betreffende chatgesprek op Facebook plaatsvond in de nacht van 12 op 13 januari 2012. [P.] was op dat moment nog niet in Rotterdam en kan dus niet op de computer van [W.] een chatgesprek hebben gevoerd met [JH.]. Voor zover [JH.] enkel heeft willen betogen dat [P.] op dat moment van het Facebookaccount van [W.] gebruik maakte, is dat onaannemelijk omdat in het betreffende gesprek om 00.02 uur tegen [JH.] gezegd wordt “Bel j zo” en er vervolgens om 00.13 uur en 00.29 uur met de telefoon van [W.] naar de telefoon van [JH.] wordt gebeld. Het hof acht het niet aannemelijk dat de in Arnhem wonende [P.] op dat moment in het bezit was van de telefoon van de in Rotterdam wonende [W.], aangezien zij toen nog niet bij [W.] was. Daarbij komt dat een aantal uren later met de telefoon van [W.] is gebeld naar de telefoon van [P.]. De stelling dat [P.] in het bezit was van de telefoon van [W.] zou betekenen dat [P.] zichzelf heeft gebeld, hetgeen het hof niet aannemelijk acht.

Voorts constateert het hof dat ook [P.] anders is gaan verklaren, althans haar verklaringen anders heeft ingekleurd. Dat is zij gaan doen nadat zij is geconfronteerd met de latere, meer voor haar belastende verklaringen van [W.] en [JH.]. Gelet op het voorgaande hecht het hof geen waarde aan de latere verklaringen van [W.], [JH.] en [P.].

Het hof gaat uit van de eerste en de tweede verklaring van [W.], de eerste en de tweede verklaring van [JH.] en de tweede en derde verklaring van [P.], die zij bij de politie hebben afgelegd. Het hof acht deze verklaringen het meest betrouwbaar, nu deze kort na het feit zijn afgelegd, het meest feitelijk zijn en deze elkaar op wezenlijke punten ondersteunen zonder dat overleg tussen [W.], [P.] en [JH.] heeft plaatsgevonden.

Vaststelling van de feiten en bewezenverklaring

Met overneming van overwegingen van de rechtbank komt het hof op grond van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting tot de volgende vaststelling van feiten en bewezenverklaring.

[P.] en [slachtoffer] zijn aanvankelijk vriendinnen, totdat zij eind 2011 ruzie met elkaar krijgen. Die ruzie wordt op 19 november 2011 zichtbaar tijdens een feestje van een gezamenlijke vriend. [P.] en [slachtoffer] schreeuwen die avond naar elkaar, ze schelden elkaar uit en er wordt over en weer geduwd. [W.], die vanaf oktober 2011 een relatie heeft met [P.], is hier bij aanwezig. Na deze avond wordt de ruzie erger. Op 26 november 2011 stuurt [W.] een sms-bericht naar [slachtoffer] met de tekst: “Ik zeg je één ding als je nog dingen over [P.] lult dan ga je eraan jankerd (…)”. [P.] weet dat [W.] [slachtoffer] een sms-bericht stuurt met de bedoeling dat [slachtoffer] ophoudt en ze kent de inhoud van het sms-bericht dat [slachtoffer] terugstuurt, waar [P.] boos over wordt.

[P.] haat [slachtoffer] en ze wil dat [slachtoffer] doodgaat. Ze zegt ook tegen [W.] dat zij [slachtoffer] dood wil hebben, dat zij [slachtoffer] uit de weg geruimd wil hebben. Als [W.] zegt dat [slachtoffer] eraan gaat, dat zij dood gaat, zegt [P.] dat [W.] het niet zelf moet doen, omdat zij weet dat [W.] bang is voor bloed. Hij moet iemand uitkiezen om [slachtoffer] af te maken. [W.] komt dan met het idee om [JH.] te vragen om [slachtoffer] uit de weg te ruimen. Hij kent [JH.]. Hij weet dat [JH.] een mes heeft en dat [JH.] vaker mensen heeft gestoken. Hij bespreekt zijn plan met [P.]. [W.] vertelt [P.] dat het niet de eerste keer is voor [JH.]. Samen kiezen ze ervoor om [JH.] te vragen. [W.] vraagt [JH.] op 9 december 2011 in een club in Rotterdam om iemand de mond te snoeren. [P.], [W.] en [JH.] ontmoeten elkaar een aantal keren. [P.] is er bij als [W.] [JH.] vraagt om [slachtoffer] dood te maken. [W.] zegt tegen [JH.] dat hij [slachtoffer] moet neersteken. Als [JH.] [slachtoffer] de mond snoert, zal hij een beloning krijgen. [W.] zegt dat hij bij het uitgaan de drankjes zal betalen als [JH.] het doet. [P.] zegt tegen [W.] dat [JH.] geld van haar krijgt als hij [slachtoffer] doodmaakt. [JH.] gaat op zoek naar mensen die hem zouden kunnen helpen en praat in dat kader ook met anderen over de opdracht. Tegen [getuige 1] zegt hij dat hij de opdracht heeft om [slachtoffer] dood te maken en dat hij daarvoor geld krijgt van zijn opdrachtgever. Verder vertelt hij dat hij [slachtoffer] met een mes gaat doodmaken en dat hij weet dat [slachtoffer] op 14 januari 2012 thuis is, omdat ze die dag pianoles heeft. [JH.] vraagt [getuige 2] in eerste instantie om bij de woning van een meisje vuurwerk door de ruit naar binnen te gooien. Later zegt hij dat [getuige 2] en hij het meisje “gaan laten slapen”. Het meisje moet de mond gesnoerd worden. Ook [W.] spreekt met anderen over het plan om [slachtoffer] dood te maken. Tegen [getuige 3] zegt hij dat [P.] wil dat hij [slachtoffer] vermoordt en dat hij daarvoor [JH.] wil gebruiken.

Op 25 december 2011 vindt er een ontmoeting plaats tussen [JH.], [W.] en [P.] bij een snackbar in Prinsenbeek (Breda). [W.] vraagt dan aan [JH.] of hij het nog steeds wil doen. [P.] zegt tegen [JH.] dat ze het adres van [slachtoffer] aan hem zal doorgeven en dat zij [slachtoffer] dood wil hebben. [JH.] vraagt [W.] om een pistool, maar [W.] geeft aan dat hij er geen kan leveren. [W.] en [P.] spreken eerst af dat het in 2011 moet gebeuren. Het plan is eind december 2011 stopgezet. [P.] is het daar niet mee eens. Op 6 januari 2012 vraagt [W.] [JH.] om het alsnog te doen. [P.] zegt tegen [W.] dat het vrijdag of zaterdag moet gebeuren. [W.] belt [JH.] vervolgens een paar keer om te zeggen dat hij het moet doen en dat hij moet opschieten. Hij zegt tegen [JH.] dat hij hem zal laten schrikken met illegaal vuurwerk, een Cobra 6, als hij het niet doet. [W.] geeft aan dat het vóór zaterdag moet gebeuren. In de kerstvakantie heeft [P.] het adres van [slachtoffer] bij [W.] thuis op internet opgezocht, via de Magister-site van school. [W.] maakt een foto van deze site. [P.] vertelt [W.] ook dat je met buslijn 5 bij het huis van [slachtoffer] komt en dat er stickers zitten op de ramen van de woning. [W.] schrijft het adres van [slachtoffer], een beschrijving van de stickers en de aanwijzingen met welke bus je bij het huis van [slachtoffer] komt, op een papiertje over en geeft dat vervolgens ongeveer een week vóór 14 januari 2012 aan [JH.]. [JH.] had dit briefje op zak toen hij op 14 januari 2012 werd aangehouden door de politie. [JH.] gaat op donderdag 12 januari 2012 vanuit zijn woonplaats Rotterdam naar het huis van [slachtoffer] in Arnhem.

Getuigen zien [JH.] die dag in de buurt van de woning van [slachtoffer]. [P.] vraagt die dag via BlackBerry messenger aan een klasgenoot van [slachtoffer] om aan haar door te geven wanneer en hoe [slachtoffer] van school naar huis gaat. [P.] geeft die informatie telefonisch door aan [W.] en [W.] op zijn beurt aan [JH.]. Als [JH.] in Arnhem is, belt [W.] telkens weer met hem en met [P.]. [JH.] vindt evenwel dat het te lang duurt voordat [slachtoffer] thuis komt en hij besluit daarom terug te gaan naar Rotterdam. [P.] is daar erg boos over. In de nacht van 12 op 13 januari 2012 vindt er via Facebook een gesprek plaats tussen [W.] en [JH.], waarbij afgesproken wordt dat [JH.] op

14 januari 2012 naar het huis van [slachtoffer] zal gaan en het hele gezin zal afmaken. Tijdens dat gesprek praat [W.] met [P.]. Hij vertelt haar wat het plan is en zij stemt daarmee in. [P.] vertelt dat [slachtoffer] op 14 januari 2012 tot ongeveer 16.00 uur thuis pianoles heeft en dat de vader van [slachtoffer] en het broertje van [slachtoffer] die dag misschien ook thuis zijn. [W.] belt op 13 januari 2012 met [JH.], waarbij [JH.] aangeeft dat het de volgende dag zal gebeuren. [P.] en [W.] zijn op 14 januari 2012 de hele dag samen in (de buurt van) Rotterdam. [W.] belt [JH.] die dag een aantal keren. [W.] belt om te vragen of [JH.] nog gaat. [W.] zegt tegen [JH.] dat hij het moet doen. [JH.] gaat op 14 januari 2012 opnieuw naar de woning van [slachtoffer], zoals is afgesproken met [W.] en [P.]. [JH.] heeft ook die dag een mes bij zich. Eenmaal in de woning pakt [JH.] zijn mes en steekt hij [slachtoffer] neer, ten gevolge waarvan [slachtoffer] op 19 januari 2012 overlijdt.

Het hof leidt uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden af dat [P.] en [W.] beiden opzet hebben gehad op het uitlokken van de moord op [slachtoffer] en op de dood van [slachtoffer]. Samen hebben zij [JH.] aangezet tot het begaan van de moord, hebben ze hem een beloning in het vooruitzicht gesteld, hebben ze hem inlichtingen verschaft en hebben ze bij hem op het plegen van de moord op [slachtoffer] aangedrongen. Tussen [P.] en [W.] heeft een zodanige nauwe en bewuste samenwerking bestaan dat van medeplegen van uitlokking van moord sprake is. Noch [P.] noch [W.] heeft zich uiteindelijk gedistantieerd van (de uitvoering van) het plan om [slachtoffer] te vermoorden. Zij hebben er daarentegen een dag vóór de moord nogmaals uitdrukkelijk mee ingestemd. Gelet op het hiervoor overwogene acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat [P.] zich schuldig heeft gemaakt aan het ten laste gelegde medeplegen van uitlokking van moord.

Aan [P.] is alternatief/cumulatief (het medeplegen van) moord ten laste gelegd. Voor zover dit feit alternatief is ten laste gelegd, komt het hof daar niet aan toe. Voor zover het cumulatief is ten laste gelegd, komt het hof tot een vrijspraak. Vaststaat dat [P.] [slachtoffer] niet zelf heeft vermoord, maar deze moord door [JH.] heeft laten uitvoeren. Het hof acht dan ook niet bewezen dat [P.] zich schuldig heeft gemaakt aan moord.

Het hof acht evenmin bewezen dat [P.] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van moord. Voor medeplegen is nodig het verrichten van enige uitvoeringshandeling en/of een nauwe en bewuste samenwerking ter uitvoering van het delict. Naar het oordeel van het hof is er onvoldoende bewijs voorhanden dat [P.], die wat betreft de ten laste gelegde moord geen uitvoeringshandeling heeft verricht en daarbij evenmin aanwezig is geweest, ter uitvoering van een gezamenlijk plan zo nauw en bewust met een ander of anderen bij wezenlijke onderdelen van de uitvoering heeft samengewerkt dat op grond daarvan kan worden aangenomen dat zij die moord heeft medegepleegd. Het hof zal [P.] daarom vrijspreken van het cumulatief ten laste gelegde medeplegen van moord.

Bewezenverklaring

Door wettige bewijsmiddelen, waarin zijn vervat de redengevende feiten en omstandigheden waarop de bewezenverklaring steunt, heeft het hof de overtuiging gekregen en acht het hof wettig bewezen, dat verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

[JH.] op of omstreeks 14 januari 2012 te Arnhem,

opzettelijk, al dan niet met voorbedachten rade,

[slachtoffer] (geboren op [1996]) van het leven heeft beroofd,

immers heeft die [JH.] opzettelijk, al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, althans al dan niet na een (kort) tevoren genomen besluit, (met kracht) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans éénmaal, in de nek en/of de hals, althans in het lichaam van die [slachtoffer] gestoken,

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] (op 19 januari 2012) is overleden,

welk feit zij, verdachte, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, in of omstreeks de periode van 1 december 2011 tot en met 14 januari 2012 te Rotterdam en/of te Arnhem en/of elders in Nederland, opzettelijk heeft uitgelokt,

door, al dan niet door tussenkomst van [W.], (bij) die [JH.]

-(meermalen) (dwingend en/of dreigend) door middel van Facebook en/of andere sociale media en/of e-mail en/of sms-berichten en/of (een) telefoongesprek(ken) en/of tijdens (een) ontmoeting(en), althans op een andere wijze, te vragen en/of er op aan te dringen om [slachtoffer] te doden en/of

-(daarbij) een geldbedrag aan te bieden en/of

-(daarbij) een papiertje met daarop het adres en/of het telefoonnummer van voorgenoemde [slachtoffer] te geven en/of

-(daarbij) inlichtingen te verschaffen over het tijdstip waarop voornoemde [slachtoffer] thuis zou (moeten) zijn, en/of

-(daarbij) te beloven om bij het uitgaan alle drankjes voor die [JH.] te betalen

-daarbij) (zakelijk weergegeven) (dreigend) te zeggen dat die [JH.] zelf vermoord zou worden, indien hij de opdracht om voornoemde [slachtoffer] om het leven te brengen niet (tijdig) uit zou voeren

en/of

zij op of omstreeks 14 januari 2012 in de gemeente Arnhem, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, [slachtoffer] (geboren op [1996]) van het leven heeft beroofd, immers heeft zij, verdachte, en/of haar, verdachtes mededader(s), opzettelijk, al dan niet na kalm beraad en rustig overleg, althans al dan niet na een (kort) tevoren genomen besluit, (met kracht) met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, meermalen, althans éénmaal, in de nek en/of de hals, althans in het lichaam van voornoemde [slachtoffer] gestoken, tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] (op 19 januari 2012) is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard, zodat deze daarvan behoort te worden vrijgesproken.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

het bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van door beloften en het verschaffen van inlichtingen opzettelijk uitlokken van moord.

Strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar aangezien geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk geworden die verdachte niet strafbaar zou doen zijn.

Oplegging van straf en/of maatregel

Oordeel van de rechtbank

De rechtbank heeft [P.] in eerste aanleg met toepassing van het sanctierecht voor jeugdigen ter zake van het medeplegen van uitlokking van moord veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 24 maanden, met aftrek van de tijd die [P.] in voorarrest heeft doorgebracht. Daarnaast heeft de rechtbank [P.] de PIJ-maatregel opgelegd.

Standpunt van het Openbaar Ministerie

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat [P.] ter zake van het medeplegen van uitlokking van moord en het medeplegen van moord wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van de tijd die [P.] in voorarrest heeft doorgebracht, en dat haar daarnaast de TBS-maatregel wordt opgelegd.

De advocaat-generaal heeft zich op het standpunt gesteld dat voldaan is aan de voorwaarden voor het toepassen van het sanctierecht voor volwassenen. [P.] was gedurende een deel van de ten laste gelegde periode vijftien jaar oud. Het zwaartepunt van de ten laste gelegde gedragingen ligt evenwel ná 10 januari 2012, het moment waarop [P.] zestien jaar werd. Dit betekent dat het mogelijk is om te kiezen voor toepassing van het sanctierecht voor volwassenen. Gezien de ernst van de zaak, de uitzonderlijke omstandigheden waaronder het feit gepleegd is en de rol van [P.] hierbij is de toepassing van dit sanctierecht ook gerechtvaardigd. De advocaat-generaal ziet in de persoon van [P.] en de bij haar bestaande mate van persoonlijkheidsproblematiek geen dwingende reden om het jeugdsanctierecht toe te passen. In elk geval ziet de advocaat-generaal hierin geen contra-indicatie voor het toepassen van het volwassenensanctierecht. Voorts heeft de advocaat-generaal betoogd dat onvoldoende helder is geworden of de maximale duur van de PIJ-maatregel, te weten zeven jaar, toereikend zal zijn om het recidiveniveau tot een acceptabel niveau te verlagen, terwijl een TBS-maatregel in dit geval niet in tijd begrensd is.

Volgens de advocaat-generaal hoeft toepassing van het volwassenensanctierecht geen beletsel te vormen voor de behandeling van [P.], aangezien het hof zou kunnen bepalen dat de TBS-maatregel na ommekomst van een derde van de gevangenisstraf dient te worden aangevangen en dat deze maatregel in een PIJ-inrichting ten uitvoer dient te worden gelegd. Gezien de duur van het reeds ondergane voorarrest zou dat betekenen dat [P.] niet naar de gevangenis hoeft, maar vrijwel meteen in een PIJ-inrichting kan worden geplaatst.

Standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, indien het hof tot een bewezenverklaring komt, verzocht om het jeugdsanctierecht toe te passen. Voorts heeft hij, indien het hof [P.] de PIJ-maatregel oplegt, verzocht om een jeugddetentie gelijk aan de duur van het voorarrest op te leggen.

Volgens de raadsman moet vanwege de persoon van [P.] het jeugdsanctierecht worden toegepast. [P.] was gedurende het grootste gedeelte van de ten laste gelegde periode jonger dan zestien jaar. De gedragsdeskundigen die over [P.] hebben gerapporteerd, zien heil in het behandelen van [P.] als minderjarige. De door de advocaat-generaal aangehaalde zaken zijn niet vergelijkbaar met de onderhavige zaak. Er zijn onvoldoende omstandigheden die erop wijzen dat zich een zodanig uitzonderlijke situatie voordoet dat het volwassenensanctierecht moet worden toegepast. Als de PIJ-maatregel wordt opgelegd, is het in het belang van [P.] dat zij zo spoedig met de behandeling kan starten.

Oordeel van het hof

Het hof acht na te melden strafoplegging in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. In het bijzonder neemt het hof het volgende in aanmerking.

[P.] en haar toenmalige vriend [W.] hebben [JH.] uitgelokt om [slachtoffer] te vermoorden, omdat [P.] en [slachtoffer] ruzie met elkaar hadden. Zij hebben [JH.] een beloning in het vooruitzicht gesteld en hebben hem aanwijzingen gegeven over de verblijfplaats van [slachtoffer], hoe hij daar moest komen en wanneer ze thuis zou zijn. In de lange aanloop naar het delict had [P.] op diverse momenten de mogelijkheid om [JH.] te stoppen, maar dat heeft zij niet gedaan. Integendeel. [W.] en [P.] hebben er bij [JH.] meermalen op aangedrongen dat [slachtoffer] zou worden gedood. Uiteindelijk heeft [JH.] [slachtoffer] op klaarlichte dag in haar eigen woning met een mes in haar hals gestoken, tengevolge waarvan [slachtoffer] vijf dagen later is overleden. De aanval vond plaats terwijl haar twaalfjarig broertje en haar vader in de woning aanwezig waren en zij direct na de aanval [slachtoffer] badend in het bloed aantroffen. De vader van [slachtoffer] raakte bovendien zelf ernstig gewond toen hij [JH.] probeerde te overmeesteren. Verscheidene buurtbewoners zijn geconfronteerd met de gevolgen van de aanval. Zij hebben onder meer gezien dat de vader van [slachtoffer] bloedde en in elkaar zakte. Met haar handelen heeft [P.] onvoorstelbaar en onherstelbaar leed aangericht bij de nabestaanden van [slachtoffer], in het bijzonder bij haar ouders en haar broertje. Uit de verklaring die de moeder van [slachtoffer] ter terechtzitting in hoger beroep heeft afgelegd, blijkt dat zij het verlies van haar dochter nauwelijks weet te dragen. De vader van [slachtoffer] heeft verklaard dat hij vol woede en verdriet zit en dat hij maar niet kan bevatten dat hun dochter op een zo gewelddadige manier uit hun leven is gerukt. Door dit feit is ook de samenleving diep geschokt, mede gezien de jonge leeftijd van de daders. Het is onbegrijpelijk dat een ruzie tussen jongeren heeft kunnen leiden tot deze gruwelijke moord.

[P.] was ten tijde van het plegen van het feit deels vijftien jaar en deels zestien jaar oud. In artikel 77i, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht is bepaald dat de duur van de jeugddetentie maximaal twaalf maanden bedraagt voor een minderjarige die ten tijde van het begaan van het misdrijf nog geen zestien jaar oud is. Is een minderjarige op dat moment ouder dan zestien jaar, dan bedraagt de duur van de jeugddetentie maximaal vierentwintig maanden. Het hof is van oordeel dat er sprake is van een voortdurend delict, waarbij het zwaartepunt van de bewezen verklaarde gedragingen ligt in de periode nadat [P.] zestien jaar was geworden. Bovendien heeft [P.] haar wilsbesluit, te weten het medeplegen van uitlokking van de moord op [slachtoffer], in die periode ook nog eens bevestigd. Het hof zal daarom bij de strafoplegging uitgaan van een leeftijd van zestien jaar.

Ten aanzien van minderjarige daders wordt in beginsel het sanctierecht voor jeugdigen toegepast. Op grond van het bepaalde in artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht kan ten aanzien van minderjarigen die ten tijde van het begaan van het strafbare feit de leeftijd van zestien hebben bereikt, het sanctierecht voor jeugdigen buiten toepassing worden gelaten en recht worden gedaan overeenkomstig het sanctierecht voor volwassenen, indien daartoe grond wordt gevonden in de ernst van het begane feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan.

Zoals hiervoor overwogen, heeft [P.] zich schuldig gemaakt aan een uitzonderlijk ernstig feit. Gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het is begaan, zou toepassing van het volwassenensanctierecht gerechtvaardigd kunnen zijn.

Net als de rechtbank ziet het hof in de persoonlijkheid van [P.] evenwel zwaarwegende redenen om niet af te wijken van de hoofdregel dat minderjarige daders overeenkomstig het jeugdsanctierecht worden bestraft.

Wat betreft de persoon van [P.] heeft het hof in het bijzonder acht geslagen op de rapporten van GZ-psycholoog dr. M. ten Berge van 7 augustus 2012 en 22 juni 2013, de rapporten van kinder- en jeugdpsychiater dr. N. Duits van 8 augustus 2012 en 24 juni 2013 en het rapport van de Raad voor de Kinderbescherming van 28 juni 2013.

In het rapport van GZ-psycholoog dr. M. ten Berge van 7 augustus 2012 komt het volgende naar voren:

(vanwege de privacy van de minderjarige verdachte is de inhoud van dit rapport weggelaten)

In het aanvullend rapport van 22 juni 2013 komt GZ-psycholoog dr. M. ten Berge tot de volgende constateringen en conclusies:

(vanwege de privacy van de minderjarige verdachte is de inhoud van dit rapport weggelaten)

Ter terechtzitting van het hof van 12 juli 2013 heeft GZ-psycholoog dr. M. ten Berge nogmaals aangegeven dat zij oplegging van de PIJ-maatregel in deze zaak meer geëigend vindt dan oplegging van de TBS-maatregel, gelet op het ontwikkelingsniveau en de leeftijd van [P.]. Een behandeling heeft volgens de deskundige de meeste kans van slagen als deze plaatsvindt in een klinische setting met structuur en begrenzing, waar aandacht is voor behandeling en heropvoeding en waar ook het gezin bij de behandeling betrokken wordt.

In het rapport van kinder- en jeugdpsychiater dr. N. Duits van 8 augustus 2012 komt het volgende naar voren:

(vanwege de privacy van de minderjarige verdachte is de inhoud van dit rapport weggelaten)

In het aanvullend rapport van 24 juni 2013 blijft kinder- en jeugdpsychiater dr. N. Duits bij zijn eerdere diagnose en advies. Hij herhaalt dat toepassing van het volwassenensanctierecht niet geïndiceerd is.

Ter terechtzitting van het hof van 11 juli 2013 heeft kinder- en jeugdpsychiater dr. N. Duits verklaard dat hij oplegging van de PIJ-maatregel in deze zaak geschikter acht dan oplegging van de TBS-maatregel, omdat de PIJ-maatregel op heropvoeding is gericht en het (gezins)systeem erbij betrekt.

De Raad voor de Kinderbescherming heeft in het rapport van 28 juni 2013 aangegeven zich geheel te kunnen vinden in het advies van de deskundigen dr. Ten Berge en dr. Duits.

Eén van de uitgangspunten van het jeugdsanctierecht is dat minderjarigen zich nog niet volledig ontwikkeld hebben en dat zij om die reden niet dezelfde strafrechtelijke verantwoordelijkheid dragen als volwassenen en dat een achterstand of scheefgroei in de ontwikkeling nog kan worden omgebogen. Het jeugdsanctierecht heeft daarom een sterk pedagogisch karakter. In het jeugdsanctierecht ligt de nadruk meer op de persoon van de verdachte en op gedragsbeïnvloeding/heropvoeding dan op vergelding. Uit de rapporten van de genoemde deskundigen volgt dat er bij [P.] sprake is van een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en van een tekortschietende opvoeding door de ouders. De deskundigen achten het noodzakelijk dat [P.] wordt behandeld. Verder geven zij aan dat het van belang is dat ook de ouders van [P.] bij de behandeling worden betrokken. Vanwege het pedagogisch karakter en de systeemgerichte benadering biedt het jeugdsanctierecht volgens de deskundigen betere mogelijkheden om de scheefgroei van de ontwikkeling van [P.] te compenseren dan het volwassenensanctierecht. De deskundigen adviseren daarom om het jeugdsanctierecht toe te passen.

Het hof neemt deze conclusie over en maakt deze tot de zijne. Het is niet alleen in het belang van [P.], maar ook in het belang van de samenleving dat zij een behandeling krijgt die de meeste kans van slagen heeft. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de deskundige dr. N. Duits ter terechtzitting van het hof weliswaar heeft uitgesloten dat een behandeling van [P.] van korte duur zal zijn, maar dat de gedragsdeskundigen in hun adviezen niet hebben gesteld dat de in vergelijking met de TBS-maatregel beperktere maximale duur van de PIJ-maatregel een beletsel vormt voor oplegging van die maatregel in deze zaak. Beklemtoond wordt dat bij eventuele verlenging de PIJ-maatregel toch een niet onaanzienlijke periode van zeven jaar kan beslaan, aansluitend op de jeugddetentie.

Verder betrekt het hof in zijn oordeel dat [P.] ten tijde van het ten laste gelegde functioneerde in een groep van louter jeugdigen. [P.] was bovendien nog maar net zestien jaar oud en zat daarmee aan de ondergrens van artikel 77b van het Wetboek van Strafrecht. Gelet op het voorgaande zal het hof geen toepassing geven aan het bepaalde in voornoemd artikel. Het hof begrijpt dat dit vanuit het oogpunt van vergelding misschien onbevredigend kan lijken, in het bijzonder voor de nabestaanden van [slachtoffer]. Voor de maatschappij en voor alle betrokkenen is het echter van belang dat bij jeugdige verdachten naast vergelding in belangrijke mate wordt ingezet op verbetering van de persoon en het voorkomen van herhaling. Daarmee wordt niets afgedaan aan de ernst van het feit en het verdriet van de nabestaanden. Hun verdriet kan op geen enkele wijze gecompenseerd worden, ook niet door het strafrecht.

Het hof neemt ook voor het overige de hiervoor weergegeven overwegingen en conclusies van de gedragsdeskundigen dr. M. ten Berge en dr. N. Duits over en maakt deze tot de zijne.

Uit een haar betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 20 juni 2013 volgt dat [P.] niet eerder is veroordeeld.

Vanwege de ernst van het feit is naar het oordeel van het hof enkel de maximale straf voor jeugdigen passend, te weten een onvoorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van

24

maanden.

Kinder- en jeugdpsychiater dr. N. Duits heeft in zijn laatste rapport op basis van [P.]’s psychopathologie en de gestructureerde risicotaxatie de kans op gewelddadige recidive zonder interventie ingeschat op matig tot hoog, zowel proactief als reactief. GZ-psycholoog dr. M. ten Berge heeft zich niet concreet uitgelaten over de kans op recidive. Uit haar rapport van 7 augustus 2012 blijkt evenwel dat, gelet op de sociaal-emotionele ontwikkeling en de beperkte empathische vermogens van [P.], de kans op dwingend, manipulatief of instrumenteel gedrag op interpersoonlijk vlak aanwezig blijft. Het hof is van oordeel dat, zonder behandeling in een PIJ-kader, de kans op recidive reëel te achten is.

Gelet op de ernst van het gepleegde feit, de ernst van de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van [P.] en de noodzaak tot behandeling om recidive tegen te gaan, zal het hof naast de maximale jeugddetentie een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel opleggen. Aan de wettelijke voorwaarden daarvoor is voldaan. [P.] wordt veroordeeld voor een feit waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten. De veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen en goederen eist het opleggen van de maatregel en de maatregel is in het belang van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van [P.]. Over [P.] zijn twee met redenen omklede, gedagtekende en ondertekende adviezen uitgebracht, waaronder één van een psychiater.

Met het oog op een eventuele verlenging van de duur van de maatregel stelt het hof vast dat de maatregel wordt opgelegd voor een misdrijf dat gericht is tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon.

Vorderingen van de benadeelde partij [vader van het slachtoffer]

De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met twee vorderingen tot schadevergoeding. Als slachtoffer vordert de benadeelde partij € 17.254,91 vermeerderd met de wettelijke rente. Deze vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 9.336,50. Als nabestaande vordert de benadeelde partij

€ 9.331,24 vermeerderd met de wettelijke rente. Deze vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen tot een bedrag van € 9.036,20. De benadeelde partij heeft in hoger beroep te kennen gegeven de oorspronkelijke vorderingen te willen handhaven.

Naar het oordeel van hof staat vast dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van [P.] rechtstreeks schade heeft geleden. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de gemachtigde van de benadeelde partij evenwel verklaard dat [JH.], die onherroepelijk is veroordeeld, een deel van de gestelde schade heeft vergoed en dat het Schadefonds Geweldsmisdrijven het andere deel definitief heeft uitgekeerd. Volgens de gemachtigde zijn beide vorderingen inmiddels volledig voldaan. Dit betekent dat aan beide vorderingen de wettelijke grondslag is komen te ontvallen. Voor toewijzing is geen plaats meer. Het hof zal de benadeelde partij daarom in beide vorderingen niet-ontvankelijk verklaren. Deze beslissing laat onverlet dat zowel [JH.] als het Schadefonds Geweldsmisdrijven een beroep kunnen doen op hun regresrecht ten opzichte van [P.].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 47, 77a, 77g, 77h, 77i, 77s, 77gg en 289 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij golden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van uitlokking van moord.

Spreekt verdachte vrij van het cumulatief ten laste gelegde (mede)plegen van moord.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot jeugddetentie voor de duur van 24 (vierentwintig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde jeugddetentie in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast de plaatsing van de verdachte in een inrichting voor jeugdigen.

Vordering van de benadeelde partij [vader van het slachtoffer] als slachtoffer

Verklaart de benadeelde partij [vader van het slachtoffer] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Vordering van de benadeelde partij [vader van het slachtoffer] als nabestaande

Verklaart de benadeelde partij [vader van het slachtoffer] in haar vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk.

Verwijst de benadeelde partij in de door verdachte gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Aldus gewezen door

mr. M. Barels, voorzitter,

mr. M.H.M. Boekhorst Carrillo en mr. J.I.M.W. Bartelds, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. K.A.M. Oude Vrielink, griffier,

en op 27 augustus 2013 ter openbare terechtzitting uitgesproken.